Hoofdstuk 4: Houding en beweging
Contractievormen
Bij contractie worden spieren meestal korter concentrische contractie. Soms worden
spieren langer tijdens een contractie Excentrische contractie. Soms blijft de lengte gelijk
isometrische contractie. Dit gebeurt bij spierwerking om een houding te handhaven.
4.2: Bouw van de skeletspieren en spiervezels
Doorsnede
Om een spier zit een stevige bindweefsellaag, de fascie. Binnen is de spier omgeven door
een dunnere bindweefsellaag, epimysium. Binnen in de spier zitten bundels, fasculi. Deze
worden ook omgeven door een dunne bindweefsellaag, perimysium. Deze bevatten
spiervezels die ook omgeven zijn door een dunne bindweefsellaag endomysium. De lagen
bieden ruimte voor bloedvaten en zenuwvezels. Via deze structuren brengen de spieren
kracht over op het skelet. Dit gaat via het endomysium en het perimysium. Deze geleiden de
kracht door naar de verderop gelegen pees. Desmine, dystrofine en actine zorgen voor
zijdelingse verbindingen met de spiervezelmembraan. Deze wordt gekoppeld aan het
endomysium en perimysium (via integrinen).
4.2.2 Spiervezel
Een spiercel heeft meerdere kernen, doordat deze ontstaan is in de embryonale periode. De
kernen liggen tegen de celmembraan of sarcolemma aan. In het plasma van een spiervezel
lopen langgerekte structuren myofibrillen deze lopen van het ene celuiteinde naar de andere
celuiteinde. Dit zijn de contractiele elementen van een spier. Een spiervezel of spiercel kan
alleen groeien in de breedte door de myofibrillen te verlengen. Ook kan een spier korter
worden van myofibrillen bij immobiliteit.
4.2.3: Myofibrillen
Aan de dwarsstreping van de myofibrillen zijn onderdelen te onderscheiden: banden,
schijven, zones en lijnen.
4.2.4: Filamenten
Bij verder inzoomen op de myofibrillen zijn er langwerpige eiwitten te zien (myofilamenten).
De dikke filamenten heette de myosine, de dunne filamenten heette de actine. Dit zijn de
contractiele filamenten van de spiervezels. De dikke myosine is omgeven door zes dunnen
actinefilamenten. Bij contractie schuiven ze verder over elkaar en word de overlap groter. De
myosine hebben aan de buitenkant koppen die naar buiten steken. Als een myosine een brug
vormt met het actinefilament schuiven de filamenten langs elkaar. Zo ontstaat de contractie.
4.2.5: De contractiele eenheid: Sarcomeer
De ruimte tussen twee Z-lijnen van de myofibrillen is een sarcomeer. Dit is de contractiele
eenheid van de spiervezel. Er liggen veel sarcomeren achter elkaar in serie en parallel naast
elkaar. Aan de Z-lijn zijn actinefilamenten gehecht, zo zijn de sarcomeren in serie gekoppeld.
Doordat er tien- tot honderdduizend sarcomeren in serie geschakeld zijn kan de spier veel
korter of langer worden. Een sarcomeer zelf kan namelijk niet veel korter of langer worden.
,4.3: Spiercontractie
4.3.1: Contractiemechanisme
Voor contractie is prikkeling van de spiervezelmembraan nodig. De prikkel moet in de vorm
van een actiepotentiaal via een motorisch zenuwvezel de spiercel bereiken. Om de
filamenten langs elkaar te laten schuiven is brugvorming nodig. Als de brug ontstaat beweegt
de myosinekop en deze trekt het actinefilament langszij. De Sarcomeer wordt dan korter.
Hiervoor zijn calciumionen nodig (deze zorgen ervoor dat de bruggen kunnen ontstaan). Bij
de contractie komt ATP vrij.
In de spiervezel loopt een buizenstelsel over het membraan: Ook wel T-tubuli. Dit kun je zien
als diepe instulping van de membraan. Ze liggen ter hoogte van de overlap tussen myosine
en actine. In de spiervezel zelf, in het celplasma ligt een tweede buizenstelsel. Dat heet het
sacroplasmatische reticulum. Het uiteinde ervan liggen naast de T-tubuli. Het
sarcoplasmatische reticulum bevat de calcium voorraad. Als er een prikkel komt wordt deze
via de T-tubuli naar het inwendige van de spiervezel toegeleid. Deze laat het calcium vrij
waardoor er een contractie kan komen.
