Samenvatting H2,3,4,5,6 & 11
Wereldoriëntatie natuur
2025-2026
, Hoofdstuk 2: ontstaan van leven
Het ontstaan van alles:
Darwin: “ het ontstaan van leven als een proces waarbij organismes veranderen en
nieuwe soorten kunnen ontstaan door de aanwezige genetische variatie, voortplanting
en natuurlijke selectie.”
Ontstaan van het heelal:
13,7 miljard jaar geleden.
Sterren en planeten zijn ontstaan & vormen zich in een melkstelsel. In onze Melkweg
zitten 1000 miljard sterren.
Snelheid van het licht is 300.000 km p/s. Eerstvolgende Melkweg die je tegen kan komen
is 2,5 miljoen jaar verder.
AE= Lichtjaar
1 AE= 150 miljoen kilometer,
Lichtjaar= afstand die het licht aflegt in een jaar.
Ontstaan van de aarde:
De aarde is 6 miljard jaar geleden ontstaan uit een gloeiend eb kosmische stof. Er was
veel methaangas, ammoniakgas, waterdamp en waterstofgas.
De aarde was eerst een heksenketel daarna sloeg er een komeet in met water. Daarom
is er ook water op de aarde.
Rosetta= belangrijke ruimtevoertuig (2004). Hierdoor weten we dat onze oceanen niet
alleen van de desbetreffende komeet afkomt.
Ontstaan van leven:
Door stralingen de ontlading ontstonden er meer en ingewikkeldere molecullen. Basis
van een molecuul wordt gevormd door eiwit, koolstof, waterstof en zuurstof. Water heeft
dezelfde samenstelling. Daarom zonder water geen leven.
De stoffen hierboven koppelden zich weer aan andere waardoor er weer andere
eigenschappen ontstonden. Dit was het moment dat leven ontstond.
Kenmerken van leven:
Organismes groeien en kunnen zich voortplanten, ze scheiden stoffen, halen adem,
kunnen omgevingen waarnemen & reageren daarop en uiteindelijk gaat elke organisme
dood. Als dit allemaal niet van toepassing is spreken we van levenloos. BV: steen.
Van cel tot organisme:
Alle organismes zijn opgebouwd uit cellen.
Onderdelen van cellen:
- Celmembraan: dunvliesje om de cel, regelt wat erin/eruit gaat.
- Cytoplasma: vloeistof in de cel waar alle cel onderdelen in zitten.
- Celkern: bevat DNA met erfelijke info en regelt alle processen
- Mitochondriën: “energiecentrales” maakt energie vrij uit glucose
- Bladgroenkorrels: (chloroplasten): alleen platen met glucose door fotosynthese
, - Chromoplasten: zorgen voor de kleur (hierdoor is een tomaat rood en een paprika
geel)
Celtypes:
Eukaryoten: cellen met celkern: van planten en dieren
Prokaryloten: cellen zonder celkern en zonder ingewikkelde organellen. Het dna ligt los
in de cel.
Ezelsbruggetje: eureka (beste soort) planten en dieren
Pro (probiotica) cellen van bacteriën en hebben geen celkern
Volgorde van klein naar groot:
Cel→ weefsel → orgaan → orgaanstelstel → organisme
Soorten cellen:
Evolutie door natuurlijke selectie:
Evolutie = de geleidelijke ontwikkeling of verandering in populatie door variatie in
erfelijke eigenschappen en natuurlijke selectie.
Erfelijkheid:
De erfelijke eigenschappen krijgt een organisme van zijn voorouders en zit verstopt in
het DNA. Bij verandering van het gen (mutatie) zorgt ervoor dat de nakomelingen een
nieuw eigenschap mee krijgt. Als dit voordelen oplevert zullen de nakomelingen een
grote kans hebben op overleven.
Natuurlijke selectie= organismes met deze voordelige eigenschappen zullen vaker
voorkomen waardoor er een ander soort ontstaat.
Soort= een groep levende organismes met bijna dezelfde eigenschappen die samen
kunnen voortplanten. Kan dit ni et meer? Dan behoort het tot een ander soort.
Dit is alleen niet helemaal water dicht: