Paars= belangrijke termen
Gele arcering= info dat in oefententamens werd gevraagd
Groene arcering= info dat in echte tentamen werd gevraagd
Groen- en geel= zowel oefententamen als echte tentamen
Studietaak 1.1 inleiding
❖ Beschrijf de definitie van levenslooppsychologie
De levenslooppsychologie heeft als doel het begrijpen van biopsychosociale processen zoals deze zich
ontvouwen in tijd en context. Het is een natuurlijke ontwikkeling dat plaatsvindt gedurende het gehele leven
van een mens, van conceptie tot de dood. De ontwikkeling kan beschreven worden in termen van stabiliteit,
adaptie of aanpassing van wisselende contexten.
De ontwikkeling speelt zich af in verschillende domeinen en staan in verband met elkaar:
• Lichamelijk/biologisch → geboren worden en opgroeien
• Cognitief → leren op school
• Sociaal → vrienden maken en levenspartner kiezen
• Emotioneel → rouwen na verlies
❖ Beschrijft het belangrijkste onderscheid tussen levenslooppsychologie en klassieke
ontwikkelingspsychologie
De klassieke ontwikkelingspsychologie omschrijft dat de ontwikkeling bestaat uit een uniform en lineair proces
met stelmatige structurele veranderingen die gebonden zijn aan chronologische leeftijd (algemene
wetmatigheden) met een progressief beloop. Hierin ligt de focus op de snelle biologische groei in de kind- en
jeugdjaren, dat bepalend is voor de verdere levensloop van de mens.
De levensloop omschrijft ontwikkeling als een uniek individueel proces dat unlineair en onvoorspelbaar is en
vanaf de conceptie tot de dood aanwezig is. Iemand leert zich continu aanpassen aan nieuwe omgeving en zich
adapteren. Ook is er aandacht voor verlies, groei en stabiliteit.
Klassiek ontwikkelingsmodel Conceptualisatie van menselijke groei vanuit levensloop
, ❖ Beschrijf de belangrijkste uitgangspunten van de levenslooppsychologie
• Ontwikkeling is onvoorspelbaar en unlineair, vooral in de latere levensfase
• Ontwikkeling is een unieke individuele levensloop
• Ontwikkeling is aanwezig gedurende de gehele levensloop van conceptie tot de dood
• Onderzoekt hoe de wetmatigheden samen met de verschillende sociale, culture en
historische invloeden de individuele levensgeschiedenis hebben vormgegeven
• Aandacht voor verlies, groei en stabiliteit. Groei en verlies kenmerken gezamenlijk de
ontwikkeling.
• De mens leert zich gedurende zijn leven aanpassen aan nieuwe omgevingen en leert hierbij
de bijpassende vaardigheden (adaptie). Naarmate iemand ouder wordt, neemt deze
plasticiteit in leren af → interindividuele verschillen in hoe adaptief en plastisch iemand is →
deze kwaliteiten zijn persoonsgebonden.
❖ Beschrijf de verschillende determinanten van de menselijke ontwikkeling en van elkaar te
onderscheiden
Levensloopbenadering→ worden drie soorten invloeden als determinanten van de levensloop onderscheiden.
Deze drie soorten invloeden zorgen er elk afzonderlijk maar tegelijk ook in interactie met elkaar voor dat ieder
mens zijn eigen levenspad loopt. Zie in de afbeelding hieronder.
Normatief historische invloeden zijn gekoppeld aan specifieke
maatschappelijke situaties in de historische tijd, zoals generaties die
gekarakteriseerd zijn door verschillende, maar tijdsgebonden ervaringen die
het gedrag en de leefwereld sterk beïnvloeden. In 2010-2020 was er een
maatschappelijk klimaat, ook wel generatie Alpha genoemd, die enkele
typerende kenmerken heeft:
• Generatie Alpha is ter wereld gekomen met een wereldwijde
economische crisis
• Technologische ontwikkeling gingen razendsnel: telefoon en
internet werden vanzelfsprekend. Kennis was binnen handbereik en niet face
to face contactmogelijkheden werden uitgebreid.
• Meest typerend voor generatie Alpha: op elk moment in hun leven
wellicht een ongeziene vrijheid aan keuzemogelijkheden heeft, sterk
gefaciliteerd door zich ontwikkelende technologieën en sociale mobiliteit.
Zelfs de ‘sky’ lijkt voor deze generatie niet meer de ’limit’.
Studietaak 1.2 Theoretische perspectieven
❖ Beschrijf de belangrijkste theoretische perspectieven op de menselijke levensloop
Normatieve benadering
van Hall en Gesell → in de vroege twintigste eeuw lanceerde ze de normatieve benadering van de
menselijke ontwikkeling. De normatieve benadering richt zich op wat ‘normaal’ of ‘typisch’ wordt
, beschouwd in het gedrag, ontwikkeling of functioneren van mensen, met daarbij de chronologische leeftijd
(kalenderleeftijd) als belangrijkste ordenende variabele. Het gaat om gemiddelde of verwachte patronen
op wat de meerdere van mensen in een bepaalde leeftijdsfase, cultuur of context ervaart of doet.
Vanuit het oogpunt van de levenslooppsychologie, schiet de normatieve benadering te kort → de
normatieve benadering kijkt vooral naar algemene regels van hoe mensen zich ontwikkelen. Maar deze
manier houdt weinig rekening met dat mensen heel verschillend zijn. Iedereen ontwikkelt zich op zijn eigen
tempo en soms in een andere richting → naarmate je ouder wordt, spelen er steeds meer persoonlijke
gebeurtenissen (niet- normatieve invloeden) → daarom is iedere levensloop uniek.
