WERKCOLLEGE 1 + 2
Plaatje 1: Transcriptie en translatie van DNA. Als eerste wordt de template streng afgelezen door
RNA-polymerase II tot mRNA. Deze streng bestaat uit intronen en exonen. Via splicing worden de
intronen uit het mRNA gehaald. Daarna wordt het mRNA getransporteerd naar het cytoplasma. In de
Ribosomen vindt dan translatie plaats. Hierna ontstaat er een nieuw eiwit.
Plaatje 2: Selected mutation betekend een mutatie in de coding sequence. Dit heeft een defect
fenotype tot gevolg. Dit leidt tot instabiliteit van het organisme die de mutatie draagt. Het organisme
gaat dood en het allel wordt verwijderd uit de gen pool. Bij een neutral mutation vindt er een
mutatie plaats in het junk DNA. Dit wordt niet gecodeerd en heeft ook geen gevolgen voor het
organismen. Dit heeft geen effect op het fenotype en geen reductie in competitie. Hierdoor blijft het
gen in de genpool.
→ Junk DNA = een DNA-sequentie die geen biologische functie heeft
Plaatje 3: Activator eiwitten binden aan de enhancer stukjes op DNA. Dit triggert DNA buiging. Wat
de activatoren dichter bij de promotor brengt. De activatoren binden dan aan de midiator. General
transcriptie factoren binden aan de TATA-box en promotor. Hierdoor kan RNA-polymerase II binden
aan de DNA streng. Dit complex heet transcription initation complex. Dit leidt tot RNA-synthese.
,Plaatje 4: De structuurformules van Serine, Tyrosine en threonine. Dit zijn de enige aminozuren die
gefosfolyseerd kunnen worden. Dit kan door een H+ af te staan van de alcoholgroep en daar een
fosfaat groep op te plaatsen.
Plaatje 5: DNA bestaat uit twee losse strengen die samen een alfa helix vormen. DNA wordt daarna
gewikkeld om histonen. 8 histonen samen worden nucleosomen genoemd. Dit wordt opgerold tot
een chormatine. In de celkern zit DNA als 46 chromosomen.
Plaatje 6: GPCR-koppeling, een receptor in het celmembraan. Liganden kunnen extracellulair binden
en zo kunnen er verschillende type intracellulaire pathways worden geactiveerd afhankelijk van het
type G protein.
Bij ligand koppeling wordt GDP omgezet in GTP. Hierdoor splitst A van BY en ontstaan er twee
complexen die allebei een andere downstream signaling hebben. B-arrestin zorgt voor de
downregulatie van GPCR, op het moment dat er agonist op gaat zitten. Het zorgt voor desensitizatie,
buiten om dat B- arrestin nog zelf een intracellulaire route heeft. Deze receptoren zijn betrokken bij
groei en celdeling.
,Plaatje 7: Twee enzymen. Als eerste zorgt kinase voor het plaatsen van
een fosfaat groep op een eiwit. Dit doet het enzym door 2ATP om te
zetten naar ADP waarbij een fosfaatgroep vrijkomt en op het eiwit
wordt geplakt. Fosfatase zorgt juist voor het verwijderen van het de
fosfaat groep.
→ Om adenylyl cyclase te fosforyleren wordt ATP omgezet in ADP.
Adenylylcyclase is een enzym dat cAMP produceert door ATP te
hydrolyseren, wat op zijn beurt proteïnekinase A activeert om
doelproteïnen te fosforyleren en proteïne-proteïne-interacties
induceert die onafhankelijk zijn van fosforylering. Als reactie hierop ondergaan doelcellen
fysiologische veranderingen en genexpressie.
Plaatje 8: Dit plaatje geeft weer hoe de vier base baren aan elkaar gekoppeld zijn. G en C vormen
drie waterstofbruggen met elkaar en A en T vormen twee waterstofbruggen met elkaar. Een
nucleotide is opgebouwd uit een fosfaatgroep, suikergroep en een base. De vier base zijn Adenine,
Thymine, Guanine en Cytosine
Plaatje 9: DNA bestaat uit verschillende nucleotide die aan elkaar gebonden zijn. Een DNA streng is
aan elkaar verbonden via de backbone. Deze backbone is de binding van fosfaat groepen aan elkaar.
