WEEK 1: OORSPRONG GEHECHTHEIDSTHEORIE
VAN DER HORST & VAN DER VEER (2008) VERANDERENDE OPVATTINGEN OVER
KINDEREN IN ZIEKENHUIZEN
Het artikel "Veranderende opvattingen over kinderen in ziekenhuizen (1940-1970)" van Frank
van der Horst en René van der Veer stelt dat het algemeen aanvaarde beeld, waarin John
Bowlby en James Robertson de beslissende rol speelden in de humanisering van
ziekenhuiszorg voor kinderen, onvolledig is. De auteurs betogen dat deze verandering een
complex proces was dat zich over meerdere decennia uitstrekte en werd gevoed door
diverse partijen, waaronder verontruste artsen, actiegroepen, sympathiserende redacteuren
van medische tijdschriften en nieuwe onderzoeksgegevens, waaronder die van Bowlby en
Robertson. Hoewel hun werk invloedrijk was, was het niet noodzakelijkerwijs nieuw of
doorslaggevend. Om dit te onderbouwen, analyseren de auteurs publicaties uit de BRITISH
MEDICAL JOURNAL en THE LANCETtussen 1940 en 1970.
DE SITUATIE TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG (JAREN '40)
Aan het begin van de jaren '40 was de heersende opvatting dat ouderbezoek op
kinderafdelingen moest worden verboden om infecties te voorkomen en omdat men geloofde
dat bezoek kinderen onnodig van streek maakte. Het personeel was van mening dat kinderen
zich snel aanpasten en de zusters als vervangende ouders accepteerden (IN LOCO
PARENTIS). De emotionele noden van kinderen werden niet serieus genomen; men gaf de
voorkeur aan een verdrietig kind boven een kind dat zou kunnen sterven door een infectie.
Er waren echter al vroeg tegengeluiden:
• John Bowlby (1940): Reageerde direct op een bezoekverbod en beargumenteerde dat
ouderbezoek essentieel was, vooral voor jonge kinderen, en dat het ontbreken ervan tot
gedragsproblemen kon leiden.
• Dr. Scott (1944): Beschreef op indringende wijze de angst en het isolement van kinderen in
ziekenhuizen, waar ze werden verzorgd door gemaskerd personeel in een steriele omgeving, wat
de genezing zou frustreren.
• De Pickerills (vanaf 1927): Ontwikkelden in Nieuw-Zeeland een methode waarbij moeder en kind
samen werden geïsoleerd om infectiegevaar te minimaliseren. Hoewel hun focus op isolatie lag,
benadrukten ze ook het belang van de moeder-kindband voor het herstel.
• Lady Russell (1945): De vrouw van filosoof Bertrand Russell, schreef een invloedrijke brief over
de slechte behandeling van haar zoon in het ziekenhuis. Ze hekelde niet alleen de onmenselijke
bezoekregels, maar ook de sociale ongelijkheid, waarbij patiënten uit hogere klassen beter
werden behandeld. Haar brief kreeg steun van de redactie van THE LANCET.
• James Spence (1947): Hield een mijlpaallezing waarin hij de beangstigende sfeer op
kinderafdelingen beschreef en pleitte voor de opname van moeders bij hun kinderen (ROOMING-
IN), een praktijk die hij zelf al jaren toepaste.
• B.W. Maclennan (1949): Bekritiseerde de te strakke discipline en het negeren van de emotionele
behoeften van kinderen. Ze stelde praktische maatregelen voor, zoals vaker bezoek en meer
kennis van ontwikkelingspsychologie bij het personeel.
Ondanks deze vroege pleidooien veranderde er in de praktijk weinig.
,DE JAREN '50: BOWLBY'S RAPPORT, ROBERTSONS FILMS EN HET DEBAT
De jaren '50 brachten het debat in een stroomversnelling:
• Bowlby's WHO-rapport (1951): Concludeerde dat langdurige scheiding van de moeder
schadelijke gevolgen kon hebben voor de karaktervorming van een kind. Zijn aanbevelingen,
zoals ROOMING-IN en dagelijks bezoek, waren grotendeels gebaseerd op het eerdere werk van
Spence, de Pickerills en Maclennan. Het rapport werd enthousiast ontvangen door de redacties
van THE LANCET en de BRITISH MEDICAL JOURNAL.
• Robertsons film A TWO-YEAR-OLD GOES TO HOSPITAL (1952): Toonde het leed van een
tweejarig meisje, Laura, tijdens een ziekenhuisopname. De film riep heftige reacties op in de
medische wereld; sommigen waren overtuigd, maar velen deden het af als een atypisch geval en
de film werd zelfs "laster" genoemd.