De normatieve benadering met Erikson, Freud & Piaget
Hoewel de psychosociale theorie van Erikson de
ontwikkeling van het individu nadrukkelijker in de
samenleving plaatst dan de psychoseksuele theorie van
Freud, daarbij ook de sociaal-culturele context in acht
nemend, zijn beide ontwikkelingstheorieën in essentie
normatief van aard. Dit geldt ook voor de theorie van Piaget.
➔ Alle drie de onderzoekers stellen, net zoals de
normatieve benadering, dat onze ontwikkeling verloopt
volgens een reeks voorspelbare en duidelijke omlijnde
stadia. Het doorlopen van het ‘juiste’ stadium op het
‘juiste’ moment wordt geïnterpreteerd als een gezonde
of normale ontwikkeling, terwijl een andere volgorde (door timing of aard van de ontwikkeling) kan
worden beschouwd als afwijkend → abnormale ontwikkeling met mogelijke gevolgen voor de verdere
levensloop.
❖ Licht de verschillende ontwikkelingstheorieën inhoudelijk toe door ze van elkaar te
onderscheiden
❖ Leg vanuit verschillende theoretische benaderingen ontwikkelingsfenomenen binnen de
levensloop te interpreteren uit.
Belangrijke theorieën:
• Evolutietheorie Darwin alle mensen en dieren met eigenschappen die goed passen bij hun omgeving,
hebben meer kans om te overleven en zich voort te planten. Die eigenschappen worden doorgegeven
aan de volgende generatie → zo past een soort zich aan in zijn omgeving.
• Bowly en hechting → baby’s lachen, huilen en grijpen → de signalen om verzorger dichtbij te houden
→ bevordert hechting → belangrijk in latere relaties.
• De normatieve benadering Hall & Gesell→ beschrijven de "gemiddelde" ontwikkeling, iets dat vanzelf
gebeurt volgens een bepaald groeiplan.
Psychoanalytische theorieën:
• Freud → psychoseksuele stadia tot adolescentie waar men conflicten in ervaart die ze telkens innerlijk
moeten oplossen, zoals driften (seks) en sociale verwachtingen (regels) → de kwaliteit van omgang
met deze conflicten → beïnvloedt hoe men omgaat met stress. Vroege ervaringen bepalen latere
persoonlijkheid. Vaste stadia doorlopen.
, Stadia van Freud:
1. Orale fase (0-1 jaar) → alles met de mond, zoals zuigen → niet goed bevredigd → later meer willen
eten → obesitas
2. Anale fase (1-3 jaar) → controle over plassen en poepen.
3. Fallische fase (3-6 jaar) → ontdekken van geslachtsdelen, identificatie met ouder van hetzelfde
geslacht.
4. Latentie (6-11 jaar) → seksuele gevoelens verdwijnen tijdelijk, kind richt zich op school en
vriendschappen.
5. Genitale fase (puberteit en verder) –→seksuele gevoelens keren terug, focus op relaties en familie.
• Erikson→ bouwt voort op Freud → psychosociale stadia die men doorloopt met centrale conflicten
van geboorte tot ouderdom → ontwikkeling is levenslang en afhankelijk van sociale uitdagingen en
elke levensfase. Opvoeding per cultuur verschilt. Fase niet goed doorlopen → dan wordt
tegenovergestelde van het positieve ervaren.
Stadia van Erikson:
1. Vertrouwen vs. wantrouwen (0-1 jaar) → basisveiligheid ontwikkelen door goede verzorging
2. Autonomie vs. schaamte (1-3 jaar) → kind wil dingen zelf doen
3. Initiatief vs. schuldgevoel (3-6 jaar) → fantasie en initiatief, maar ook leren wat mag en niet mag
4. Vlijt vs. minderwaardigheid (6-11 jaar) → vaardigheden leren, succes ervaren
5. Identiteit vs. rolverwarring (puberteit) → ontdekken wie je bent
6. Intimiteit vs. isolement (jongvolwassen) → hechte relaties leren aangaan
7. Zorgzaamheid vs. stagnatie (volwassen) → iets bijdragen aan volgende generatie
8. Integriteit vs. wanhoop (ouderdom) → terugkijken op je leven met tevredenheid
Gedragstheorieën:
• Klassieke behaviorisme Pavlov →honden → belletje → kwijlen → klassieke conditionering.
• Watson→ paste manier Pavlov toe op mensen → conclusie: omgeving bepaalt gedrag.
• Skinner➔ leren door beloning bij gewenst gedrag (gedrag neemt toe) en straf bij ongewenst gedrag
(gedrag neemt af) → operante conditionering
• Sociale leertheorie Bandura→ sociaal leren via observatie + nadruk op zelfregulatie en zelfeffectiviteit
→ modeling. Later legde Bandura meer nadruk op denken (cognitie). Mensen worden selectiever
(bewust kiezen) in wat ze nadoen op basis: ervaring met beloning en straf, persoonlijke standaarden en
geloof in eigen kunnen (zelfeffectiviteit).
Moderne cognitieve en biologische theorieën:
• Ontwikkelingsstadia Piaget→ kinderen construeren actief kennis via assimilatie en accommodatie.
Doel → actief balans vinden tussen wat je denkt en (nieuw) meemaakt.
• Neurowetenschap→ link tussen hersenontwikkeling en gedrag van kind tot volwassenen. Jongere tak
van neurowetenschap (ontwikkelingsgerichte sociale neurowetenschap) kijkt naar de relatie tussen