Hoofdstuk 1
Continue versus Discontinue verandering: Continue: geleidelijke
ontwikkeling. Voorbeeld: de groei van een boom. Discontinue: gaat
in sprongen, duidelijke overgangen tussen sprongen. Voorbeeld:
vlinder, begint in een cocon en in een sprong naar een vlinder.
Gevoelige periode: adolescentie gevoelige periode van identiteit
ontwikkeling, ontdekken wie je bent. (8 crisissen Erikson)
Plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkeld gedragspatroon of
fysieke structuur veranderbaar is.
Adolescentie (typering, afbakening, fasering, ontwikkelingstaken)
Puberteit: proces van geslachtsrijp worden, inclusief de hormonale
ontwikkeling die de geslacht rijping en tal van andere rijpings- en
ontwikkelingsprocessen aanstuurt
Stadium van identiteit-versus-identiteitsverwarring (Erikson)
Emerging adulthood: de verlengde adolescentie
Vroege adolescentie: 10-13 jaar
Midden adolescentie: 14-18 jaar
Late adolescentie: 19-23 jaar
Sturm und Drang
Continue en discontinue ontwikkeling
Ontwikkelingspsychopathologie: een recente stroming binnen het
onderzoek aan problematische ontwikkelingen gedurende de
levensloop. Richt zich op onderzoek naar de condities waaronder
stoornissen in de ontwikkeling optreden, in stand blijven of
verdwijnen en naar de individuele verschillen in de aanpassing die
daarbij voorkomen.
Hoofdstuk 2
Ontwikkelingspsychologie en de vier thematische gebieden (Fysiek,
Cognitief, Sociaal-emotioneel, Persoonlijkheid):
Fysiek/biologisch?:verwijst naar de driften die een centrale plaats
innemen in de psychoanalytische theorieën. Hoe hersenen,
zenuwstelsel, spieren, zintuigen en basisbehoeften zoals eten en
slapen gedrag beïnvloedden.
, Cognitief: verwijst naar het vermogen van de adolescent om te
denken vanuit het mogelijke dat benadrukt wordt in de cognitieve
theorieën. Mogelijkheid om actief plannen te maken voor de
toekomst. Intellectuele vaardigheden zoals leren, geheugen en
probleemoplossingen.
Sociaal/emotioneel: verwijst naar persoonlijke relaties
bijvoorbeeld die met de ouders. Veranderingen in relaties en
interacties met anderen.
Persoonlijkheid: verwijst naar de centrale opgave voor de
adolescent om tot een persoonlijke integratie te komen van alle
invloeden vanuit jet individu en vanuit de omgeving. Eigenschappen
die mensen uniek maken.
Experimenteel onderzoek: kort. Onderzoek -> effect meten. Voor en
nameting, experimentele en controlegroep, randomisatie.
Longitudinaal onderzoek: lang. Langdurig onderzoek,
cohortonderzoek, tweelingenonderzoek
Hoofdstuk 3
Zygote: bevruchte eicel
Monozygote en Dizygote tweeling: Monozygote tweeling: eeneiige
tweeling, afkomstig van dezelfde oorspronkelijke zygote en dus
genetisch identiek. Dizygote tweeling: twee-eiige tweeling,
verwekt vanuit twee afzonderlijke eicellen die ongeveer tegelijkertijd
worden bevrucht door twee afzonderlijke zaadcellen.
Erfelijkheid: hoe eigenschappen genetisch worden doorgegeven
Nature-nurture
Gen-omgevingsinteractie-effecten (Actief, Passief, Evocatief):
passief: ouders dragen zowel genen als omgeving over aan hun
kinderen. Actief: kinderen selecteren of creëren zelf een omgeving
die past bij hun genotype. Evocatief: het kind lokt door zijn
genotype reacties uit de omgeving op.
Bij passief dragen ouders hun genen over en de omgeving over aan een
kind. Bij actief zijn kinderen zelf druk bezig met een omgeving maken die
bij hun past.
Diathese Stress Model: aandoeningen ontstaan vanuit een aanleg in
combinatie met stressvolle omstandigheden. Voorbeeld: faalangst.
