106 – Therapie met geneesmiddelen
Week 1
Leerdoelen
Hypertensie
Weten wat de systolische en diastolische bloeddruk en polsdruk inhoudt, weten tussen welke
waarden een gezonde bloedruk zich bevindt en weten bij welke waarde er sprake is van een
verhoogde bloeddruk.
Systolische bloeddruk = de bovendruk, dit is de bloeddruk wanneer het hart zich aanspant (pompt).
Diastolische druk = de onderdruk, dit is de bloeddruk wanneer het hart zich ontspant.
->Gezonde waarde is 120/80 mm Hg.
Polsdruk = het verschil tussen de boven- en onderdruk.
-> Gezonde waarde is ongeveer 40 mm Hg, vanaf 60 mm Hg verhoogde kans op hart- en vaatziekten.
Hypertensie: vanaf 140/90 mm Hg
De causale en risicofactoren voor het ontstaan van een verhoogde bloeddruk kunnen
reproduceren
Causale factoren: ongezonde leefstijl, leeftijd, erfelijkheid, medicijnen en ziekten.
De pathofysiologische gevolgen en de daarmee samenhangende cardiovasculaire risico's van een
verhoogde bloedruk kunnen interpreteren.
Gevolgen:
- Aderen dichtslibben: hartinfarct, hersenberoerte, perifeer arterieel vaatlijden.
- Nierschade
- Hartfalen (vocht enkels en/of longen)
- Herseninfarct (bloedvat knapt door de druk)
Zenuwstelsel
De anatomie (neuronen, neurotransmitters en receptoren) van het autonome zenuwstelsel kunnen
reproduceren en kunnen plaatsen binnen de anatomie van het perifere zenuwstelsel.
De invloed van het autonome zenuwstelsel, inclusief het bijniermerg, op hartactiviteit, vaattonus
en nierfunctie kunnen reproduceren.
De invloed van het somatische zenuwstelsel op spiercontractie kunnen reproduceren.
Geneesmiddelen
De werkingsmechanismen en de voornaamste bijwerkingen van de antihypertensiva te noemen en
verklaren (hier met name antagonisten voor adrenerge receptoren ook wel alfa- en bèta-
adrenerge blokkers genoemd).
,Werkgroep
,Week 2
Leerdoelen
Cardiovasculair stelsel
De globale anatomie, pompfunctie en bloedvoorziening van het hart kunnen reproduceren.
Veneus bloed (zuurstofarm) rechter atrium (RA), via de holle ader
-> De holle ader: superieure vena cava (bovenste: SVC) en inferieure vena cava
(onderste: IVC)
Rechter atrium: relatief dunne spierwand -> flexibel
- Lage druk (0-3 mm Hg)
- Spontane contracties: vullen recht ventrikel (RV)
Van RA naar RV door de tricuspidalisklep (T)
Rechterventrikel: gespierde wand (25 mm Hg)
- Samentrekking: bloed naar de longen door pulmonale arterie (enige zuurstofarme
arterie). Dit gaat via pulmonalisklep (P).
Linker atrium (RA): komt via de longader, via mitalisklep (M) naar de linkerventrikel (LV).
Linkerventrikel heeft een erg gespierde wand (120 mm Hg), via de aortaklep (A) de aorta in.
Tricuspidalis- en mitraliskleppen (ook wel atrioventriculaire of AV-kleppen
genoemd) --> hebben strengen (chordae tendineae) op hun klepbladen -->
hechten aan papillaire spieren op de wanden van de ventrikels.
Papillaire spieren --> trekken samen tijden ventriculaire contractie --> generen
spanning op klepbladen via chordae tendineae ter voorkoming dat AV-kleppen
terug zwellen in atria en incompetent (ongeschikt) worden.
De onderdelen en functie van het intrinsieke geleidingssysteem van het hart dat de pacemaker-
potentiaal genereert en doorgeeft, benoemen.
https://www.youtube.com/watch?v=fZT9vlbL2uA
De globale anatomie en fysiologie van het vasculaire systeem (verschillende soorten vaten,
fysiologische functie) kunnen reproduceren.
Spieren
De anatomie, contractie en aansturing van contractie van skeletspieren, gladde spieren en de
hartspier kunnen uitleggen en de overeenkomsten en verschillen hiertussen kennen.
De globale anatomie van de skeletspier, de gladde spieren de hartspier kennen.
Het sliding filament model of contraction kunnen uitleggen.
De propagatie van een actiepotentiaal over het sarcolemma van de skeletspier kunnen uitleggen.
Excitatie-contractiekoppeling in de skeletspier, gladde spier en hartspier kunnen uitleggen.
De neuronale regulatie (skeletspier, hartspier en gladde spier) en de hormonale regulatie (gladde
spier) van contractie kunnen uitleggen.