• Empirisch onderzoek: Studies zoals die van Illingworth en Holt (1955) bevestigden dat jonge
kinderen zich niet konden redden zonder hun ouders en pleitten voor ROOMING-IN. Ander
onderzoek, zoals dat van Howells en Layng (1955), was kritischer en suggereerde dat kortdurende
scheiding geen permanente schade veroorzaakte.
• Het Platt-rapport (1959): Dit invloedrijke rapport van een officiële commissie, sterk beïnvloed
door Robertsons films, deed de aanbeveling om ouders van kinderen tot vijf jaar onbeperkt
toegang te geven. De aanbevelingen werden volledig gesteund door de medische tijdschriften en
het Ministerie van Volksgezondheid, maar werden door de meeste ziekenhuizen en artsen
genegeerd.
DE JAREN '60: TOENEMENDE DRUK EN GELEIDELIJKE VERANDERING
In de jaren '60 verschoof het debat van de medische vakbladen naar het publieke domein via
kranten en televisie.
• Publieke opinie: Robertson verzamelde verhalen van ouders die de slechte ziekenhuispraktijken
veroordeelden, zoals het afpakken van knuffels en de emotionele nasleep (nachtmerries,
verlatingsangst) voor kinderen.
• Actiegroepen: De oprichting van belangenverenigingen zoals de NATIONAL ASSOCIATION FOR
THE WELFARE OF CHILDREN IN HOSPITAL (NAWCH) zette extra druk op de ketel.
• Tragische gebeurtenissen: Een hartverscheurend verhaal in THE LANCET (1965) over een
driejarig meisje dat overleed na een amandeloperatie, terwijl haar moeder de toegang werd
ontzegd, veroorzaakte veel ophef en leidde ertoe dat het ministerie vaste bezoektijden verbood.
Aan het einde van de jaren '60 was er een duidelijke verschuiving zichtbaar. Hoewel de
verandering traag ging, voerden tegenstanders van ruimere bezoektijden inmiddels een
achterhoedegevecht. De combinatie van invloed van medische tijdschriften, toegenomen
kennis, de beschikbaarheid van antibiotica (wat de angst voor infecties verminderde), een
meer permissieve opvoedingsstijl en de impact van films en tv-programma's zorgde
uiteindelijk voor de omslag naar open bezoekregelingen.
CONCLUSIE
De auteurs concluderen dat de verandering naar een humanere ziekenhuiszorg een langdurig
proces was dat al voor de Tweede Wereldoorlog begon. Het werk van Bowlby en Robertson
was belangrijk en invloedrijk, vooral in het overtuigen van het brede publiek, maar het was
niet de enige of beslissende factor. Zij waren onderdeel van "een groot koor van ouders,
doktoren en verpleegsters" die al langer pleitten voor een betere aanpak. Hun werk bouwde
voort op de ideeën van pioniers als de Pickerills, Spence en Maclennan.
,WEEK 2 HECHTING MISVATTINGEN EN METEN
MADIGAN ET AL (2023): FIRST 20.000 STRANGE SITUATION PROCEDURES
Het artikel "The First 20,000 Strange Situation Procedures: A Meta-Analytic Review" van
Sheri Madigan et al. is een grootschalige meta-analyse die meer dan 50 jaar onderzoek naar
ouder-kindhechting samenvat. De studie analyseert data van 285 onderzoeken met in totaal
20.720 ouder-kind-dyades. De hoofddoelen waren het vaststellen van de wereldwijde
verdeling van de vier hechtingsclassificaties, het onderzoeken van trends over tijd en
geografische verschillen, en het identificeren van factoren die deze verdeling beïnvloeden,
met name risicofactoren.
DE VREEMDE SITUATION PROCEDURE (SSP)
De SSP, ontwikkeld door Mary Ainsworth in 1969, is een gestandaardiseerde
laboratoriumprocedure van 21 minuten om de hechting tussen een kind en een opvoeder te
beoordelen. Tijdens de procedure wordt het kind blootgesteld aan milde stressoren, zoals de
aanwezigheid van een vreemde en twee korte scheidingen van de opvoeder, om het
hechtingssysteem te activeren. Op basis van het gedrag van het kind, met name bij de
hereniging met de opvoeder, wordt de hechtingsrelatie geclassificeerd in een van de vier
categorieën:
• Veilig (Secure): Het kind zoekt troost bij de opvoeder na een scheiding en gebruikt deze als een
veilige basis om de omgeving te verkennen.