Continue versus Discontinue verandering: Continue: geleidelijke
ontwikkeling. Voorbeeld: de groei van een boom. Discontinue: gaat
in sprongen, duidelijke overgangen tussen sprongen. Voorbeeld:
vlinder, begint in een cocon en in een sprong naar een vlinder.
Gevoelige periode: adolescentie gevoelige periode van identiteit
ontwikkeling, ontdekken wie je bent. (8 crisissen Erikson)
Plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkeld gedragspatroon of
fysieke structuur veranderbaar is.
Adolescentie (typering, afbakening, fasering, ontwikkelingstaken)
Puberteit: proces van geslachtsrijp worden, inclusief de hormonale
ontwikkeling die de geslacht rijping en tal van andere rijpings- en
ontwikkelingsprocessen aanstuurt
Stadium van identiteit-versus-identiteitsverwarring (Erikson)
Emerging adulthood: de verlengde adolescentie
Vroege adolescentie: 10-13 jaar
Midden adolescentie: 14-18 jaar
Late adolescentie: 19-23 jaar
Sturm und Drang
Continue en discontinue ontwikkeling
Ontwikkelingspsychopathologie: een recente stroming binnen het
onderzoek aan problematische ontwikkelingen gedurende de
levensloop. Richt zich op onderzoek naar de condities waaronder
stoornissen in de ontwikkeling optreden, in stand blijven of
verdwijnen en naar de individuele verschillen in de aanpassing die
daarbij voorkomen.
Hoofdstuk 2
Ontwikkelingspsychologie en de vier thematische gebieden (Fysiek,
Cognitief, Sociaal-emotioneel, Persoonlijkheid):
Fysiek/biologisch?:verwijst naar de driften die een centrale plaats
innemen in de psychoanalytische theorieën. Hoe hersenen,
zenuwstelsel, spieren, zintuigen en basisbehoeften zoals eten en
slapen gedrag beïnvloedden.
, Cognitief: verwijst naar het vermogen van de adolescent om te
denken vanuit het mogelijke dat benadrukt wordt in de cognitieve
theorieën. Mogelijkheid om actief plannen te maken voor de
toekomst. Intellectuele vaardigheden zoals leren, geheugen en
probleemoplossingen.
Sociaal/emotioneel: verwijst naar persoonlijke relaties
bijvoorbeeld die met de ouders. Veranderingen in relaties en
interacties met anderen.
Persoonlijkheid: verwijst naar de centrale opgave voor de
adolescent om tot een persoonlijke integratie te komen van alle
invloeden vanuit jet individu en vanuit de omgeving. Eigenschappen
die mensen uniek maken.
Experimenteel onderzoek: kort. Onderzoek -> effect meten. Voor en
nameting, experimentele en controlegroep, randomisatie.
Longitudinaal onderzoek: lang. Langdurig onderzoek,
cohortonderzoek, tweelingenonderzoek
Hoofdstuk 3
Zygote: bevruchte eicel
Monozygote en Dizygote tweeling: Monozygote tweeling: eeneiige
tweeling, afkomstig van dezelfde oorspronkelijke zygote en dus
genetisch identiek. Dizygote tweeling: twee-eiige tweeling,
verwekt vanuit twee afzonderlijke eicellen die ongeveer tegelijkertijd
worden bevrucht door twee afzonderlijke zaadcellen.
Erfelijkheid: hoe eigenschappen genetisch worden doorgegeven
Nature-nurture
Gen-omgevingsinteractie-effecten (Actief, Passief, Evocatief):
passief: ouders dragen zowel genen als omgeving over aan hun
kinderen. Actief: kinderen selecteren of creëren zelf een omgeving
die past bij hun genotype. Evocatief: het kind lokt door zijn
genotype reacties uit de omgeving op.
Bij passief dragen ouders hun genen over en de omgeving over aan een
kind. Bij actief zijn kinderen zelf druk bezig met een omgeving maken die
bij hun past.
Diathese Stress Model: aandoeningen ontstaan vanuit een aanleg in
combinatie met stressvolle omstandigheden. Voorbeeld: faalangst.