4.3.2: Van sarcomeerverkorting naar spiercontractie
Er moeten veel koppelingen en ontkoppelingen gemaakt worden om de maximale verkorting
te bereiken. De verschillende myosinekoppen maken op verschillende momenten hun
bruggen en ontkoppelen ook weer op verschillende momenten. Hierdoor ontstaat er een
geleidelijke spierverkorting, zonder het risico dat de spier tijdens het ontkoppelen plotseling
zijn verkorting verliest. Bij spiergebruik om een bepaalde positie te handhaven, zullen de
myosinekoppen steeds op dezelfde plaats van de actine hun verbinding maken. Zo word
vermoeidheid en uitputting voorkomen van de spier. Door spannen en ontspannen treedt
verschil in sarcomeerlengte op, maar de elastische structuren zullen de ontspannende vezels
wat rekken.
Fasen in de contractie van een spier samengevat
De contractie van een spier verloopt in vier fasen:
1. Excitatie De actiepotentiaal van de motorische zenuwvezel wordt overgebracht op
de spiercelmembraan en voortgeleid naar de T-tubuli. Doordat deze geleiding heel
snel loopt worden ongeveer tegelijkertijd alle myofibrillen van de spiervezels bereikt.
2. Latentietijd De potentiaal wordt overgedragen op het buizenstelsel in het plasma
(sarcoplasmatisch reticulum, SR). Hierdoor komend de calciumionen vrij.
3. Contractiefase De myosinekop vormt een brug met de actine. Hierbij komt ATP vrij.
De myosinekop kantelt in de lengterichting en trekt daarbij het actinefilament
langszij. Het sarcomeer wordt korter. De vrijgekomen energie wordt gebruikt om de
spier te verkorten.
4. Relaxatiefase Elke spiervezel ontspant zich na enige tijd. De calcium wordt
namelijk teruggepompt in het SR. Hierbij wordt ook weer ATP gebruikt. De spier kan
zich in deze fase niet actief verlengen. Dit kan alleen door de zwaartekracht of door
spieren met een antagonistische werking.
4.3.3: Lengte en kracht van een sarcomeer
Een sarcomeer heeft een maximale en minimale lengte. De kracht wordt bepaald door
het aantal bruggen dat tussen myosine en actine kan worden gemaakt. De spieren zijn zo
gemaakt dat bij verkorting en verlening een optimale a-m-overlap bestaat.
,4.4: Motorische eenheid
Om een spier te laten samentrekken is een prikkel vanuit het zenuwstelsel nodig
actiepotentiaal.
4.4.1: Koppeling tussen zenuwcel en spiercel: motorische eenheid
Skeletspieren krijgen hun prikkel van zenuwcellen die in de voorhoorn van het
ruggenmerg liggen, alfamotoneuronen of x-motoneuronen (kijken in het boek voor het
juiste tekentje, kan het tekentje niet maken op het toetsenbord).
De prikkel bereikt de spiervezel via het axon, de lange uitloper van de motorische
zenuwcel. Binnen de spier vertakt de axon zich in heel veel uitlopers. Aan het einde van
iedere uitloper zit een motorische eindplaat die contact maakt met de
spiervezelmembraan. Er zijn meerdere spiervezels die via de uitlopers van één
motorische neuron worden geprikkeld. Alle spiervezels die via de uitlopers van één
motorisch neuron worden geprikkeld, vormen samen een motorische eenheid of motor
unit.
4.4.2:Enkelvoudige en tetanische contractie van spiervezels
Een actiepotentiaal draagt via de motorische eindplaten de prikkel over op de membraan
van de spiervezels van de motorische eenheid. Na een korte tijd treedt een enkelvoudige
contractie (muscle twitch) op. In de ene spier loopt deze contractie sneller en sterker dan
in de andere. Dat is afhankelijk van het type spiervezel: Snelle of langzame spier.
4.4.3: Meer spierkracht leveren
Je kan op twee manieren een spier een grotere kracht laten leveren:
Toename van kracht door een hogere prikkelfrequentie:
Om een spiercontractie langer vol te houden is een opeenvolging van prikkels via het
motoneuron nodig. De prikkels moeten dan zo snel mogelijk achter elkaar komen, dat er
te weinig tijd is om de spier weer helemaal te ontspannen. Als de spier op spanning blijft
zonder relaxatiefase, dan is er sprake van een tetanische contractie. Ook is er te weinig
tijd voor het calcium om terug te gaan in het SR. Daardoor treedt summatie op. De
calciumcontractie rondom de filamenten blijft dan hoog genoeg voor nieuwe bruggen.
