psychopathologie (H1-10)
(4e druk)
Uitgebreide samenvatting PB3002-242533B klinische psychologie 1a:
theoretische benaderingen en persoonlijkheid a.d.h.v. de online
leeromgeving + extra beknopte samenvatting a.d.h.v. de leerdoelen +
extra oefenvragen
Open universiteit 2025/2026
Bo van der Zee
,Dit document bevat:
• Uitgebreide samenvatting: deel 1 en deel 2 van het tekstboek Klinische psychologie:
theorieën en psychopathologie (inclusief de boxen) à H1-10
• 1 Nederlandstalig en 4 Engelstalige hoofdstukken over persoonlijkheidsleer (als pdf in
de cursus)
• Aantekeningen over de interviews met Jannes Eshuis en Trudy Dehue.
• Extra: beknopte samenvatting aan de hand van de leerdoelen per studietaak
• Extra: oefenvragen incl antwoordformulier
• Belangrijk: gele markering = extra belangrijke onderdelen (na mijn tentamen
gemarkeerd).
o sidenote: markering o.b.v. mijn tentamen, houdt er rekening mee dat er een
vragenpool is en er ook vragen in jouw tentamen kunnen zitten die ik niet heb
gehad (succes J)
• Tip: youtube account: https://www.youtube.com/@PracticalPsychologyTips/videos
o Trait theories: https://www.youtube.com/watch?v=oUgCIvKxbAE
o Five factor model: https://www.youtube.com/watch?v=KCwHV9HCxH0
, Inhoudsopgave
Thema 1 Wat is klinische psychologie? ......................................................................4
Studietaak 2.1 trek theorieën van persoonlijkheid ................................................ 11
Studietaak 2.2 vijffactorenmodel (Big Five-model) ................................................ 22
Studietaak 2.3 biologische achtergrond ................................................................. 46
Studietaak 3.1 Neurobiologische benadering ....................................................... 70
Studietaak 3.2 leertheoretische benadering .......................................................... 83
Studietaak 3.3 cognitieve benadering .................................................................... 94
Studietaak 3.4 psychodynamische benadering .................................................... 105
Studietaak 3.5 Humanistische benadering ........................................................... 117
Studietaak 3.6 systeembenadering ....................................................................... 128
Studietaak 3.7 wetenschap en praktijk .................................................................. 139
Studietaak 4.1 Classificatie ..................................................................................... 151
Studietaak 4.2 klinische diagnostiek...................................................................... 164
Beknopte samenvatting a.d.h.v. de leerdoelen ........................................ 174
Oefenvragen klinische psychologie aan de hand van de leerdoelen ....... 221
, Thema 1 Wat is klinische psychologie?
Leerdoelen:
Na het bestuderen van thema 1 ben je in staat om
• een omschrijving te geven van het vakgebied van de klinische psychologie
• aan te geven waarom kennis van de basisdisciplines binnen de psychologie van belang is
voor klinisch psychologen
• de APA-definitie van psychische aandoeningen te geven
• de verschillende aspecten te benoemen die beïnvloeden of gedrag als ‘abnormaal’ of
‘pathologisch’ zal worden beoordeeld
• het statistisch model van ‘abnormaal’ gedrag en de nadelen van dit model te beschrijven
• het medisch of ziektemodel te beschrijven en een aantal bezwaren te benoemen die tegen
dit model zijn ingebracht
• het leer- of onderwijsmodel te beschrijven en de verschillen met het medische model toe te
lichten
• uit te leggen wanneer het statistisch model, het medisch of ziektemodel en het leer- of
onderwijsmodel toepasbaar zijn bij de beantwoording van de vraag naar de grens tussen
‘normaal’ en ‘abnormaal’ gedrag.
• Tentamenstof: Hoofdstuk 1 uit het fysieke boek
• NB In deze online leeromgeving wordt de term stoornis niet gebruikt. Er is gekozen voor de
termen psychopathologie en psychische aandoening.
In de context van de DSM moet de term stoornis echter wél gebruikt worden. Zo is in de
cursus bijvoorbeeld sprake van een angststoornis, omdat deze vorm van psychopathologie
als zodanig beschreven wordt in de DSM.
Hoofdstuk 1 over klinische psychologie en ‘abnormaal’
gedrag
Studietaak 1.1 Het terrein van de klinische psychologie
Klinische psychologie houdt zich bezig met het ontstaan, de diagnostiek en de behandeling van
psychische stoornissen.
