De uitvreter:
Uitgebreide samenvatting
Koekebakker introduceert in de beroemd geworden beginzin de uitvreter,
een bijnaam van Japi: 'Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste
plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den
uitvreter.' Koekebakker heeft Japi via zijn vriend Bavink leren kennen. Het
is zomer en Bavink is met de veerboot op weg naar Veere om te
schilderen. Op het schip raakt hij geïnteresseerd in Japi, die als enige op
het voorschip wind en water trotseert, en begint een gesprek. Al gauw
blijkt Japi's levensopvatting: Japi betoogt dat hij bezig is te versterven en
vindt dat hij eigenlijk nog te veel doet. Japi’s woorden vallen bij Bavink in
de smaak en samen logeren ze in Veere en eten en wandelen daar. Bavink
merkt dat het versterven van Japi wel meevalt, omdat die veel praat en
nog veel meer eet en drinkt.
De mannen kunnen het goed met elkaar vinden. Bavink is een man die
hard werkt, vanuit een onweerstaanbare drang om te schilderen. Tevreden
met zijn werk is hij zelden en hij leeft van de hak op de tak. Japi werpt zich
al gauw op als Bavinks hulp en verkoper van diens werk. Met resultaat,
want nooit eerder bracht zijn werk zoveel op als nu. De mannen geven het
geld weer onmiddellijk uit en reizen naar Amsterdam, Brussel, Parijs,
Luxemburg en Normandië.
In de winter komen Bavink en Japi op de kamer van Koekebakker, die net
zijn 'vriend' Hoyer op bezoek heeft, ook een kunstschilder. Japi weet met
de sigaren van Koekebakker wel raad en voelt zich snel thuis. Bavink
vertelt over hun ontmoeting. Daarna gaan ze naar een café om bier te
drinken. Japi, die zou trakteren, blijkt geen cent op zak te hebben en
Koekebakker moet 'poffen'. Jodelend lopen ze op het Frederiksplein.
Een maand later zit Koekebakker alleen op zijn kamertje. Hij voelt zich
behaaglijk omdat hij wat geld heeft verdiend met een geplaatst artikel van
zijn hand. Daarom heeft hij brood, boter, worst, thee en sigaren gekocht.
Juist dan arriveert Japi, drijfnat van de regen. Hij draagt schoenen van
Appi, een mislukte kunstschilder. Hij komt een boek van Balzac
terugbrengen, dat hij heeft geleend, gewikkeld in een krant. De krant heeft
hij van zijn vader gekregen, omdat er een advertentie in staat voor een
'assistent correspondent'. Japi moet solliciteren van zijn vader, maar voelt
daar niets voor. Hij doet zich te goed aan het brood, het beleg en de
sigaren. Dan vertelt hij over zijn ruzie met Bavink - hij had diens kacheltje
in één avond kapot gestookt - en hoe het weer was bijgelegd. Vervolgens
gaat hij op Koekebakkers bed zitten en gaapt dat hij meent ziek te zijn.
Daarom geeft hij opdracht om ‘voor zijn rekening’ een flesje jenever te
halen. Koekebakker gaat door de regen naar de tapper en treft bij
thuiskomst een slapende Japi aan, die alleen wakker blijkt te kunnen
,worden voor de jenever. Als Koekebakker 's morgens na een onrustige
nacht wakker wordt, ziet hij dat Japi al bijna alle zijn eten opgegeten heeft.
Koekebakker wil Bavink spreken, maar treft op diens kamer alleen Japi aan.
Die zegt zich niet lekker te voelen en gelooft dat de oorzaak ligt in het feit
dat zijn ziel te groot is. Hij moet solliciteren, maar beklaagt zich daarover.
Japi vindt zich, vanwege eerdere ervaringen, niet geschikt voor een vaste
baan. Dan zegt hij op reis te gaan, naar Friesland, zonder reden of verder
doel, gewoon omdat hij er zin in heeft. Na zes weken keert hij terug en
geeft geen enkele opheldering over zijn verblijf daar.
De volgende zomer is Japi weer spoorloos. Koekebakker ontmoet hem later
bij toeval in Brussel. Japi ziet er piekfijn uit en betaalt zowaar hun potjes
bier. Begin augustus ontmoet Koekebakker hem weer in Amsterdam, maar
dan gaat het heel wat minder met de uitvreter: hij is zwijgzaam en rookt
amper. Als de vrienden van Koekebakker op een avond over Japi praten,
zegt Hoyer dat hij hem heeft gesignaleerd in Veere met een mooie Franse
dame. Een maand later vertelt Japi zelf over deze ‘Jeanne’. Ook meldt hij
dat hij begin maart de baan zal accepteren die zijn vader voor hem heeft
gevonden. Uiteindelijk begint hij pas in april met werken, maar uitvreten
doet hij niet meer.