Toename van kracht door activeren van meer motor units
Je kan ook de kracht van spieren toe laten nemen door het activeren van meer
motorische eenheden of motorunits rekrutering. Dit kan in meer of mindere mate
gebeuren rekruteringsgradatie. Ook zijn niet alle motorunits even groot. Om de kracht
op te voeren worden daarom namelijk eerst de kleine units geactiveerd, daarna de
middelgrote en als laatste pas de grote.
4.5.2: Spierkracht
De spierkracht is van een aantal factoren afhankelijk:
1. De fysiologische doorsnede van de spier. Het gaat om de hoeveelheid myofibrillen
naast elkaar, dus ook om het aantal sarcomeren.
2. De mate van overlap tussen myosine en actine. Dit is bepalend voor het aantal
bruggen die gevormd kan worden.
3. De prikkelfrequentie van een motoneuron. Een verhoogde frequentie leidt tot
toename van de contractiekracht van de spiervezels van de motorunit.
, 4. Rekrutering van motor units. Toename van rekrutering leidt tot activeren van meer
motor units totdat alle motor units en dus alle spiervezels van een spier geactiveerd
zijn.
5. De elastische component van de spier.
6. Type spiervezels in een spier. De samenstelling van een spier uit verschillende soorten
spiervezels en de kenmerken van die vezels zijn van invloed op de spierkracht.
4.6: Spiervezeltypen in skeletspieren
Er zijn spieren die langdurig met vrij weinig kracht een houding kunnen handhaven of een
lichte last kunnen verplaatsen. Daarnaast zijn er ook spieren die in korte tijd een grote kracht
kunnen ontwikkelen om zware lasten te tillen of hoge bewegingssnelheid kunnen bereiken.
De laatste kunnen dat alleen niet lang volhouden.
Je hebt langzame, tonische of ‘houdings’spieren. En je hebt snelle, fasische of
‘bewegings’spieren.
De langzame spieren bevatten meer langzame (rode) spiervezels. De snelle spieren bevatten
meer snelle (witte) spiervezels. Erfelijkheid bepaald de verhouding tussen langzame en snelle
spiervezels in een spier. Onder invloed van training kan de samenstelling van een spier zich
aanpassen.
4.6.1: Langzame spiervezels
Langzame spieren leveren een langdurige contractie met een niet al te grote kracht
Houding handhaven, kleine lasten verplaatsen en bij duursport. Er liggen minder myofibrillen
naast elkaar, waardoor ze minder kracht leveren. Ze hebben ook een kleine diameter. Er
ontstaat een Slow twitch Na een prikkel langzame contractie met weinig kracht. Lage
fusiefrequentie nodig.
Langzame spiervezels zijn rood, ze zijn omgeven door veel capillairen en door een hoog
gehalte aan myoglobine-met-zuurstof in de spiervezel zelf. Bij een lage zuurstofdruk (pO2)
komt er veel zuurstof uit de myoglobine beschikbaar, hierdoor kan de aerobe verbranding
korte tijd doorgaan. Energie voor contractie word vooral geleverd door de verbranding van
vetzuren. Die worden omgezet in CO2 en H2O. Deze vetverbranding levert veel ATP per gram
brandstof. Contractie van langzame spieren vergt weinig ATP per tijdseenheid. De natrium-
kaliumpomp en de calciumpomp gebruiken weinig energie. Hierdoor kan een contractie lang
worden volgehouden met een zuurstoftoevoer.
4.6.2: Snelle spiervezels
Snelle spiervezels zijn geschikt voor korte en krachtige inspanningen. Er liggen veel
myofibrillen naast elkaar. De vezel heeft hierdoor een groot diameter. Na prikkel ontstaat er
een snelle en korte contractie met veel kracht (fast twitch). Er is een hoge prikkelfrequentie
nodig voor een tetanische contractie. Ze zijn wit en hebben daardoor weinig capillairen in het
bindweefsel en dus ook bijna geen myoglobine. Energie wordt vooral geleverd door
glycolyse, de anaerobe afbraak van glucose en pyruvaat. Witte spiervezels hebben een
voorraad glucose in de vorm van glycogeen. Als er genoeg zuurstof is wordt pyruvaat verder
verwerkt in de citroenzuurcyclus. Als er weinig of geen zuurstof is wordt de pyruvaat
omgezet in lactaat. Zo kunnen de witte spiervezels ook zonder zuurstof prestatie leveren. Ze
zijn wel snel vermoeid fast twitch, fast fatiguable. Contractie vergt veel ATP. De natrium-
kaliumpomp en de calciumpomp gebruiken veel energie.