• Voorbeelddefinitie (Reber, 2004): Het gebied van de psychologie dat zich bezighoudt met
afwijkend, slecht-aangepast en abnormaal menselijk gedrag. Onder de grote paraplu van
klinische praktijken vallen diagnose, classificatie, behandeling, preventie en onderzoek.’
• Afbakening binnen de psychologie
o Volgens Duijker (1959) bestaat de psychologie uit:
§ Vijf basisdisciplines: functieleer (cognitieve psychologie),
ontwikkelingspsychologie, sociale psychologie (gedragsleer),
persoonlijkheidspsychologie, methodenleer.
§ Toepassingsgerichte disciplines: o.a. klinische en gezondheidspsychologie,
arbeids- en organisatiepsychologie, onderwijspsychologie.
o De klinische psychologie behoort tot de toepassingsgerichte disciplines.
• Focus op afwijkend gedrag
o Klinische psychologie concentreert zich op gedrag dat afwijkt van de norm en problemen
veroorzaakt voor het individu of zijn omgeving.
, o Positieve afwijkingen (zoals hoogbegaafdheid) vallen buiten dit terrein, tenzij ze leiden tot
problemen zoals sociaal isolement.
• Domeinen van afwijking
o Individueel functioneren:
§ Voorbeelden: excessief drinken, dwanggedachten, extreme angsten.
§ Deze gedragingen, gedachten en gevoelens beïnvloeden elkaar vaak wederzijds.
o Sociaal functioneren (relaties met anderen):
§ Voorbeelden: overbezorgd ouderschap, partnergeweld, sociale terugtrekking bij
studenten.
§ Afwijkingen in sociale relaties beïnvloeden ook het individuele psychisch
functioneren.
o Belang van basiskennis
§ Kennis van normale psychologische processen is essentieel om afwijkingen te
begrijpen.
§ Klinisch psychologen gebruiken inzichten uit o.a. ontwikkelingspsychologie, sociale
psychologie en persoonlijkheidspsychologie.
• Wat is ‘abnormaal’ gedrag? à Moeilijke grensbepaling
o Soms is afwijking duidelijk (10 glazen jenever per dag, paniek in een lift, iemand fysiek
mishandelen).
o Vaak echter is het onderscheid tussen normaal en abnormaal minder eenduidig.
o De beoordeling is contextafhankelijk en kan per professional verschillen.
Box 1.1 De klinisch psycholoog versus de psychiater
Opleidingsverschillen
• Klinisch psycholoog: opgeleid in de psychologie, met nadruk op onderzoeksmethoden.
o Basisopleiding: bachelor + master psychologie (4 jaar).
o Postmaster voor BIG-registratie:
§ GZ-psycholoog (2 jaar).
§ Klinisch psycholoog/neuropsycholoog (4 extra jaren).
• Psychiater: opgeleid in de geneeskunde, met kennis van biologische en medische
aspecten.
o Opleiding: 6 jaar bachelor geneeskunde + 4,5 jaar specialisatie psychiatrie.
Praktijkverschillen:
• Beide behandelen psychische stoornissen.
• Psychiater mag medicatie voorschrijven (psychofarmaca), klinisch psycholoog niet.
• In de praktijk overlappen de werkzaamheden vaak, vooral binnen GGZ-instellingen.
1.2 aspecten van ‘abnormaal’ gedrag
• Seligman et al. (2001) onderscheiden zeven factoren voor het beoordelen van gedrag als
abnormaal (verder in de samenvatting uitgebreider besproken):
1. persoonlijk lijden à hoewel dit geen voorwaarde is omdat persoonlijk lijden ook het
tijdelijke gevolg van een gebeurtenis kan zijn
2. (dis)functionaliteit van gedrag: gedrag dat het beroepsmatig en relationeel functioneren
van het individu zelf belemmert, maar ook het functioneren van anderen.
3. irrationeel en onbegrijpelijk gedrag, waar geen logica of zin in ontdekt kan worden.
, 4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies in situaties waarin de regels die normaliter het
gedrag sturen nu niet meer werken, of in situaties waarin de oorzaak of aanleiding van het
gedrag voor de toeschouwer onbekend is.
5. opvallend en onconventioneel gedrag: gedrag dus dat sterk afwijkt van het gangbare
gedrag en sociaal onwenselijk is, hoewel dit ook afhankelijk is van de omgeving.
