HC intracellulaire compartimenten en transport
De cel is een hele volle structuur. De cel zit vol met verschillende organellen. Het is voordeling om
zoveel organellen te hebben aangezien verschillende processen dat goed van elkaar gescheiden
kunnen worden en in de juiste omgeving kunnen plaatsvinden. Tussen de organellen in zit het
cytosol, ook dit is een volle structuur.
Een aantal organellen en hun functie:
Cytosol = grondvloeistof van de cel
Cytoplasma = cel inhoud (cytosol, organellen, eiwitten) zonder de kern
Hoeveel van elk organel aanwezig is in een cel verschilt per cel, maar je kunt bijvoorbeeld wel zeggen
dat een cel maar 1 nucleus, Golgi en ER heeft. Kleinere structuren zoals mitochondria en lysosomen
komen enorm veel voor in de cel.
Organellen zijn dus vaak omgeven door membranen en de cel zelf ook. In de cel zijn eigenlijk twee
duidelijke verschillende membraansystemen te vinden:
1. Het endomembraan systeem: deze membranen zijn ontstaan door instulpingen in het
membraan van prokaryoten. Dit komt bijvoorbeeld voor bij het ER, de kernenvelop, het
Golgi, lysosomen en nog meer. Tussen die organellen is hierdoor een specifiek
transportsysteem ontstaan
2. Opname eencelligen: organellen zoals de mitochondria en chloroplasten zijn ontstaan door
de opname van eencelligen. Hierdoor hebben ze bijvoorbeeld eigen DNA en kunnen ze zelf
een groot deel van hun eiwitten maken. Er vindt geen transport plaats tussen dit systeem en
het endomembraan systeem
, 1 2
Nadat eiwitten gemaakt zijn door de ribosomen in het cytoplasma of het ER (of in mitochondria)
moeten ze getransporteerd worden naar de juiste plek. Er zijn drie manieren van eiwittransport:
1. Eiwitten bewegen door membraan poriën, zoals in de kernenvelop. De eiwitten hoeven dan
niet recht door het membraan zelf en blijven in een waterige omgeving
2. Transport over membranen, bijvoorbeeld naar het ER of mitochondria, de eiwitten moeten dan
door het membraan. Dit gaat via eiwitten in het membraan
3. Transport via blaasjes die bijvoorbeeld van andere organellen zijn afgesnoerd. De blaasjes
zullen naar het gewenste organel gaan en daar weer fuseren met het membraan.
Hoe komt een eiwit op de juiste plek van de cel terecht? De informatie daarvoor ligt in de
aminozuren van het eiwitten. In het eiwit zit een specifieke sequentie, de signaalsequentie, die aan
de rest van de cel duidelijk maakt waar een eiwit naartoe moet. Er zijn drie belangrijke sequenties:
1. KDEL -> deze sequentie vormt een signaal dat voorkomt dat een eiwit het ER uit gaat en dat,
als dat toch gebeurt, het eiwit terug gebracht wordt naar het ER. De letters KDEL staan voor
de aminozuursequentie waar het signaal uit bestaat.
2. NLS -> dit staat voor nuclear localisation signal. Dit signaal zorgt ervoor dat een eiwit de
nucleus in wordt getransporteerd.
3. NES -> dit staat voor nuclear exclusion signal. Eiwitten met deze sequentie zullen juist de
nucleus uit worden getransporteerd.
Verder zijn er nog veel andere sequenties met elk een eigen doel. Eiwitten die in het cytoplasma
moeten blijven hebben geen sequentie, want die zijn er al.
De cel is een hele volle structuur. De cel zit vol met verschillende organellen. Het is voordeling om
zoveel organellen te hebben aangezien verschillende processen dat goed van elkaar gescheiden
kunnen worden en in de juiste omgeving kunnen plaatsvinden. Tussen de organellen in zit het
cytosol, ook dit is een volle structuur.
Een aantal organellen en hun functie:
Cytosol = grondvloeistof van de cel
Cytoplasma = cel inhoud (cytosol, organellen, eiwitten) zonder de kern
Hoeveel van elk organel aanwezig is in een cel verschilt per cel, maar je kunt bijvoorbeeld wel zeggen
dat een cel maar 1 nucleus, Golgi en ER heeft. Kleinere structuren zoals mitochondria en lysosomen
komen enorm veel voor in de cel.
Organellen zijn dus vaak omgeven door membranen en de cel zelf ook. In de cel zijn eigenlijk twee
duidelijke verschillende membraansystemen te vinden:
1. Het endomembraan systeem: deze membranen zijn ontstaan door instulpingen in het
membraan van prokaryoten. Dit komt bijvoorbeeld voor bij het ER, de kernenvelop, het
Golgi, lysosomen en nog meer. Tussen die organellen is hierdoor een specifiek
transportsysteem ontstaan
2. Opname eencelligen: organellen zoals de mitochondria en chloroplasten zijn ontstaan door
de opname van eencelligen. Hierdoor hebben ze bijvoorbeeld eigen DNA en kunnen ze zelf
een groot deel van hun eiwitten maken. Er vindt geen transport plaats tussen dit systeem en
het endomembraan systeem
, 1 2
Nadat eiwitten gemaakt zijn door de ribosomen in het cytoplasma of het ER (of in mitochondria)
moeten ze getransporteerd worden naar de juiste plek. Er zijn drie manieren van eiwittransport:
1. Eiwitten bewegen door membraan poriën, zoals in de kernenvelop. De eiwitten hoeven dan
niet recht door het membraan zelf en blijven in een waterige omgeving
2. Transport over membranen, bijvoorbeeld naar het ER of mitochondria, de eiwitten moeten dan
door het membraan. Dit gaat via eiwitten in het membraan
3. Transport via blaasjes die bijvoorbeeld van andere organellen zijn afgesnoerd. De blaasjes
zullen naar het gewenste organel gaan en daar weer fuseren met het membraan.
Hoe komt een eiwit op de juiste plek van de cel terecht? De informatie daarvoor ligt in de
aminozuren van het eiwitten. In het eiwit zit een specifieke sequentie, de signaalsequentie, die aan
de rest van de cel duidelijk maakt waar een eiwit naartoe moet. Er zijn drie belangrijke sequenties:
1. KDEL -> deze sequentie vormt een signaal dat voorkomt dat een eiwit het ER uit gaat en dat,
als dat toch gebeurt, het eiwit terug gebracht wordt naar het ER. De letters KDEL staan voor
de aminozuursequentie waar het signaal uit bestaat.
2. NLS -> dit staat voor nuclear localisation signal. Dit signaal zorgt ervoor dat een eiwit de
nucleus in wordt getransporteerd.
3. NES -> dit staat voor nuclear exclusion signal. Eiwitten met deze sequentie zullen juist de
nucleus uit worden getransporteerd.
Verder zijn er nog veel andere sequenties met elk een eigen doel. Eiwitten die in het cytoplasma
moeten blijven hebben geen sequentie, want die zijn er al.