Contractievormen
Bij contractie worden spieren meestal korter concentrische contractie. Soms worden
spieren langer tijdens een contractie Excentrische contractie. Soms blijft de lengte gelijk
isometrische contractie. Dit gebeurt bij spierwerking om een houding te handhaven.
4.2: Bouw van de skeletspieren en spiervezels
Doorsnede
Om een spier zit een stevige bindweefsellaag, de fascie. Binnen is de spier omgeven door
een dunnere bindweefsellaag, epimysium. Binnen in de spier zitten bundels, fasculi. Deze
worden ook omgeven door een dunne bindweefsellaag, perimysium. Deze bevatten
spiervezels die ook omgeven zijn door een dunne bindweefsellaag endomysium. De lagen
bieden ruimte voor bloedvaten en zenuwvezels. Via deze structuren brengen de spieren
kracht over op het skelet. Dit gaat via het endomysium en het perimysium. Deze geleiden de
kracht door naar de verderop gelegen pees. Desmine, dystrofine en actine zorgen voor
zijdelingse verbindingen met de spiervezelmembraan. Deze wordt gekoppeld aan het
endomysium en perimysium (via integrinen).
4.2.2 Spiervezel
Een spiercel heeft meerdere kernen, doordat deze ontstaan is in de embryonale periode. De
kernen liggen tegen de celmembraan of sarcolemma aan. In het plasma van een spiervezel
lopen langgerekte structuren myofibrillen deze lopen van het ene celuiteinde naar de andere
celuiteinde. Dit zijn de contractiele elementen van een spier. Een spiervezel of spiercel kan
alleen groeien in de breedte door de myofibrillen te verlengen. Ook kan een spier korter
worden van myofibrillen bij immobiliteit.
4.2.3: Myofibrillen
Aan de dwarsstreping van de myofibrillen zijn onderdelen te onderscheiden: banden,
schijven, zones en lijnen.
4.2.4: Filamenten
Bij verder inzoomen op de myofibrillen zijn er langwerpige eiwitten te zien (myofilamenten).
De dikke filamenten heette de myosine, de dunne filamenten heette de actine. Dit zijn de
contractiele filamenten van de spiervezels. De dikke myosine is omgeven door zes dunnen
actinefilamenten. Bij contractie schuiven ze verder over elkaar en word de overlap groter. De
myosine hebben aan de buitenkant koppen die naar buiten steken. Als een myosine een brug
vormt met het actinefilament schuiven de filamenten langs elkaar. Zo ontstaat de contractie.
4.2.5: De contractiele eenheid: Sarcomeer
De ruimte tussen twee Z-lijnen van de myofibrillen is een sarcomeer. Dit is de contractiele
eenheid van de spiervezel. Er liggen veel sarcomeren achter elkaar in serie en parallel naast
elkaar. Aan de Z-lijn zijn actinefilamenten gehecht, zo zijn de sarcomeren in serie gekoppeld.
Doordat er tien- tot honderdduizend sarcomeren in serie geschakeld zijn kan de spier veel
korter of langer worden. Een sarcomeer zelf kan namelijk niet veel korter of langer worden.
,4.3: Spiercontractie
4.3.1: Contractiemechanisme
Voor contractie is prikkeling van de spiervezelmembraan nodig. De prikkel moet in de vorm
van een actiepotentiaal via een motorisch zenuwvezel de spiercel bereiken. Om de
filamenten langs elkaar te laten schuiven is brugvorming nodig. Als de brug ontstaat beweegt
de myosinekop en deze trekt het actinefilament langszij. De Sarcomeer wordt dan korter.
Hiervoor zijn calciumionen nodig (deze zorgen ervoor dat de bruggen kunnen ontstaan). Bij
de contractie komt ATP vrij.
In de spiervezel loopt een buizenstelsel over het membraan: Ook wel T-tubuli. Dit kun je zien
als diepe instulping van de membraan. Ze liggen ter hoogte van de overlap tussen myosine
en actine. In de spiervezel zelf, in het celplasma ligt een tweede buizenstelsel. Dat heet het
sacroplasmatische reticulum. Het uiteinde ervan liggen naast de T-tubuli. Het
sarcoplasmatische reticulum bevat de calcium voorraad. Als er een prikkel komt wordt deze
via de T-tubuli naar het inwendige van de spiervezel toegeleid. Deze laat het calcium vrij
waardoor er een contractie kan komen.
4.3.2: Van sarcomeerverkorting naar spiercontractie
Er moeten veel koppelingen en ontkoppelingen gemaakt worden om de maximale verkorting
te bereiken. De verschillende myosinekoppen maken op verschillende momenten hun
bruggen en ontkoppelen ook weer op verschillende momenten. Hierdoor ontstaat er een
geleidelijke spierverkorting, zonder het risico dat de spier tijdens het ontkoppelen plotseling
zijn verkorting verliest. Bij spiergebruik om een bepaalde positie te handhaven, zullen de
myosinekoppen steeds op dezelfde plaats van de actine hun verbinding maken. Zo word
vermoeidheid en uitputting voorkomen van de spier. Door spannen en ontspannen treedt
verschil in sarcomeerlengte op, maar de elastische structuren zullen de ontspannende vezels
wat rekken.
Fasen in de contractie van een spier samengevat
De contractie van een spier verloopt in vier fasen:
1. Excitatie De actiepotentiaal van de motorische zenuwvezel wordt overgebracht op
de spiercelmembraan en voortgeleid naar de T-tubuli. Doordat deze geleiding heel
snel loopt worden ongeveer tegelijkertijd alle myofibrillen van de spiervezels bereikt.
2. Latentietijd De potentiaal wordt overgedragen op het buizenstelsel in het plasma
(sarcoplasmatisch reticulum, SR). Hierdoor komend de calciumionen vrij.
3. Contractiefase De myosinekop vormt een brug met de actine. Hierbij komt ATP vrij.
De myosinekop kantelt in de lengterichting en trekt daarbij het actinefilament
langszij. Het sarcomeer wordt korter. De vrijgekomen energie wordt gebruikt om de
spier te verkorten.
4. Relaxatiefase Elke spiervezel ontspant zich na enige tijd. De calcium wordt
namelijk teruggepompt in het SR. Hierbij wordt ook weer ATP gebruikt. De spier kan
zich in deze fase niet actief verlengen. Dit kan alleen door de zwaartekracht of door
spieren met een antagonistische werking.
4.3.3: Lengte en kracht van een sarcomeer
Een sarcomeer heeft een maximale en minimale lengte. De kracht wordt bepaald door
het aantal bruggen dat tussen myosine en actine kan worden gemaakt. De spieren zijn zo
gemaakt dat bij verkorting en verlening een optimale a-m-overlap bestaat.
,4.4: Motorische eenheid
Om een spier te laten samentrekken is een prikkel vanuit het zenuwstelsel nodig
actiepotentiaal.
4.4.1: Koppeling tussen zenuwcel en spiercel: motorische eenheid
Skeletspieren krijgen hun prikkel van zenuwcellen die in de voorhoorn van het
ruggenmerg liggen, alfamotoneuronen of x-motoneuronen (kijken in het boek voor het
juiste tekentje, kan het tekentje niet maken op het toetsenbord).
De prikkel bereikt de spiervezel via het axon, de lange uitloper van de motorische
zenuwcel. Binnen de spier vertakt de axon zich in heel veel uitlopers. Aan het einde van
iedere uitloper zit een motorische eindplaat die contact maakt met de
spiervezelmembraan. Er zijn meerdere spiervezels die via de uitlopers van één
motorische neuron worden geprikkeld. Alle spiervezels die via de uitlopers van één
motorisch neuron worden geprikkeld, vormen samen een motorische eenheid of motor
unit.
4.4.2:Enkelvoudige en tetanische contractie van spiervezels
Een actiepotentiaal draagt via de motorische eindplaten de prikkel over op de membraan
van de spiervezels van de motorische eenheid. Na een korte tijd treedt een enkelvoudige
contractie (muscle twitch) op. In de ene spier loopt deze contractie sneller en sterker dan
in de andere. Dat is afhankelijk van het type spiervezel: Snelle of langzame spier.
