B.1: Biologische eenheid
De mens is opgebouwd uit verschillende “lagen”. Zo heb je de moleculen, cellen en
organismen. Deze zijn alle drie van een verschillend organisatieniveau. Dit zijn de
verschillende lagen waarin je de wereld kan onderdelen. De onderdelen van een
organisatieniveau vertonen een duidelijke samenhang. Een paar verschillende
organisatieniveaus zijn:
- Molecuul: Een structuur die uit meerdere atomen bestaat en heeft alle
eigenschappen van die bepaalde stof.
- Organel: Een onderdeel van een cel.
- Cel: De functionele basiseenheid van elk organisme. Een cel bevat cytoplasma,
erfelijk materiaal en is omringd door een membraan.
- Weefsel: Een groep cellen met dezelfde bouw en functie.
- Orgaan: Verschillende weefsels die samenwerken aan één bepaalde taak.
- Orgaanstelsel: Diverse organen die samen één bepaalde taak hebben.
- Organisme: Een levend wezen, zoals de mens, dieren en planten.
- Populatie: Een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied. Als de
organismen vergelijkbare eigenschappen hebben en zich onderling kunnen
voortplanten en vruchtbare nakomelingen hebben, spreken we van een soort.
De mens is dus opgebouwd uit verschillende organisatieniveaus. Dit begint bij moleculen.
Uit moleculen ontstaat een organel. Een organel is een onderdeel van de cel. Dit kan dus
bijvoorbeeld de celkern zijn, maar ook een celmembraan, etc. Als alle onderdelen samen
zijn gebracht is er de cel. Dit is de basis van elk levend organisme. Je hebt er miljarden van
in je lichaam. We spreken van een weefsel als we het hebben over een groep cellen die
hetzelfde doen en hetzelfde zijn. Uit weefsels ontstaan organen. Het menselijk lichaam kent
verschillende organen, zoals de longen, de lever en de milt. Ze hebben allemaal een
andere functie, maar ze zijn allemaal even belangrijk voor het bestaan van de mens. Alle
organen bij elkaar noemen we het orgaanstelsel. Het menselijk lichaam kent verschillende
orgaanstelsels, denk hierbij aan: bloedvatenstelsel, het ademhalingsstelsel, het
spijsverteringsstelsel, de lever, het uitscheidingsstelsel, het lymfevatenstelsel, het
zenuwstelsel, het skelet, het spierstelsel en het voortplantingsstelsel.
De basis van het menselijk lichaam is de cel. Deze is opgebouwd uit allemaal verschillende
onderdelen (zie plaatje). Niet alleen het menselijk lichaam is opgebouwd uit verschillende
cellen. Ook dieren en planten bestaan namelijk uit cellen. De eerste organismen bestonden
namelijk maar uit één cel. Hieruit zijn alle organismen uit geëvolueerd.
Een organisme kan dus uit één of meerdere cellen bestaan. Als een organisme uit een cel
bestaat, is het organisme eencellig. Bepaalde schimmels en planten, zoals de Alg, zijn
eencellig. Maar de meeste organismen zijn meercellig.
, Een cel bestaat uit verschillende onderdelen:
- Celkern: Bevat erfelijke informatie
(chromosomen).
- Celplasma: Vloeistof waarin alle celonderdelen
liggen.
- Celmembraan: Het buitenste deel van de cel. Het
geeft de cel vorm en zorgt ervoor dat het
celplasma in de cel blijft.
- Vacuole: Ruimte in de cel gevuld met vocht.
Plantaardige cellen hebben een grote vacuole,
maar dierlijke cellen hebben soms maar een paar
kleine.
- Celwand: Stevige structuur rondom de cel. Deze
bestaat uit cellulose. De celwand komt voor bij bacteriën, schimmels en planten en
dus niet bij dierlijke cellen.
Cellen kan je tevens ook opsplitsen in twee groepen. Je kunt het namelijk hebben over
plantaardige cellen en over dierlijke cellen. Plantaardige cellen zijn cellen die alleen maar
bij planten en algen voorkomen. Ze hebben onderdelen die dieren en mensen niet hebben,
zoals bladgroenkorrels, een celwand en een grote vacuole. De plant heeft
bladgroenkorrels in de groene delen van een plant. Deze korrels maken glucose en zuurstof
uit water, koolstofdioxide en licht. Dit proces heet fotosynthese. Planten zijn autotroof , dat
houdt in dat zij hun eigen voedsel kunnen maken. De celwand in de plantaardige cel vormt
een extra laagje om de celmembraan. De celwand bestaat uit de taaie stof cellulose en geeft
hiermee veel stevigheid aan de cel. Dit zorgt er dan ook voor dat een plantaardige cel
steviger is dan een dierlijke cel. De grote vacuole is gevuld met vocht, waarin diverse stoffen
(zouten) zitten opgelost.
Dierlijke cellen zijn de cellen die wij als mens ook hebben. Hieronder volgt een klein
overzicht van de overeenkomsten en de tegenstellingen van beide soorten cellen:
Plantaardige cellen Dierlijke cellen
Celmembraan Ja Ja
Cytoplasma Ja Ja
Celkern Ja Ja
Bladgroenkorrels Ja Nee
Celwand Ja Nee
Grote vacuole Ja Nee
Verder kennen plantaardige cellen een andere opbouw dan dierlijke cellen. Planten en
dergelijke hebben namelijk heel andere bestanddelen:
- Blad: Deel van de plant met als belangrijkste functies fotosynthese en verdamping.
- Huidmondje: Opening in de bladeren, hierdoor kunnen er gassen, zoals zuurstof en
koolstofdioxide de plant in komen.
