Thema 10 en 11
zonder Plant voortplanting
BiNaS Tabellen
- Tabel 70 Chromosomen van mens
- Tabel 71 DNA/RNA
- Tabel 76 Celdeling cyclus
Tabel 79 Cellen, organellen
- Tabel 81E Transportweefsel (Hout, Bast)
- Tabel 91 Anatomie van een plant
Samenvatting
Voorkennis
Celorganellen
Celkern: DNA opgeslagen.
Mitochondriën: energiefabriekjes; ATP gemaakt, de brandstof van het lichaam.
Ribosomen: maken eiwitten. RNA, gebruiken als recept om losse aminozuren aan elkaar te knopen
tot een eiwit.
Glad endoplasmatisch reticulum: maakt lipiden, oa fosfolipiden voor het plasmamembraan en
steroïde hormonen bijv testosteron afhankelijk van het type cel heel specifieke acties uitvoeren, bijv
alcohol afbreken en calcium opslaan.
Ruw endoplasmatisch reticulum: zorgt voor het transport van eiwitten die bestemd zijn voor buiten
de cel. Alles wordt verzameld en via transportblaasjes richting het golgi apparaat gestuurd.
Golgi apparaat: krijgt pakketjes met eiwitten van het ruw endoplasmatisch reticulum, dan verpakt in
blaasjes (secretoire granula), opgeslagen en wanneer het nodig is smelten de blaasjes samen met het
plasmamembraan en komt de inhoud via exocytose vrij buiten de cel. Maakt lysosomen (type blaasje
waarin eiwitten zitten die grote moleculen opbreken)
Cytoskelet: netwerk van kleine vezels die zorgen voor de vorm van een cel, het bewegen van de hele
cel en het bewegen van organellen binnen de cel.
Denaturatie:
Prokaryote organismen Eukaryote organismen
hebben celkern ♥
DNA los in cytoplasma DNA in celkern
hebben vacuolen, mtochondriën en een
endoplasmatisch reticulum
♥
,Hoofdstuk 10
Klein overzicht
DNA-replicatie: Dupliceren van DNA voor een celdeling
Genexpressie:
- Transcriptie: Nucleotide volgorde van DNA gekopieerd naar pre-mRNA
- Splicing: Alle introns worden weggeknipt; alleen extrons blijven over. (1 pre-mRNA kan
leiden tot verschillende mRNA’s)
- Translatie: Aminozuren worden in een ribosoom aan elkaar gekoppeld tot eiwitten in een
volgorde die wordt bepaald door een mRNA-molecuul.
- Eiwitsynthese: proces van maken van eiwitten (translatie/transcriptie)
- Genregulatie: aan- of uitzetten van genen
DNA
Elke cel in je lichaam heeft een celkern met DNA (desoxyribonucleïnezuur)
- Bevat genetische informatie; informatie voor erfelijke eigenschappen
- Mbv informatie kan een cel eiwitten maken die nodig zijn om zijn functies uit te voeren
Genoom: geheel aan erfelijke informatie in een cel van een organisme
- Alle cellen van een organisme hebben hetzelfde unieke genoom, behalve geslachtscellen
Eukaryoten en DNA
- Genoom bestaat uit alle chromosomen in de celkern + DNA in mitochondriën en
chloroplasten
= kern-DNA + mitochondriaal DNA + chloroplast-DNA
Prokaryoten en DNA
- Genoom bestaat uit alle DNA los in het cytoplasma
- Meestal circulair DNA-molecuul als genoom
- Sommige prokaryoten hebben plasmiden; korte, vaak circulaire stukjes DNA in het
cytoplasma
De bouw van DNA
DNA-molecuul = nucleïnezuur
DNA bestaat uit twee ketens (strengen) van aan elkaar gekoppelde nucleotiden die bestaan uit
desoxyribose, een fosfaatgroep en een stikstofbase
- Stikstofbasen: adenine (A), thymine (T), cytosine (C) en guanine (G)
Enkelstrengs DNA-molecuul: streng van afwisselend aan elkaar gekoppelde desoxyribosen en
fosfaatgroepen
DNA wordt altijd in de rechting van het 3’-uiteinde naar het 5’uiteinde afgelezen en gekopieerd
- 5’uiteinde - fosfaatgroep
- 3’uiteinde - OH-groep
Basenparing: stikstofbasen verbinden twee DNA-nucleotideketens met elkaar door vaste basenparing
- Adenine bindt altijd aan thymine (A – T).
- Guanine bindt altijd aan cytosine (G – C)
Dubbelstrengs DNA: twee nucleotidenketens die bij elkaar worden gehouden door de
waterstofbruggen tussen de complementaire stikstofbasen
- Helixstructuur
, Groot DNA-molecuul past in een celkern, doordat het rond een aantal histonen is gewikkeld → een
compacte vorm.
Histonen: eiwitten waar DNA omheen is gewikkeld
Nucleosoom: een aantal histonen bij elkaar met het eromheen gewikkelde DNA
Zolang een stukje DNA in een nucleosoom ligt opgerold, kan de cel het niet aflezen. Als de cel dat
deel van het DNA nodig heeft, kan het nucleosoom verschuiven, waardoor het DNA beschikbaar
komt voor de cel.
Koppelings-DNA: het DNA tussen twee opeenvolgende nucleosomen
Sequentie: volgorde waarin nucleotiden in een DNA-molecuul zijn gerangschikt
Gen: deel van een chromosoom dat de genetische informatie bevat voor een of meer erfelijke
eigenschappen of voor een deel van een erfelijke eigenschap
Niet-coderend DNA: DNA dat niet codeert voor eiwitten
- Bij de mens bestaat ongeveer 98,5% van het genoom uit niet-coderend DNA
- Regulerende functie; beinvloeden de activiteit van genen of de productie van eiwitten,
beschermen bijv uitenden van chromosomen, repetitief DNA; herhalingen van korte
DNA-sequenties of genen die hun functie hebben verloren
DNA-replicatie
Cellen doorlopen een cyclus waarbij ze zich delen, groeien, hun DNA kopiëren en zich opnieuw
delen.
- Interfase: de fase tussen twee celdelingen
- S-fase: fase van de celcyclus waarin het DNA wordt gekopieerd in de chromosomen
(halverwege de interfase)
= DNA-replicatie; kopiëren van het DNA voor de celdeling
- Mitose (M-fase): de celdeling vindt plaats en de kopieën van de chromosomen worden
verdeeld over de dochtercellen
= gewone celdeling