Maanden later zoekt Bavink hem in een kantoorgebouw op. Japi schrijft
echter door en reageert nauwelijks; hij lijkt een harde werker te zijn
geworden. Kort daarop wordt Japi door zijn werkgever naar Afrika
gezonden. Binnen twee jaar keert hij ziek terug. Op een novembermiddag
treft Koekebakker hem aan in Wijk bij Duurstede, starend naar het water.
Japi komt na een borreltje los: Jeanne had hem in de steek gelaten en leed
aan een ongeneeslijke borstkwaal. In de mijnstreek in Charleroi had hij
respect voor de arbeiders gekregen, waardoor hij zelfs socialist wilde
worden. Nachten had hij doorgewerkt, maar nu vindt Japi het welletjes,
want bereiken deed je toch niets. Hij mijmert over het water van de Waal
in Nijmegen. Zo gaan er een paar maanden voorbij en in mei vertrekt Japi
naar Nijmegen. Hij schrijft Koekebakker op een briefkaartje dat Jeanne aan
haar borstkwaal is gestorven, en dat hij daar op had gewacht.
Dan volgt het einde: vroeg op een zomermorgen bij een prachtige
zonsopgang stapt Japi van de Waalbrug. Op zijn kamer vindt men zes
briefjes met gvd en één met 'Ziezo.'
Personages
Japi is de hoofdpersoon van het verhaal en de enige die een ontwikkeling
doormaakt. Hij is een egocentrische jongeman. Zijn vader voorziet in zijn
levensonderhoud, wat Japi heel gewoon vindt. Japi voelt zich verheven
boven de burgermaatschappij, die hij veracht en alleen goed genoeg vindt
om hem van financiën te voorzien, zoals via zijn burgerlijke vader. Ook is
hij niet te beroerd om zich te verrijken door middel van zijn vrienden. Japi
vindt het leven zinloos en alleen de moeite waard als hij ervan kan
genieten. Hij zoekt te versterven, bijvoorbeeld door eindeloos naar het
, water te staren. Werken wil hij niet, ook omdat hij door ervaring heeft
ontdekt daarvoor niet geschikt te zijn. Het liefst doet hij zo min mogelijk
en als het leven hem ongunstig stemt, stapt hij er net zo gemakkelijk uit.
Bavink is een kunstschilder die graag op reis is. Hij is een gedreven en
harde werker. Hij denkt in Japi een zowel bewonderingswaardige als
prettige metgezel te hebben gevonden. Bavink profiteert eerst ook van
Japi’s gezelschap, maar dat wordt gaandeweg minder. Bavink laat zich
sterk leiden door zijn eigen stemmingen. Nescio heeft de personage van
Bavink gemodelleerd aan de toenmalige kunstschilder Johannes
Zwolsman.
Koekebakker komt pas later in aanraking met Japi. Hij verdient soms wat
met schrijven maar is net zo’n sappelaar als Bavink en de andere
schilders. Japi profiteert ernstig van Koekebakker, die zich feitelijk
gedraagt als een soort toeschouwer. Koekebakker komt kleurloos over,
kiest geen partij, maar laat zich wel door Japi ringeloren, bijvoorbeeld als
die Koekebakker erop uitstuurt om voor hem drank te kopen. Nescio wilde
eerst Koekebakker als pseudoniem gebruiken voor zijn boeken, maar de
uitgever was hierop tegen. Vandaar dat de gedachte is ontstaan dat met
name Koekebakker rolmodel staat voor de auteur zelf, hoewel later uit een
aantal nagelaten brieven duidelijk werd dat de auteur toch ook (deels)
model heeft gestaan voor de persoon van Japi zelf.
Hoyer is kunstschilder en bevriend met Bavink en Koekebakker. Hij wordt
afgeschilderd als gierig, brutaal en grof. Hoyer doorziet Japi en noemt hem
‘uitvreter’.
Jeanne is de Franse minnares van Japi. Zij heeft een ernstige ziekte onder
de leden en ook de relatie met Japi is niet zonder problemen. Jeanne
verbreekt de relatie en later verneemt hij dat zij is gestorven.
Thema's en motieven
Het thema van 'De uitvreter' heeft te maken met Japi’s levensfilosofie. Japi
wil 'versterven', dat wil zeggen onaandoenlijk worden 'voor honger en
slaap, voor kou en nat. Dat waren je grootste vijanden. Eeuwig en altijd
moest je weer eten en slapen, moest je weg van de kou, werd je nat en
beroerd of moe.' Japi streeft naar het eeuwige en autonome bestaan, zoals
dit weerspiegeld is in de natuur:
- in het water: 'Zoo'n waterplas heeft 't maar goed, die golft maar en
weerspiegelt de wolken, is aldoor anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens
last van.'
- in de zon: 'Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst niet
meer, 't is over twaalven, hij moet onder: vanavond is 't weer koel. De lui
zouden raar kijken als i niet daalde.'
- in de aarde: 'Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide
maar om z'n as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet
van.'