• Onveilig-vermijdend (Avoidant): Het kind negeert de opvoeder actief bij hereniging en lijkt sterk
gericht op de omgeving.
• Onveilig-afwerend (Resistant): Het kind is overstuur, moeilijk te troosten en toont vaak
boosheid of passiviteit, terwijl het de omgeving nauwelijks verkent.
• Gedesorganiseerd (Disorganized): Het kind vertoont tegenstrijdig, verward of angstig gedrag ten
opzichte van de opvoeder. Dit wordt gezien als een indicatie dat de opvoeder soms een bron van
angst is voor het kind.
BELANGRIJKSTE RESULTATEN
Wereldwijde Verdeling van Hechting: De meta-analyse stelde de volgende wereldwijde
verdeling vast:
• Veilig: 51,6%
• Vermijdend: 14,7%
• Afwerend: 10,2%
• Gedesorganiseerd: 23,5%
Dit betekent dat wereldwijd ongeveer de helft van de kinderen een veilige hechtingsrelatie
ontwikkelt met hun opvoeder.
, Algemene Kenmerken en Trends:
• Geen verschil naar leeftijd of geslacht kind: De verdeling van hechting was niet significant
anders voor jongens versus meisjes, of voor kinderen van verschillende leeftijden binnen de
onderzochte periode (11-24 maanden).
• Geen verschil tussen moeders en vaders: Hoewel de meeste studies (95,8%) moeders
onderzochten, liet de analyse geen statistisch significant verschil zien in de hechtingsverdeling
tussen moeders en vaders.
• Trend over tijd: Er werd een significante daling van vermijdende hechting waargenomen in de
studies over een periode van 35 jaar. De oorzaak hiervan is onduidelijk; het kan te maken hebben
met veranderingen in opvoedstijlen of onderzoekspraktijken.
Factoren die de Hechtingsverdeling Beïnvloeden (Moderators):
De studie identificeerde verschillende risicofactoren die significant samenhangen met een
hogere kans op onveilige en met name gedesorganiseerde hechting.
• Sociaal-demografisch risico (lage SES): In gezinnen met een lage sociaaleconomische status
(SES) was er een hoger percentage vermijdende (18% vs. 14%) en gedesorganiseerde
hechting (31% vs. 21%) en een lager percentage veilige hechting (42% vs. 55%). Stressoren zoals
armoede kunnen het voor ouders moeilijker maken om sensitief te reageren op hun kind.
• Kindermishandeling: Dit was een zeer sterke voorspeller. In groepen waar kindermishandeling
voorkwam, was het percentage gedesorganiseerde hechting extreem hoog (64% vs. 22%) en
het percentage veilige hechting zeer laag (14% vs. 53%).
• Pleegzorg en adoptie: Kinderen in pleegzorg of geadopteerd uit een instelling hadden
een significant hoger percentage gedesorganiseerde hechting (40% vs. 23%). Opvallend was
dat zij juist een lager percentage vermijdende hechting hadden (6% vs. 15%).
• Psychopathologie bij de ouder: Wanneer ouders kampten met psychische problemen, was er
een hoger percentage gedesorganiseerde hechting (31% vs. 23%) en een lager percentage
veilige hechting (44% vs. 52%).
Factoren die géén Significant Verschil lieten Zien:
• Ras/etniciteit (in de gebruikte grove indeling).
• Medische aandoeningen of vroeggeboorte bij het kind.
• Neuro-ontwikkelingsstoornissen bij het kind (zoals autisme).
• Een geschiedenis van mishandeling bij de ouder zelf.
Geografische Verschillen: Hoewel de meeste studies uit Noord-Amerika en Europa kwamen
(WEIRD-landen), werden er enkele regionale verschillen gevonden. Zo was er in Azië een
lager percentage gedesorganiseerde hechting en in Zuid-Amerika juist een hoger percentage
afwerende hechting. De auteurs waarschuwen echter dat het aantal studies buiten het Westen
beperkt is, waardoor definitieve conclusies over de universaliteit van de hechtingsverdelingen
voorzichtig moeten worden getrokken.
CONCLUSIE EN DISCUSSIE
De meta-analyse bevestigt de centrale aannames van de hechtingstheorie: risicofactoren
zoals armoede, psychopathologie bij de ouder en met name kindermishandeling vormen
een bedreiging voor de ontwikkeling van een veilige hechtingsrelatie. Het feit dat factoren
bij het kind zelf (zoals medische problemen) geen invloed hadden, ondersteunt het idee dat de
sensitiviteit van de opvoeder de doorslaggevende factor is.