Methodieken
D: De student kan het belang benoemen van het gebruiken van methodieken en
methoden voor het verantwoorden van het handelen van de SPH’er (kwalificatie 6):
E: De student kan omschrijven welke methodieken binnen de beroepsgroep gebruikt
worden en maakt daarmee een start in het profileren van de beroepsgroep (kwalificatie
13) :
F: De student kan met behulp van de opleidingskwalificaties en de beroepscode
legitimeren waarom de behandelde beroepsmethodieken aansluiten bij de beroepsgroep
van SPH (kwalificatie 13)
G: De student kan de uitgangspunten van de volgende vier belangrijke SPH
beroepsmethodieken omschrijven: de benadering vanuit systeemtheorie, de creatief-
agogische benadering, de cognitief-gedragsmatige benadering en de oplossingsgerichte
benadering (kwalificatie 6):
H: De student is in staat om middel een eigen visie, en ondersteund met kennis over een
methode, te verwoorden in hoeverre de methode de student aanspreekt (kwalificatie 6):
1
, Methoden algemeen
Beroepsmethodiek = bestaat uit de beroepscode en het beroepsprofiel, richt zich op de hele SPH-
beroepsgroep. Gaat over het domein dat door het beroep bestreken wordt en gaat over het
handelen waaraan men de beroepsbeoefenaar kan herkennen. Deze word gedragen door alle SPH-
beroepskrachten. (macro)
Instellingsmethodiek = de gekozen mensbeelden en benaderingswijze. Gericht op de eigen
instelling, die een eigen arrangement van opvattingen, uitgangspunten, methoden en werkwijze
kent. (meso)
Ontstaan van een methodiek:
Oerbronnen= Wetenschap, ethische en normatieve aspecten, praktijkreflecties
Uitwerking = De eerste stap om tot methodisch handelen te komen is je laten sturen door de
beroepscode en het beroepsprofiel. Stap 2 is de benaderingswijze, wat is de beste aanpak voor het
probleem? Hoe kan je je cliënt het beste benaderen? Vervolgens ontstaat er een methodiek, een
concrete omschrijving over hoe te handelen bij welke doelgroep. Een visie is hier belangrijk in. Wat
werkt voor wie en wat past bij wie?
Beroepscode = beschrijft waaraan een SPH’er zich moet houden
Beroepsprofiel= beschrijft waaraan een SPH’er moet voldoen
3 Dimensies van het SPH-beroep:
Normatief ( Value based) = handelt vanuit de maatschappelijke normen die van oudsher
afkomstig zijn uit waarden en normen gebaseerd op geloofsovertuigingen. VB.
rechtvaardigheid, autonomie, veiligheid, hulpvaardigheid, naastenliefde.
Vraaggericht (Cliënt based) = Wensen en behoefde van de cliënt staan centraal.
Effectief (Evidence bases) = Hulpverlening moet effectief zijn. Resultaat en prijs. Dit
omvat de andere twee dimensies. Bij het vraaggericht werken word ook rekening gehouden
met het normatief werken -> combineren voor het juiste resultaat.
Methodiek = Is een door de hulpverleners gezamenlijk te dragen flexibel geheel van sturende
praktijktheoretische inzichten en ethische en normatieve stellingnames over een omschreven
gebied van hulpverlening.
1. Methodiek maakt verantwoord kiezen mogelijk.
2. Methodiek steunt op praktijktheoretische en wetenschappelijke inzichten.
3. Methodiek steunt op ethische en normatieve stellingnames.
4. Methodiek ontwikkelt zich in een uitwisseling tussen theorie en prakijk.
Methode = Een methode is een omschreven en doelgerichte werkwijze om met een cliënt of
cliëntengroep in een bepaalde situatie een bepaald vraagstuk op te lossen. Een methode geeft
richting aan het handelen van de hulpverlener door middel van aanwijzingen voor het gebruik van
instrumenten en technieken. Werkwijze
Belang van het gebruiken van een methode:
- Een instelling kan zich op deze manier onderscheiden
- Effectiviteit
- Doelmatig
- Hulpverleners begrijpen elkaar en ‘spreken dezelfde taal’
- Uit kunnen leggen waarom je iets zo aanpakt, je kunnen verantwoorden
-
Agogische plancyclus (APC) = hulpmiddel om de situatie van een cliënt in kaart te brengen
1: Oriëntatie : je gaat opzoek naar info om de situatie van de cliënt te verduidelijken. Info over de
cliënt zelf, familie, omgeving, andere hulpverleners. De hulpvraag verduidelijken.
2: Analyse: de gevonden info nader bestuderen. Info ordenen. Welke info is relevant en waarom?
Hoe is deze situatie ontstaan en waarom blijft het in stand? Je maakt een soort hypothese.
3: Waarderen: Als er meerdere hypotheses zijn gemaakt komt de vraag welke is relevant? Op
basis hiervan kan je doelen en subdoelen opstellen. Om deze doelen duidelijk te maken maak ze
SMART. Belangrijk is dat de doelen aansluiten op de wensen van de cliënt.
