Zimbardo, H2
Kennis van de biopsychologie en neurowetenschappen helpt een pedagoog om gedrag,
leren en ontwikkeling beter te begrijpen vanuit de samenhang tussen lichaam, brein en
omgeving.
§2.1: Wat is het verband tussen genen en gedrag?
Aangeboren gedrag is het resultaat van evolutie. Charles Darwin begon de evolutietheorie
toen hij met het Britse schip de Beagle de kustlijn van Zuid-Amerika bestudeerde. Hij vroeg
zich af of alle organismen onderling verwant waren. Zijn gedachten gingen in tegen het
geaccepteerde creationisme: God had alles geschept.
Tijdens Darwins reis kwam hij erachter dat alle organismen perfect waren aangepast aan
hun omgeving. Hij bedacht dat bepaalde variaties je een voordeel kunnen geven voor de
strijd om overleving en voortplanting, dit proces noemde hij natuurlijke selectie.
- We hebben angst, omdat dit een gevaar vormde voor onze voorouders.
- We slapen, omdat slaap zorgde dat er ‘s nachts niet met ons kon gebeuren.
De evolutietheorie zegt dat twee soorten in de loop van tijd zijn gaan verschillen, doordat er
kenmerken voor een specifieke omgeving zijn ontstaan: adaptieve kenmerken.
Het genotype is bepaald door je ouder; je genen heb je gekregen van je ouders en kan je
niet veranderen. Je fenotype is alles wat je met het blote oog zou kunnen zien (je lengte, je
haarkleur, je gedrag, maar ook de bedrading van je hersenen). Zowel het genotype als de
omgeving bepaalt hoe je eruit ziet.
⤷ Kinderen worden geboren met allerlei mogelijkheden (ze zijn geen onbeschreven blad). Genen coderen
niet alleen voor uiterlijke kenmerken maar ook voor psychologische kenmerken (je temperament,
persoonlijkheid, etc.) Het fenotype is combinatie van genen en omgevingsinvloeden.
Elke cel in je lichaam bevat genomen ( = een complete set chromosomen). Je hebt 23
chromosomenparen, de eerste 22 zijn de autosomen en het laatste paar zijn de
geslachtschromosomen (XX of XY). Elk chromosoom bestaat uit DNA dat heel erg strak is
opgerold om een histoon ( = een specifiek eiwit). Het epigenoom zet bepaalde genen aan
en uit om zich zo aan te passen aan de omgeving, op deze manier kan je bepaald gedrag
vertonen. Het aan- en uitzetten van genen kan op elk moment van je leven, wel spelen de
omgevingsfactoren in je jeugd zwaarder mee dan bijvoorbeeld op latere leeftijd. Epigenetica
heeft echter niet altijd positieve gevolgen.
⤷ Ratten die als kind weinig waren gelikt door hun moeder waren agressiever en ervaren meer
stress, dit had te maken met de epigenetische sequenties).
Psychologische eigenschappen hebben niet altijd met erfelijkheid te maken. Het kan zijn dat
je je creativiteit erft van je voorouders, maar deze kan ook zijn versterkt door de omgeving
waarin je je bevindt (hetzelfde geldt voor ziekten, chemische stoffen en de mensen om je
heen).
§2.2: Hoe is de interne communicatie van het lichaam geregeld?
, Je lichaam heeft twee communicatiesystemen: het snelle zenuwstelsel (met
neurotransmitters) en het langzamere endocriene stelsel (met hormonen).
Het zenuwstelsel:
Een neuron ontvangt en stuurt de informatie door naar andere cellen in het lichaam. Veel
neuronen samen worden een zenuw genoemd. Er zijn drie verschillende soorten neuronen:
● Sensorisch neuron: Ontvangt impulsen van de zintuigcellen en vervoert deze
naar het centraal zenuwstelsel.
● Schakelneuron: Schakelt impulsen van de sensorische neuronen door.
● Motorisch neuron: Vervoert impulsen van het centraal zenuwstelsel naar de
spieren of de klieren.
Elk neuron heeft twee soorten uitlopers:
● Dendriet: Ontvangt informatie en geeft het door aan het soma ( = cellichaam).
Een neuron heeft vaak meerdere dendrieten.
● Axon: Voert impulsen van het cellichaam naar spieren / klieren / zenuwen. Deze
vindt enkel plaats als de exhibitie ‘wint’ van de inhibitie. Elk axon eindigt met een
synaps, hier wordt de informatie doorgegeven aan een ander neuron in de vorm
van elektrische lading.
1. Na+ poorten gaan open.
2. Ook de K+ poorten gaan open.
3. Het membraanpotentiaal stijgt naar -50 mV, dit staat gelijk aan de
prikkeldrempel.
4. Door depolarisatie stijgt de spanning
tot + 30 mV.
5. De Na+ poorten sluiten, maar de K+
poorten blijven open. Het zorgt voor een
daling in de hoeveelheid spanning →
repolarisatie.
6. De K+ poorten sluiten langzaam. De
daling is groter dan de stijging in de
depolarisatie. Het zorgt voor
hyperpolarisatie. Hier is de neuron
ongevoelig voor nieuwe prikkels.
Er geldt een alles-of-nietsprincipe: het neuron
geeft of alle informatie door of helemaal geen informatie door.
Om informatie door te geven moet het neuron de eindknop van het axon stimuleren.
Tussen twee neuronen ligt een kleine opening: de synaps, deze werkt als elektrische
isolator. Pas als de elektrische energie groot genoeg is, wordt de energie overgegeven aan
het andere neuron. Dit proces heet synaptische transmissie. De eindknop bevat
neurotransmitters, door de neurotransmitters wordt het signaal van de zenuw over de
spleet doorgegeven aan de volgende zenuw.
Gliacellen zijn ondersteuning voor de neuronen. Ze kunnen bijvoorbeeld een
myelineschede in de cel maken, wat zorgt voor snellere impulsgeleiding.