De twee losse DNA strengen zijn aan elkaar verbonden via de base paren.
, Plaatje 10: DNA-replicatie. Hier worden de twee strengen DNA uit elkaar gehaald door helicase.
Helicase verbeekt de waterstofbruggen tussen de basenparen. Aan beide strengen DNA komt DNA-
polymerase vast te zitten. De DNA polymerase bouwen daar dan nieuwe base paren aan vast
waardoor er een beide kanten een nieuwe streng DNA gevormd wordt. De lagging strand moet de
stukjes basen steeds aan elkaar plakken. RNA- primer plaatst primase om de zoveel basen. DNA-
ligase koppelt daarna de stukken.
→ DNA synthese is van 5’ naar 3’ (aflezen is van 3’ naar 5’).
Plaatje 11: Telomerase is het enzym dat verantwoordelijk is voor het synthetiseren van telomeren.
Hiermee kunnen de TTAGGG- herhalingen worden opgeteld aan het einde van de chromosomen om
de telomeren te reconstrueren. Telomerase is gemaakt van een eiwit-subeenheid, TERT (Telomerase
Reverse Transcriptase) die verantwoordelijk is voor telomere synthese. Hij pakt aan de 3’ eind.
Telomerase behoudt de lengte van telomeren na iedere replicatie. De RNA primer wordt steeds
verwijderd na de replicatie waardoor de telomeren zonder telomerase steeds een stukje korter
worden.
Plaatje 12: Helicase haalt de twee DNA strengen uit elkaar. Single-strand binding eiwitten
stabiliseren de enkele DNA strengen. De niet coderende streng wordt continue afgelezen van 5’ naar
3’ bij DNA-polymerase. Aan de andere kant zit de template streng alleen die loopt van 3’ naar 5’.
Deze synthese is niet continue. Primase synthetiseert telkens kleine stukjes RNA-primer, welke dan
verlengd wordt door DNA- polymerase voor het vormen van Okazaki fragmenten.
Plaatje 1: Transcriptie en translatie van DNA. Als eerste wordt de template streng afgelezen door
RNA-polymerase II tot mRNA. Deze streng bestaat uit intronen en exonen. Via splicing worden de
intronen uit het mRNA gehaald. Daarna wordt het mRNA getransporteerd naar het cytoplasma. In de
Ribosomen vindt dan translatie plaats. Hierna ontstaat er een nieuw eiwit.
Plaatje 2: Selected mutation betekend een mutatie in de coding sequence. Dit heeft een defect
fenotype tot gevolg. Dit leidt tot instabiliteit van het organisme die de mutatie draagt. Het organisme
gaat dood en het allel wordt verwijderd uit de gen pool. Bij een neutral mutation vindt er een
mutatie plaats in het junk DNA. Dit wordt niet gecodeerd en heeft ook geen gevolgen voor het
organismen. Dit heeft geen effect op het fenotype en geen reductie in competitie. Hierdoor blijft het
gen in de genpool.
→ Junk DNA = een DNA-sequentie die geen biologische functie heeft
Plaatje 3: Activator eiwitten binden aan de enhancer stukjes op DNA. Dit triggert DNA buiging. Wat
de activatoren dichter bij de promotor brengt. De activatoren binden dan aan de midiator. General
transcriptie factoren binden aan de TATA-box en promotor. Hierdoor kan RNA-polymerase II binden
aan de DNA streng. Dit complex heet transcription initation complex. Dit leidt tot RNA-synthese.
,Plaatje 4: De structuurformules van Serine, Tyrosine en threonine. Dit zijn de enige aminozuren die
gefosfolyseerd kunnen worden. Dit kan door een H+ af te staan van de alcoholgroep en daar een
fosfaat groep op te plaatsen.
Plaatje 5: DNA bestaat uit twee losse strengen die samen een alfa helix vormen. DNA wordt daarna
gewikkeld om histonen. 8 histonen samen worden nucleosomen genoemd. Dit wordt opgerold tot
een chormatine. In de celkern zit DNA als 46 chromosomen.
