Hoofdstuk 4 Pluriforme Samenleving
door Karlijn en Emma
Paragraaf 1
Pluriforme samenleving: een samenleving waarin veel verschillen tussen mensen bestaan in
levensstijl, godsdienst en andere cultuurkenmerken
Cultuur: alle waarden, normen, gewoonten en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een
groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en als vanzelfsprekend beschouwen
Waarden en normen = cultuurkenmerken
Als normen, waarden en gewoonten hetzelfde zijn hebben mensen een gemeenschappelijk
referentiekader
Gedragsregulering: cultuur stuurt het gedrag van mensen zodat het geordend en voorspelbaar
verloopt
Dominante cultuur: alle waarden, normen, gewoonten en andere cultuurkenmerken die de
meerderheid van de bevolking met elkaar deelt en als vanzelfsprekend beschouwt
Subcultuur: binnen een groep wijken sommige waarden, normen, gewoonten en andere
cultuurkenmerken af van de dominante cultuur
Culturele diversiteit: veel verschillende subculturen en levensstijlen bestaan (in een pluriforme
samenleving is veel culturele diversiteit)
Culturele verschillen
- Woonomgeving
- Generatie
- Maatschappelijke positie
- Opleiding, beroep en inkomsten
- Gender: culturele verschillen tussen mannen en vrouwen
- Rolpatronen: algemene verwachtingen en opvattingen over hoe iemand zich hoort te
gedragen
- Migratieachtergrond
- Etnische subcultuur: mensen die zich onderling verbonden voelen door hun land van
herkomst en de daarbij horende waarden, normen, gewoonten en andere
cultuurkenmerken
- Godsdienst en levensbeschouwing
Tegenculturen: groepen die zich verzetten tegen (delen van) de dominante cultuur en die willen
veranderen
(bijv. de vrouwenbeweging in de 60’s)
, Sociale cohesie: mensen voelen zich verbonden en hebben het gevoel dat ze bij elkaar horen
sterke sociale cohesie: mensen helpen elkaar en hebben meer vertrouwen in elkaar en de
politiek/media. bij zwakke sociale cohesie is dit omgekeerd, geen vertrouwen en geen belang om je
voor anderen in te zetten
Paragraaf 2
Socialisatie: het proces waarbij iemand bewust en onbewust de waarden, normen en andere
cultuurkenmerken van de groep of groepen waar hij bij hoort, aanleert
- Imitatie
- Informatie
- Sociale controle: de manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich aan de
geldende normen te houden
- Sancties (diploma bijv. positief, boete bijv. negatief)
● uiteindelijk leidt socialisatie tot internalisatie
- Internalisatie: mensen zich waarden, normen en gewoonten eigen maken en zich
automatisch gedragen zoals hun omgeving van hen verwacht
● door socialisatie ontwikkelt ieder mens een persoonlijke identiteit
- Persoonlijke identiteit: het beeld dat iemand van zichzelf heeft
- Sociale identiteit: het deel van je zelfbeeld dat is afgeleid van de groepen en culturen
waarmee je je verbonden voelt (bijna iedereen identificeert zich met meerdere
groepen)
● Wie we zijn = aangeboren eigenschappen + aangeleerde cultuurkenmerken
Socialiserende instituties: groepen en organisaties die specifieke waarden, normen en gewoonten
overdragen (bijv. school en werk, maar ook de overheid (wetten) en de media)
Culturen verschillen
- Per tijd, plaats en groep
(!) Geert Hofstede onderscheidt dimensies:
- Grote versus kleine machtsafstand
- is de macht gelijk verdeeld (NL heeft bijv. een kleine machtsafstand)
- Individualisme versus collectivisme
- In individualistische culturen krijgen mensen in grote mate de vrijheid om een
persoonlijke identiteit te ontwikkelen. Belangrijke waarden:
- individuele ontplooiing
- persoonlijke ontwikkeling
- In collectivistische culturen ligt de nadruk op de sociale identiteit. Het collectief staat
boven het individu. Belangrijke waarden:
- gastvrijheid
- zorg voor naasten
- Masculiniteit versus feminiteit
- Feminiene cultuur → man en vrouw gelijk
- Masculiene cultuur → man is dominant
- Lage versus hoge onzekerheidsvermijding
- hoge → mensen behoefte aan duidelijkheid in formele en informele regels (bijv.
Duitsland)
- lage → geen behoefte (bijv. GB)