Week 1: Cijfers, informanten en definities
Jeugdcriminaliteit neemt af, maar lijkt te stijgen door de disproportioneel
veel berichtgeving en (politieke) aandacht in de media.
Prestatieparadox is dat blijkt bij het slachtoffersenquêtes dat hoe beter de
politie zijn werk doet hoe meer criminaliteit er lijkt te zijn.
Veilige plaats is dat kinderen op minstens één levensdomein continuïteit
nodig hebben, dit is een beschermende factor die een risicofactor opvangt.
- Zelfrapportage: enquêtes aan jongeren die zelf een delict hebben
gepleegd, nadelen zijn: kan niet gehele bevolking en alle delicten
kan je ondervragen, over- en onderrapportage.
- Politiestatistieken en justitiestatistieken: het aantal aangehouden
daders en tegen wie en strafzaak is afgedaan. Nadelen zijn: “dark
number” (groot deel ombekend) en verandering in politiebeleid.
Daling in criminaliteit door een wisselwerking tussen factoren en
verschuiving naar online wereld.
Jongeren hebben het recht om mening te geven en het betrekken van
jongeren in het jeugdhulptraject helpt met zelfontwikkeling en autonomie.
Het gedwongen opgenomen worden in een jeugdhulpinstelling is een
ultimum remedium.
De evaluatie van de jeugdwet laat zien dat niet voor elke kind of ouder
jeugdhulp toegankelijk is.
Civielrechtelijk kader is ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing en
strafrechtelijk kader is aangehouden worden op verdenking van een
strafbaar feit.
Residentiële jeugdhulp is een gesloten vorm van residentiële jeugdhulp
van een civielrechtelijk maatregel (sinds 2008 niet meer samen met
strafrechtelijk).
Rechter geeft alleen machtiging indien er een ernstige bedreiging is voor
de ontwikkeling of ernstige opvoed-ontwikkelingsproblematiek.
Vrijheidsbeperking is ultimum remedium.
Week 2: Ontwikkelingen levensloop criminologie
Ontwikkelingscriminologie: >18 jaar risicofactoren op verschillende
leeftijden
Levensloopcriminologie: 18+ jaar verklaart delinquent gedrag vanuit
levenslooptransities die leiden tot turnings points.
, Hirsch sociale bindingstheorie: maatschappelijke bindingen weerhoudt
men van criminaliteit.
Ontwikkeling-ecologisch model Belsky: 4 soorten gezinsfactoren: proximale
(ouder-kindrelatie, Distale (Kindfactoren), contextuele (gezin en andere
relaties) en globale (socio-ecologische status).
De interventie van politie heeft negatieve invloed op het verdere verloop
van delinquent gedrag.
Klassieke theorieën
- Klassieke theorie: op basis van vrije wil en rationale keuzes maken
met de intentie een doel te bereiken.
- Neoklassieke theorie: plezier en voldoening maar omgevings- en
persoonlijke factoren (individuele verschillen).
- Rationele keuze theorie: behulp van redernering van voordelen
risico’s en rationele benadering van gedrag.
Psychologische theorieën: intern
- Psychoanalytische en psychodynamische theorieën: conflict tussen
innerlijke verlangens en de beperkingen die de samenleving oplegt
veroorzaakt criminaliteit.
- Persoonlijkheidstrek theorie: persoonlijkheidstrekken uit de kindertijd
sturen het individu.
- Sociale leertheorie: gedrag wordt aangeleerd door observatie en
interactie met anderen (modeling en imiteren).
- Ettiketterinstheorie/ labing theorie: label zorgt voor self fulfilling
prophecy.
Sociologische verklaringen: Chicagoschool
- Sociale desorganisatie theorie: sociale desorganisatie (armoede,
werkeloosheid en bevolkingsdichtheid) leidt tot criminaliteit.
- Anomie theorie/ Spanningstheorie: grotere maatschappelijke
omstandigheden, jongeren die economisch benadeeld zijn kunnen
gefrustreerd raken en hebben meer motivatie tot criminaliteit.
- Strain-theorie/ algemene spanningstheorie: proberen doelen te
bereiken en pijn te vermijden, wat kan leiden tot spanning, wat weer
mogelijk leidt tot crimineelgedrag.
Controle theorieën: nastreven van plezier en vermijden van pijn.
- Hirsch sociale controle theorie: maatschappelijke bindingen
weerhoudt men van criminaliteit.