2
D: De student kan het belang benoemen van het gebruiken van methodieken en
methoden voor het verantwoorden van het handelen van de SPH’er (kwalificatie 6):
E: De student kan omschrijven welke methodieken binnen de beroepsgroep gebruikt
worden en maakt daarmee een start in het profileren van de beroepsgroep (kwalificatie
13) :
F: De student kan met behulp van de opleidingskwalificaties en de beroepscode
legitimeren waarom de behandelde beroepsmethodieken aansluiten bij de beroepsgroep
van SPH (kwalificatie 13)
G: De student kan de uitgangspunten van de volgende vier belangrijke SPH
beroepsmethodieken omschrijven: de benadering vanuit systeemtheorie, de creatief-
agogische benadering, de cognitief-gedragsmatige benadering en de oplossingsgerichte
benadering (kwalificatie 6):
H: De student is in staat om middel een eigen visie, en ondersteund met kennis over een
methode, te verwoorden in hoeverre de methode de student aanspreekt (kwalificatie 6):
1
, Methoden algemeen
Beroepsmethodiek = bestaat uit de beroepscode en het beroepsprofiel, richt zich op de hele SPH-
beroepsgroep. Gaat over het domein dat door het beroep bestreken wordt en gaat over het
handelen waaraan men de beroepsbeoefenaar kan herkennen. Deze word gedragen door alle SPH-
beroepskrachten. (macro)
Instellingsmethodiek = de gekozen mensbeelden en benaderingswijze. Gericht op de eigen
instelling, die een eigen arrangement van opvattingen, uitgangspunten, methoden en werkwijze
kent. (meso)
Ontstaan van een methodiek:
Oerbronnen= Wetenschap, ethische en normatieve aspecten, praktijkreflecties
Uitwerking = De eerste stap om tot methodisch handelen te komen is je laten sturen door de
beroepscode en het beroepsprofiel. Stap 2 is de benaderingswijze, wat is de beste aanpak voor het
probleem? Hoe kan je je cliënt het beste benaderen? Vervolgens ontstaat er een methodiek, een
concrete omschrijving over hoe te handelen bij welke doelgroep. Een visie is hier belangrijk in. Wat
werkt voor wie en wat past bij wie?
Beroepscode = beschrijft waaraan een SPH’er zich moet houden
Beroepsprofiel= beschrijft waaraan een SPH’er moet voldoen
3 Dimensies van het SPH-beroep:
Normatief ( Value based) = handelt vanuit de maatschappelijke normen die van oudsher
afkomstig zijn uit waarden en normen gebaseerd op geloofsovertuigingen. VB.
rechtvaardigheid, autonomie, veiligheid, hulpvaardigheid, naastenliefde.
Vraaggericht (Cliënt based) = Wensen en behoefde van de cliënt staan centraal.
Effectief (Evidence bases) = Hulpverlening moet effectief zijn. Resultaat en prijs. Dit
omvat de andere twee dimensies. Bij het vraaggericht werken word ook rekening gehouden
met het normatief werken -> combineren voor het juiste resultaat.
Methodiek = Is een door de hulpverleners gezamenlijk te dragen flexibel geheel van sturende
praktijktheoretische inzichten en ethische en normatieve stellingnames over een omschreven
gebied van hulpverlening.
1. Methodiek maakt verantwoord kiezen mogelijk.
2. Methodiek steunt op praktijktheoretische en wetenschappelijke inzichten.
3. Methodiek steunt op ethische en normatieve stellingnames.
4. Methodiek ontwikkelt zich in een uitwisseling tussen theorie en prakijk.
Methode = Een methode is een omschreven en doelgerichte werkwijze om met een cliënt of
cliëntengroep in een bepaalde situatie een bepaald vraagstuk op te lossen. Een methode geeft
richting aan het handelen van de hulpverlener door middel van aanwijzingen voor het gebruik van
instrumenten en technieken. Werkwijze
Belang van het gebruiken van een methode:
- Een instelling kan zich op deze manier onderscheiden
- Effectiviteit
- Doelmatig
- Hulpverleners begrijpen elkaar en ‘spreken dezelfde taal’
- Uit kunnen leggen waarom je iets zo aanpakt, je kunnen verantwoorden
-
Agogische plancyclus (APC) = hulpmiddel om de situatie van een cliënt in kaart te brengen
1: Oriëntatie : je gaat opzoek naar info om de situatie van de cliënt te verduidelijken. Info over de
cliënt zelf, familie, omgeving, andere hulpverleners. De hulpvraag verduidelijken.
2: Analyse: de gevonden info nader bestuderen. Info ordenen. Welke info is relevant en waarom?
Hoe is deze situatie ontstaan en waarom blijft het in stand? Je maakt een soort hypothese.
3: Waarderen: Als er meerdere hypotheses zijn gemaakt komt de vraag welke is relevant? Op
basis hiervan kan je doelen en subdoelen opstellen. Om deze doelen duidelijk te maken maak ze
SMART. Belangrijk is dat de doelen aansluiten op de wensen van de cliënt.
2