, De werkingsmechanismen en bijwerkingen van bètablokkers, alfablokkers en calciumantagonisten
noemen en verklaren
Week 1
Leerdoelen
Hypertensie
Weten wat de systolische en diastolische bloeddruk en polsdruk inhoudt, weten tussen welke
waarden een gezonde bloedruk zich bevindt en weten bij welke waarde er sprake is van een
verhoogde bloeddruk.
Systolische bloeddruk = de bovendruk, dit is de bloeddruk wanneer het hart zich aanspant (pompt).
Diastolische druk = de onderdruk, dit is de bloeddruk wanneer het hart zich ontspant.
->Gezonde waarde is 120/80 mm Hg.
Polsdruk = het verschil tussen de boven- en onderdruk.
-> Gezonde waarde is ongeveer 40 mm Hg, vanaf 60 mm Hg verhoogde kans op hart- en vaatziekten.
Hypertensie: vanaf 140/90 mm Hg
De causale en risicofactoren voor het ontstaan van een verhoogde bloeddruk kunnen
reproduceren
Causale factoren: ongezonde leefstijl, leeftijd, erfelijkheid, medicijnen en ziekten.
De pathofysiologische gevolgen en de daarmee samenhangende cardiovasculaire risico's van een
verhoogde bloedruk kunnen interpreteren.
Gevolgen:
- Aderen dichtslibben: hartinfarct, hersenberoerte, perifeer arterieel vaatlijden.
- Nierschade
- Hartfalen (vocht enkels en/of longen)
- Herseninfarct (bloedvat knapt door de druk)
Zenuwstelsel
De anatomie (neuronen, neurotransmitters en receptoren) van het autonome zenuwstelsel kunnen
reproduceren en kunnen plaatsen binnen de anatomie van het perifere zenuwstelsel.
De invloed van het autonome zenuwstelsel, inclusief het bijniermerg, op hartactiviteit, vaattonus
en nierfunctie kunnen reproduceren.
De invloed van het somatische zenuwstelsel op spiercontractie kunnen reproduceren.
Geneesmiddelen
De werkingsmechanismen en de voornaamste bijwerkingen van de antihypertensiva te noemen en
verklaren (hier met name antagonisten voor adrenerge receptoren ook wel alfa- en bèta-
adrenerge blokkers genoemd).
,Werkgroep
,Week 2
Leerdoelen
Cardiovasculair stelsel
De globale anatomie, pompfunctie en bloedvoorziening van het hart kunnen reproduceren.
Veneus bloed (zuurstofarm) rechter atrium (RA), via de holle ader
-> De holle ader: superieure vena cava (bovenste: SVC) en inferieure vena cava
(onderste: IVC)
Rechter atrium: relatief dunne spierwand -> flexibel
- Lage druk (0-3 mm Hg)
- Spontane contracties: vullen recht ventrikel (RV)
Van RA naar RV door de tricuspidalisklep (T)
Rechterventrikel: gespierde wand (25 mm Hg)
- Samentrekking: bloed naar de longen door pulmonale arterie (enige zuurstofarme
arterie). Dit gaat via pulmonalisklep (P).
Linker atrium (RA): komt via de longader, via mitalisklep (M) naar de linkerventrikel (LV).
Linkerventrikel heeft een erg gespierde wand (120 mm Hg), via de aortaklep (A) de aorta in.
Tricuspidalis- en mitraliskleppen (ook wel atrioventriculaire of AV-kleppen
genoemd) --> hebben strengen (chordae tendineae) op hun klepbladen -->
hechten aan papillaire spieren op de wanden van de ventrikels.
Papillaire spieren --> trekken samen tijden ventriculaire contractie --> generen
spanning op klepbladen via chordae tendineae ter voorkoming dat AV-kleppen
terug zwellen in atria en incompetent (ongeschikt) worden.
De onderdelen en functie van het intrinsieke geleidingssysteem van het hart dat de pacemaker-
potentiaal genereert en doorgeeft, benoemen.
https://www.youtube.com/watch?v=fZT9vlbL2uA
De globale anatomie en fysiologie van het vasculaire systeem (verschillende soorten vaten,
fysiologische functie) kunnen reproduceren.
Spieren
De anatomie, contractie en aansturing van contractie van skeletspieren, gladde spieren en de
hartspier kunnen uitleggen en de overeenkomsten en verschillen hiertussen kennen.
De globale anatomie van de skeletspier, de gladde spieren de hartspier kennen.
Het sliding filament model of contraction kunnen uitleggen.
De propagatie van een actiepotentiaal over het sarcolemma van de skeletspier kunnen uitleggen.
Excitatie-contractiekoppeling in de skeletspier, gladde spier en hartspier kunnen uitleggen.
De neuronale regulatie (skeletspier, hartspier en gladde spier) en de hormonale regulatie (gladde
spier) van contractie kunnen uitleggen.
, De werkingsmechanismen en bijwerkingen van bètablokkers, alfablokkers en calciumantagonisten
noemen en verklaren