HBO-Rechten Nijmegen
Inleiding Privaatrecht
College 1
Wat is recht?
→ Regelen
→ Hulpverlening → verbinding, sociaal vangnet, bijstand, AWBZ.
- Bescherming zwakkeren; huur, arbeid etc.
→ Straffende (punitieve)
*Wetten → rechtsbron
*Jurisprudentie → uitspraken van rechters
*Gewoonterecht → ongeschreven regels uit het dagelijkse leven.
* Verdragen: • Schengen → vrij verkeer
• Wenen → welke verdragen zijn bindend en welke niet
• IVBPR
• ESH
Wet
Formele zin → totstandkoming door Regering en Staten-Generaal (1e en 2e kamer).
Materiële zin → Geld voor iedereen.
Recht
Materieel → inhoud van het geschil; waar heb je recht op?; wat?
Formeel → vorm; procesrecht/rechter; hoe?
Objectief = wet regelgeving; rechtsbronnen (BW, SR)
Subjectief = ‘Mijn recht’
Rechtssubject = drager van rechten en plichten.
Rechtsobject = lijdend voorwerp (fiets, etui, boek, agenda maar ook dieren).
Recht
Privaatrecht → tussen burgers
Publiekrecht → tussen overheid en burgers ( Staatsrecht, Bestuursrecht)
, Burgerlijk Wetboek (BW)
8 boeken:
1. Personen- en familierecht
2. Restpersoon → N.V, B.V, kerken, verenigingen.
3. Vermogensrecht
4. Erfrecht
5. Zakelijke rechten
6. Verbintenissen
7. Bijzondere overeenkomsten
7a.
8 Verkeersmiddelen en vervoer → transport
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Wet in materiële zin en wet in formele zin en het is objectief.
Voorbeeld: Kraamverzorgster → rechtssubject
Kraamzorg B.V → rechtssubject
WW-uitkering → subjectief recht
Maar WW is objectief.
Dwingend recht → afwijken mag niet (Art. 6:162 BW).
Aanvullend/regelend recht → vult aan als je niets regelt (Art. 3:83 BW).
Semi-dwingend recht → schept kaders om vrijheid (Art. 7:652 BW).
Lid 2 → schriftelijk
Lid 3 → 2 maanden
Gelaagde structuur van het Burgerlijk Wetboek
De wetten gaan in volgorde van algemeen naar bijzondere wetten; dus dat betekent boek 3 zijn
algemene wetten en de gelaagde structuur naar boek 6 zijn bijzondere wetten.
Inleiding Privaatrecht
College 1
Wat is recht?
→ Regelen
→ Hulpverlening → verbinding, sociaal vangnet, bijstand, AWBZ.
- Bescherming zwakkeren; huur, arbeid etc.
→ Straffende (punitieve)
*Wetten → rechtsbron
*Jurisprudentie → uitspraken van rechters
*Gewoonterecht → ongeschreven regels uit het dagelijkse leven.
* Verdragen: • Schengen → vrij verkeer
• Wenen → welke verdragen zijn bindend en welke niet
• IVBPR
• ESH
Wet
Formele zin → totstandkoming door Regering en Staten-Generaal (1e en 2e kamer).
Materiële zin → Geld voor iedereen.
Recht
Materieel → inhoud van het geschil; waar heb je recht op?; wat?
Formeel → vorm; procesrecht/rechter; hoe?
Objectief = wet regelgeving; rechtsbronnen (BW, SR)
Subjectief = ‘Mijn recht’
Rechtssubject = drager van rechten en plichten.
Rechtsobject = lijdend voorwerp (fiets, etui, boek, agenda maar ook dieren).
Recht
Privaatrecht → tussen burgers
Publiekrecht → tussen overheid en burgers ( Staatsrecht, Bestuursrecht)
, Burgerlijk Wetboek (BW)
8 boeken:
1. Personen- en familierecht
2. Restpersoon → N.V, B.V, kerken, verenigingen.
3. Vermogensrecht
4. Erfrecht
5. Zakelijke rechten
6. Verbintenissen
7. Bijzondere overeenkomsten
7a.
8 Verkeersmiddelen en vervoer → transport
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Wet in materiële zin en wet in formele zin en het is objectief.
Voorbeeld: Kraamverzorgster → rechtssubject
Kraamzorg B.V → rechtssubject
WW-uitkering → subjectief recht
Maar WW is objectief.
Dwingend recht → afwijken mag niet (Art. 6:162 BW).
Aanvullend/regelend recht → vult aan als je niets regelt (Art. 3:83 BW).
Semi-dwingend recht → schept kaders om vrijheid (Art. 7:652 BW).
Lid 2 → schriftelijk
Lid 3 → 2 maanden
Gelaagde structuur van het Burgerlijk Wetboek
De wetten gaan in volgorde van algemeen naar bijzondere wetten; dus dat betekent boek 3 zijn
algemene wetten en de gelaagde structuur naar boek 6 zijn bijzondere wetten.