De mens is opgebouwd uit verschillende “lagen”. Zo heb je de moleculen, cellen en
organismen. Deze zijn alle drie van een verschillend organisatieniveau. Dit zijn de
verschillende lagen waarin je de wereld kan onderdelen. De onderdelen van een
organisatieniveau vertonen een duidelijke samenhang. Een paar verschillende
organisatieniveaus zijn:
- Molecuul: Een structuur die uit meerdere atomen bestaat en heeft alle
eigenschappen van die bepaalde stof.
- Organel: Een onderdeel van een cel.
- Cel: De functionele basiseenheid van elk organisme. Een cel bevat cytoplasma,
erfelijk materiaal en is omringd door een membraan.
- Weefsel: Een groep cellen met dezelfde bouw en functie.
- Orgaan: Verschillende weefsels die samenwerken aan één bepaalde taak.
- Orgaanstelsel: Diverse organen die samen één bepaalde taak hebben.
- Organisme: Een levend wezen, zoals de mens, dieren en planten.
- Populatie: Een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied. Als de
organismen vergelijkbare eigenschappen hebben en zich onderling kunnen
voortplanten en vruchtbare nakomelingen hebben, spreken we van een soort.
De mens is dus opgebouwd uit verschillende organisatieniveaus. Dit begint bij moleculen.
Uit moleculen ontstaat een organel. Een organel is een onderdeel van de cel. Dit kan dus
bijvoorbeeld de celkern zijn, maar ook een celmembraan, etc. Als alle onderdelen samen
zijn gebracht is er de cel. Dit is de basis van elk levend organisme. Je hebt er miljarden van
in je lichaam. We spreken van een weefsel als we het hebben over een groep cellen die
hetzelfde doen en hetzelfde zijn. Uit weefsels ontstaan organen. Het menselijk lichaam kent
verschillende organen, zoals de longen, de lever en de milt. Ze hebben allemaal een
andere functie, maar ze zijn allemaal even belangrijk voor het bestaan van de mens. Alle
organen bij elkaar noemen we het orgaanstelsel. Het menselijk lichaam kent verschillende
orgaanstelsels, denk hierbij aan: bloedvatenstelsel, het ademhalingsstelsel, het
spijsverteringsstelsel, de lever, het uitscheidingsstelsel, het lymfevatenstelsel, het
zenuwstelsel, het skelet, het spierstelsel en het voortplantingsstelsel.
De basis van het menselijk lichaam is de cel. Deze is opgebouwd uit allemaal verschillende
onderdelen (zie plaatje). Niet alleen het menselijk lichaam is opgebouwd uit verschillende
cellen. Ook dieren en planten bestaan namelijk uit cellen. De eerste organismen bestonden
namelijk maar uit één cel. Hieruit zijn alle organismen uit geëvolueerd.
Een organisme kan dus uit één of meerdere cellen bestaan. Als een organisme uit een cel
bestaat, is het organisme eencellig. Bepaalde schimmels en planten, zoals de Alg, zijn
eencellig. Maar de meeste organismen zijn meercellig.
, Een cel bestaat uit verschillende onderdelen:
- Celkern: Bevat erfelijke informatie
(chromosomen).
- Celplasma: Vloeistof waarin alle celonderdelen
liggen.
- Celmembraan: Het buitenste deel van de cel. Het
geeft de cel vorm en zorgt ervoor dat het
celplasma in de cel blijft.
- Vacuole: Ruimte in de cel gevuld met vocht.
Plantaardige cellen hebben een grote vacuole,
maar dierlijke cellen hebben soms maar een paar
kleine.
- Celwand: Stevige structuur rondom de cel. Deze
bestaat uit cellulose. De celwand komt voor bij bacteriën, schimmels en planten en
dus niet bij dierlijke cellen.
Cellen kan je tevens ook opsplitsen in twee groepen. Je kunt het namelijk hebben over
plantaardige cellen en over dierlijke cellen. Plantaardige cellen zijn cellen die alleen maar
bij planten en algen voorkomen. Ze hebben onderdelen die dieren en mensen niet hebben,
zoals bladgroenkorrels, een celwand en een grote vacuole. De plant heeft
bladgroenkorrels in de groene delen van een plant. Deze korrels maken glucose en zuurstof
uit water, koolstofdioxide en licht. Dit proces heet fotosynthese. Planten zijn autotroof , dat
houdt in dat zij hun eigen voedsel kunnen maken. De celwand in de plantaardige cel vormt
een extra laagje om de celmembraan. De celwand bestaat uit de taaie stof cellulose en geeft
hiermee veel stevigheid aan de cel. Dit zorgt er dan ook voor dat een plantaardige cel
steviger is dan een dierlijke cel. De grote vacuole is gevuld met vocht, waarin diverse stoffen
(zouten) zitten opgelost.
Dierlijke cellen zijn de cellen die wij als mens ook hebben. Hieronder volgt een klein
overzicht van de overeenkomsten en de tegenstellingen van beide soorten cellen:
Plantaardige cellen Dierlijke cellen
Celmembraan Ja Ja
Cytoplasma Ja Ja
Celkern Ja Ja
Bladgroenkorrels Ja Nee
Celwand Ja Nee
Grote vacuole Ja Nee
Verder kennen plantaardige cellen een andere opbouw dan dierlijke cellen. Planten en
dergelijke hebben namelijk heel andere bestanddelen:
- Blad: Deel van de plant met als belangrijkste functies fotosynthese en verdamping.
- Huidmondje: Opening in de bladeren, hierdoor kunnen er gassen, zoals zuurstof en
koolstofdioxide de plant in komen.