Plaatje 6: GPCR-koppeling, een receptor in het celmembraan. Liganden kunnen extracellulair binden
en zo kunnen er verschillende type intracellulaire pathways worden geactiveerd afhankelijk van het
type G protein.
Bij ligand koppeling wordt GDP omgezet in GTP. Hierdoor splitst A van BY en ontstaan er twee
complexen die allebei een andere downstream signaling hebben. B-arrestin zorgt voor de
downregulatie van GPCR, op het moment dat er agonist op gaat zitten. Het zorgt voor desensitizatie,
buiten om dat B- arrestin nog zelf een intracellulaire route heeft. Deze receptoren zijn betrokken bij
groei en celdeling.
,Plaatje 7: Twee enzymen. Als eerste zorgt kinase voor het plaatsen van
een fosfaat groep op een eiwit. Dit doet het enzym door 2ATP om te
zetten naar ADP waarbij een fosfaatgroep vrijkomt en op het eiwit
wordt geplakt. Fosfatase zorgt juist voor het verwijderen van het de
fosfaat groep.
→ Om adenylyl cyclase te fosforyleren wordt ATP omgezet in ADP.
Adenylylcyclase is een enzym dat cAMP produceert door ATP te
hydrolyseren, wat op zijn beurt proteïnekinase A activeert om
doelproteïnen te fosforyleren en proteïne-proteïne-interacties
induceert die onafhankelijk zijn van fosforylering. Als reactie hierop ondergaan doelcellen
fysiologische veranderingen en genexpressie.
Plaatje 8: Dit plaatje geeft weer hoe de vier base baren aan elkaar gekoppeld zijn. G en C vormen
drie waterstofbruggen met elkaar en A en T vormen twee waterstofbruggen met elkaar. Een
nucleotide is opgebouwd uit een fosfaatgroep, suikergroep en een base. De vier base zijn Adenine,
Thymine, Guanine en Cytosine
Plaatje 9: DNA bestaat uit verschillende nucleotide die aan elkaar gebonden zijn. Een DNA streng is
aan elkaar verbonden via de backbone. Deze backbone is de binding van fosfaat groepen aan elkaar.
De twee losse DNA strengen zijn aan elkaar verbonden via de base paren.
, Plaatje 10: DNA-replicatie. Hier worden de twee strengen DNA uit elkaar gehaald door helicase.
Helicase verbeekt de waterstofbruggen tussen de basenparen. Aan beide strengen DNA komt DNA-
polymerase vast te zitten. De DNA polymerase bouwen daar dan nieuwe base paren aan vast
waardoor er een beide kanten een nieuwe streng DNA gevormd wordt. De lagging strand moet de
stukjes basen steeds aan elkaar plakken. RNA- primer plaatst primase om de zoveel basen. DNA-
ligase koppelt daarna de stukken.
→ DNA synthese is van 5’ naar 3’ (aflezen is van 3’ naar 5’).
Plaatje 11: Telomerase is het enzym dat verantwoordelijk is voor het synthetiseren van telomeren.
Hiermee kunnen de TTAGGG- herhalingen worden opgeteld aan het einde van de chromosomen om
de telomeren te reconstrueren. Telomerase is gemaakt van een eiwit-subeenheid, TERT (Telomerase
Reverse Transcriptase) die verantwoordelijk is voor telomere synthese. Hij pakt aan de 3’ eind.
Telomerase behoudt de lengte van telomeren na iedere replicatie. De RNA primer wordt steeds
verwijderd na de replicatie waardoor de telomeren zonder telomerase steeds een stukje korter
worden.
Plaatje 12: Helicase haalt de twee DNA strengen uit elkaar. Single-strand binding eiwitten
stabiliseren de enkele DNA strengen. De niet coderende streng wordt continue afgelezen van 5’ naar
3’ bij DNA-polymerase. Aan de andere kant zit de template streng alleen die loopt van 3’ naar 5’.
Deze synthese is niet continue. Primase synthetiseert telkens kleine stukjes RNA-primer, welke dan
verlengd wordt door DNA- polymerase voor het vormen van Okazaki fragmenten.