Jeugdcriminaliteit neemt af, maar lijkt te stijgen door de disproportioneel
veel berichtgeving en (politieke) aandacht in de media.
Prestatieparadox is dat blijkt bij het slachtoffersenquêtes dat hoe beter de
politie zijn werk doet hoe meer criminaliteit er lijkt te zijn.
Veilige plaats is dat kinderen op minstens één levensdomein continuïteit
nodig hebben, dit is een beschermende factor die een risicofactor opvangt.
- Zelfrapportage: enquêtes aan jongeren die zelf een delict hebben
gepleegd, nadelen zijn: kan niet gehele bevolking en alle delicten
kan je ondervragen, over- en onderrapportage.
- Politiestatistieken en justitiestatistieken: het aantal aangehouden
daders en tegen wie en strafzaak is afgedaan. Nadelen zijn: “dark
number” (groot deel ombekend) en verandering in politiebeleid.
Daling in criminaliteit door een wisselwerking tussen factoren en
verschuiving naar online wereld.
Jongeren hebben het recht om mening te geven en het betrekken van
jongeren in het jeugdhulptraject helpt met zelfontwikkeling en autonomie.
Het gedwongen opgenomen worden in een jeugdhulpinstelling is een
ultimum remedium.
De evaluatie van de jeugdwet laat zien dat niet voor elke kind of ouder
jeugdhulp toegankelijk is.
Civielrechtelijk kader is ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing en
strafrechtelijk kader is aangehouden worden op verdenking van een
strafbaar feit.
Residentiële jeugdhulp is een gesloten vorm van residentiële jeugdhulp
van een civielrechtelijk maatregel (sinds 2008 niet meer samen met
strafrechtelijk).
Rechter geeft alleen machtiging indien er een ernstige bedreiging is voor
de ontwikkeling of ernstige opvoed-ontwikkelingsproblematiek.
Vrijheidsbeperking is ultimum remedium.
Week 2: Ontwikkelingen levensloop criminologie
Ontwikkelingscriminologie: >18 jaar risicofactoren op verschillende
leeftijden
Levensloopcriminologie: 18+ jaar verklaart delinquent gedrag vanuit
levenslooptransities die leiden tot turnings points.
, Hirsch sociale bindingstheorie: maatschappelijke bindingen weerhoudt
men van criminaliteit.
Ontwikkeling-ecologisch model Belsky: 4 soorten gezinsfactoren: proximale
(ouder-kindrelatie, Distale (Kindfactoren), contextuele (gezin en andere
relaties) en globale (socio-ecologische status).
De interventie van politie heeft negatieve invloed op het verdere verloop
van delinquent gedrag.
Klassieke theorieën
- Klassieke theorie: op basis van vrije wil en rationale keuzes maken
met de intentie een doel te bereiken.
- Neoklassieke theorie: plezier en voldoening maar omgevings- en
persoonlijke factoren (individuele verschillen).
- Rationele keuze theorie: behulp van redernering van voordelen
risico’s en rationele benadering van gedrag.
Psychologische theorieën: intern
- Psychoanalytische en psychodynamische theorieën: conflict tussen
innerlijke verlangens en de beperkingen die de samenleving oplegt
veroorzaakt criminaliteit.
- Persoonlijkheidstrek theorie: persoonlijkheidstrekken uit de kindertijd
sturen het individu.
- Sociale leertheorie: gedrag wordt aangeleerd door observatie en
interactie met anderen (modeling en imiteren).
- Ettiketterinstheorie/ labing theorie: label zorgt voor self fulfilling
prophecy.
Sociologische verklaringen: Chicagoschool
- Sociale desorganisatie theorie: sociale desorganisatie (armoede,
werkeloosheid en bevolkingsdichtheid) leidt tot criminaliteit.
- Anomie theorie/ Spanningstheorie: grotere maatschappelijke
omstandigheden, jongeren die economisch benadeeld zijn kunnen
gefrustreerd raken en hebben meer motivatie tot criminaliteit.
- Strain-theorie/ algemene spanningstheorie: proberen doelen te
bereiken en pijn te vermijden, wat kan leiden tot spanning, wat weer
mogelijk leidt tot crimineelgedrag.
Controle theorieën: nastreven van plezier en vermijden van pijn.
- Hirsch sociale controle theorie: maatschappelijke bindingen
weerhoudt men van criminaliteit.