6. gedrag dat gevoelens van ongemak oproept, zoals gedrag waarmee impliciete sociale
verwachtingen ofwel ‘restregels' (Scheff, 1966) worden geschonden
7. morele normen overtredend gedrag à ofwel gedrag dat in mindere mate overeenkomt
met ideeën over optimaal functioneren.
o Hoe meer factoren aanwezig zijn, hoe groter de kans dat gedrag als pathologisch wordt
beoordeeld.
o Niet alle factoren hoeven aanwezig te zijn, maar minimaal één is vereist om van
abnormaliteit te spreken.
• Abnormaal gedrag is niet per definitie een psychische stoornis.
1.2.1 Persoonlijk lijden
• Veel psychische stoornissen gaan gepaard met innerlijk leed.
o Bijv: iemand met een depressie voelt zich leeg, futloos, en uitzichtloos.
• Niet voldoende voor psychopathologie: ook normale levensgebeurtenissen (zoals verlies)
kunnen leiden tot lijden.
• Niet noodzakelijk: iemand met een waanstoornis (bv. denken Napoleon te zijn) kan zich daar
prettig door voelen.
1.2.2 de (dis)functionaliteit van het gedrag
• Gedrag wordt als abnormaal gezien als het dagelijks functioneren belemmert en het
welbevinden van het individu ondermijnt.
o Bijv: Angst waardoor iemand het huis niet verlaat of alcoholisme dat gezinsproblemen
veroorzaakt.
• Ook gedrag dat het welbevinden en functioneren van anderen stoort kan ook disfunctioneel
zijn (bv. nachtelijk geschreeuw).
• Let op: niet elk normafwijkend gedrag is een psychische stoornis (bv. inbraak = crimineel, niet
per se ziek).
1.2.3 Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag Casus 1.1 Gezwollen voelsprieten voelen niets
• Gedrag dat voor buitenstaanders geen ‘Mijn handen zijn gesprongen, snijden doet geen pijn, de huid is te
logische betekenis heeft, wordt vaak als klein. Niets past niet goed niet overdrijven niets overdreven. Op je
abnormaal gezien. woorden tellen oppassen als je iets voelt belooft dat niets goed, je
• Zoals bijv: moet niet beloven geloven. Soms weet je iets al te goed dat moet
dan weg daar heb je last van dan wordt je hoofd te groot. Je moet
o Boulimia nervosa: eetbuien gevolgd
je zelf in de hand houden, je moet je eigen handen goed
door overgeven.
vasthouden. Als je het voelt komen kun je beter in je hand bijten
o Psychotisch denken: chaotisch, dan je hand uitsteken. Je vingers branden. Je vingers likken. Ik snijd
onsamenhangend, zoals in casus 1.1. graag in mijn vingers. Beter snijden dan geen gevoel in de
aanwijsvingerkootjes, een schaar. Gezwollen voelsprieten voelen
1.2.4 Onvoorspelbaarheid en niets denk ik, behalve als je ze in het stopcontact steekt dan voel je
controleverlies je licht dan gloei je lang na.’ Citaat van een patiënt die een
• Mensen vinden gedrag abnormaal als psychose doormaakt in Van den Bosch, 1993, p. 110.
het plots en onverklaarbaar verandert.
• Twee situaties waarin dit vaak gebeurt:
, 1. Situaties waarin de sociale regels die gewoonlijk het gedrag van een persoon sturen
plotseling niet meer werkzaam zijn.
à ontremd gedrag (bv. rustige man die ineens agressief wordt).
2. Als men de aanleiding van het gedrag van het individu niet kent en op dat moment niet
kan achterhalen (bv. vrouw die schreeuwend in de kou door de stad rent).
• Context bepaalt beoordeling: gedrag kan begrijpelijk blijken als de aanleiding bekend is.
• Onvoorspelbaarheid en controleverlies à geen voldoende redenen om een psychische
stoornis te veronderstellen
1.2.5 Opvallend en onconventioneel gedrag
• Mensen vergelijken gedrag met eigen (potentiële) gedrag en vinden afwijkend gedrag sneller
abnormaal.
o Bijv: groen haar en piercings vallen meer op in een dorp dan in een stad.
• Zeldzaam gedrag ≠ probleemgedrag, tenzij het ook sociaal ongewenst is.
• Positief afwijkend gedrag (bv. uitmuntend toneelspelen) wordt niet als pathologisch gezien.
1.2.6 Gedrag dat ongemak veroorzaakt bij anderen
• Schending van impliciete sociale regels kan ongemakkelijk aanvoelen en leiden tot een
oordeel van abnormaliteit.
• ‘Observer discomfort’ à gevoel van ongemak bij de observeerder.
o speelt een rol in de perceptie van abnormaal gedrag.
• Restregels (Scheff) à men wordt zich er vaak pas van bewust als iemand ze overschrijdt.
o Bijv: mensen aankijken tijdens een gesprek en een bepaalde fysieke afstand behouden tot
elkaar.
o Voorbeelden van schending:
§ Ongewone blikrichting tijdens gesprek (bijv. kijken naar iemands oor i.p.v. ogen).
§ Ruziënd stel in openbaar.
§ Loslopende pitbull roept onveiligheid op.
1.2.7 Het overtreden van morele normen
• Morele normen à mensen vellen oordelen o.b.v. goed vs. slecht of hoe men zich ‘hoort’ te
gedragen.
o ‘slechte’ gedragingen à abnormaal gevonden
• Naarmate gedrag van een ander minder overeenkomt met hun eigen ideeën over optimaal
functioneren, neemt de kans toe dat zij het desbetreffende gedrag abnormaal vinden.
• Voorbeelden:
o Dreigmails aan politici.
o Agressief of extreem teruggetrokken gedrag wordt vaak negatief beoordeeld.
• Normatieve opvattingen bepalen in hoeverre gedrag als abnormaal of ‘psychisch gestoord’
wordt gezien.
1.2.8 Definitie van psychische stoornissen (APA, DSM-5-TR)
psychische stoornis = een syndroom met cognitieve, affectieve of conatieve symptomen; die
wijzen op een disfunctie in psychologische, biologische of ontwikkelingsprocessen.
,• Gaat vaak gepaard met significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren op sociaal
of beroepsmatig gebied of bij andere belangrijke bezigheden.
• Geen stoornis bij:
o Verwachte reacties op verlies (zoals rouw).
o Cultureel afwijkend gedrag.
o Sociaal deviant gedrag (bijv op politiek, religieus of seksueel gebied) en conflicten die zich
vooral afspelen tussen een individu en de maatschappij zijn geen psychische stoornissen,
tenzij de deviantie of het conflict het gevolg is van disfunctioneren van de persoon in
kwestie.
• DSM-5-TR tracht onderscheid te maken tussen gezond en ziek, maar grenzen blijven
discutabel.
1.3 normaal en abnormaal: waar ligt de grens?
• Drie modellen om normaal en abnormaal gedrag te onderscheiden:
1. Statistisch model à afgrenzingskwestie
2. Medisch of ziektemodel à breder bereik
3. Leer- of onderwijsmodel à breder bereik
• Elk model heeft voor- en nadelen; de keuze hangt af van de situatie.
1.3.1 het statistisch model
• Uitgangspunt: dat menselijke
eigenschappen (zoals intelligentie of de
geneigdheid om angstig te reageren) min
of meer normaal verdeeld zijn in de
algemene bevolking.
• Afwijking = abnormaal: Extreem hoge of
lage scores worden als abnormaal
beschouwd.
• Voordelen:
o Geschikt voor normaal verdeelde
eigenschappen (zoals IQ, angst).
o Veel psychologische tests sluiten
hierbij aan.
• Bezwaren:
o Grens tussen normaal en abnormaal
is arbitrair.
o Specificeert niet hoe ongewoon gedrag moet zijn om het abnormaal te kunnen noemen:
sommige vormen van psychopathologie zijn zeer uitzonderlijk.
§ Niet geschikt voor zeldzame stoornissen (zoals genderdysforie).
o Maakt geen onderscheid tussen afwijkingen met en zonder individueel lijden.
§ Sommige extreme eigenschappen zijn niet pathologisch (bijv. lengte of
spraakzaamheid).
à Bijv: Wie als westerse man een lengte heeft van 2 meter 10, torent boven vrijwel
iedereen uit, maar hoeft daar niet onder te lijden.
1.3.2 het medisch of ziektemodel
• Uitgangspunt: Psychische stoornissen zijn ziekten met somatogene of psychogene oorzaken.
, o Somatogeen: een lichamelijke aandoening ligt ten grondslag aan de psychische stoornis.
§ Bijv: Dementia paralytica (general paresis) door syfilisinfectie.
o Psychogeen: een psychologisch mechanisme ligt ten grondslag aan de psychische
stoornis.
• Werkwijze:
o Therapeut is expert, patiënt afhankelijk.
o Diagnose leidt tot therapie gericht op genezing.
• Semantische bezwaren:
o Veel psychische stoornissen hebben geen
aantoonbare organische oorzaak.
o Verwarring tussen sociale normen (diagnose) en medische termen (therapie).
o Labeling-theorie (Szasz, Goffman, Rosenhan):
§ Stigmatisering: 'Eens gek, altijd gek.'
à Selffulfilling prophecy
§ Moeilijk om van psychiatrisch label af te komen.
o Rosenhan-experiment: Gezonde mensen werden als psychotisch behandeld.
o Huidige ontwikkelingen:
§ Meer openheid over psychische problemen.
§ Toch bestaat stigma nog steeds en belemmert hulpzoekgedrag.
1.3.3 Leer- of onderwijsmodel
• Uitgangspunt: Psychische problemen komen voort uit verkeerd aangeleerde patronen.
o Geldt met name voor stoornissen waaraan geen duidelijke organische oorzaken ten
grondslag liggen.
• Rolverdeling:
o Hulpverlener = leraar; cliënt = leerling.
o Geen diagnose maar leerdoel.
o Geen therapie maar ‘uitvoering van een
onderwijsprogramma’.
o kennis en vaardigheden vanuit leraar, die
kunnen bijdragen aan de vermindering of
opheffing van de tekorten bij de leerling.
• Voordelen:
o in alle fasen van het model worden de nadelige bijbetekenissen van het medisch model
vermeden
§ Vermijdt stigmatisering.
o Meer nadruk op eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.
§ Cliënt krijgt actieve rol in het leerproces.
o Terminologie sluit beter aan bij de werkelijke praktijk van hulpverlening.
• Begrenzing ‘ziekte’: Alleen als de persoon niet meer verantwoordelijk/aanspreekbaar is voor
eigen gedrag.
o Verschil met Szasz: niet alleen organische oorzaak telt, maar ook verantwoordelijkheid.
o Stoornissen zonder organische basis kunnen toch ziekte zijn (bijv. ernstige psychosen).
o Mildere problematiek: levensproblemen → onderwijsmodel met nadruk op vaardigheden
en groei.
, 1.4 Tot besluit
• Centraal thema: Psychische stoornissen vormen de kern van de klinische psychologie.
• Definitieproblemen: Geen eenduidige definitie van psychische stoornissen & interpretatie
varieert per persoon en professional.
• Beoordelingsfactoren
Modellen en continuüm
• Verschillende modellen ontwikkeld om normaal en abnormaal gedrag te onderscheiden.
• Continuüm-benadering (sluit aan bij statistisch model) wint terrein:
o Geen strikte grens tussen psychisch gezond en ziek.
§ Bijv: somberheid kan verschuiven naar depressie bij toename in ernst/duur.
o Klachten kunnen in de tijd verergeren of verminderen.
o Behoefte aan hulp hangt af van ernst en duur van klachten.
Relatie hulpverlener – patiënt
• Medisch model: autoritaire verhouding.
• Onderwijsmodel: gelijkwaardiger relatie, samenwerking.
• Moderne ontwikkeling: gedeelde besluitvorming (‘samen beslissen’):
o Hulpverlener = expert in behandeling, diagnostiek.
o Patiënt = expert in eigen behoeften, voorkeuren, waarden.
o Samen kiezen zij de juiste hulpverleningsstappen.
o Steeds meer onderzoek naar deze aanpak in de GGZ.
Slotgedachte
• In dit hoofdstuk zijn stoornissen algemeen besproken.
• Volgende hoofdstukken behandelen specifieke stoornissen.
• Acceptatie van afwijkingen bij jezelf en anderen kan veel leed voorkomen.
• Maar: bij ernstige overschrijding van normen is professionele hulp noodzakelijk.
Opdrachten studietaak 1
Vraag 1.2.2 In de DSM-5-TR staat een definitie van psychische aandoeningen. Welke
vormen van gedrag worden door deze definitie uitgesloten?
De DSM-5-TR sluit gedrag uit dat:
• een te verwachten of cultureel aanvaarde reactie is (bijv: rouw) à Als dit echter na een
langdurige periode niet verandert, is er mogelijk sprake van een stoornis;
• voortkomt uit religieuze of politieke overtuigingen (bijv: protest);
• of het gevolg is van een conflict tussen individu en maatschappij (bijv: controversiële kunst).