4.4.3: Meer spierkracht leveren
Je kan op twee manieren een spier een grotere kracht laten leveren:
Toename van kracht door een hogere prikkelfrequentie:
Om een spiercontractie langer vol te houden is een opeenvolging van prikkels via het
motoneuron nodig. De prikkels moeten dan zo snel mogelijk achter elkaar komen, dat er
te weinig tijd is om de spier weer helemaal te ontspannen. Als de spier op spanning blijft
zonder relaxatiefase, dan is er sprake van een tetanische contractie. Ook is er te weinig
tijd voor het calcium om terug te gaan in het SR. Daardoor treedt summatie op. De
calciumcontractie rondom de filamenten blijft dan hoog genoeg voor nieuwe bruggen.
Toename van kracht door activeren van meer motor units
Je kan ook de kracht van spieren toe laten nemen door het activeren van meer
motorische eenheden of motorunits rekrutering. Dit kan in meer of mindere mate
gebeuren rekruteringsgradatie. Ook zijn niet alle motorunits even groot. Om de kracht
op te voeren worden daarom namelijk eerst de kleine units geactiveerd, daarna de
middelgrote en als laatste pas de grote.
4.5.2: Spierkracht
De spierkracht is van een aantal factoren afhankelijk:
1. De fysiologische doorsnede van de spier. Het gaat om de hoeveelheid myofibrillen
naast elkaar, dus ook om het aantal sarcomeren.
2. De mate van overlap tussen myosine en actine. Dit is bepalend voor het aantal
bruggen die gevormd kan worden.
3. De prikkelfrequentie van een motoneuron. Een verhoogde frequentie leidt tot
toename van de contractiekracht van de spiervezels van de motorunit.
, 4. Rekrutering van motor units. Toename van rekrutering leidt tot activeren van meer
motor units totdat alle motor units en dus alle spiervezels van een spier geactiveerd
zijn.
5. De elastische component van de spier.
6. Type spiervezels in een spier. De samenstelling van een spier uit verschillende soorten
spiervezels en de kenmerken van die vezels zijn van invloed op de spierkracht.
4.6: Spiervezeltypen in skeletspieren
Er zijn spieren die langdurig met vrij weinig kracht een houding kunnen handhaven of een
lichte last kunnen verplaatsen. Daarnaast zijn er ook spieren die in korte tijd een grote kracht
kunnen ontwikkelen om zware lasten te tillen of hoge bewegingssnelheid kunnen bereiken.
De laatste kunnen dat alleen niet lang volhouden.
Je hebt langzame, tonische of ‘houdings’spieren. En je hebt snelle, fasische of
‘bewegings’spieren.
De langzame spieren bevatten meer langzame (rode) spiervezels. De snelle spieren bevatten
meer snelle (witte) spiervezels. Erfelijkheid bepaald de verhouding tussen langzame en snelle
spiervezels in een spier. Onder invloed van training kan de samenstelling van een spier zich
aanpassen.
4.6.1: Langzame spiervezels
Langzame spieren leveren een langdurige contractie met een niet al te grote kracht
Houding handhaven, kleine lasten verplaatsen en bij duursport. Er liggen minder myofibrillen
naast elkaar, waardoor ze minder kracht leveren. Ze hebben ook een kleine diameter. Er
ontstaat een Slow twitch Na een prikkel langzame contractie met weinig kracht. Lage
fusiefrequentie nodig.
Langzame spiervezels zijn rood, ze zijn omgeven door veel capillairen en door een hoog
gehalte aan myoglobine-met-zuurstof in de spiervezel zelf. Bij een lage zuurstofdruk (pO2)
komt er veel zuurstof uit de myoglobine beschikbaar, hierdoor kan de aerobe verbranding
korte tijd doorgaan. Energie voor contractie word vooral geleverd door de verbranding van
vetzuren. Die worden omgezet in CO2 en H2O. Deze vetverbranding levert veel ATP per gram
brandstof. Contractie van langzame spieren vergt weinig ATP per tijdseenheid. De natrium-
kaliumpomp en de calciumpomp gebruiken weinig energie. Hierdoor kan een contractie lang
worden volgehouden met een zuurstoftoevoer.
4.6.2: Snelle spiervezels
Snelle spiervezels zijn geschikt voor korte en krachtige inspanningen. Er liggen veel
myofibrillen naast elkaar. De vezel heeft hierdoor een groot diameter. Na prikkel ontstaat er
een snelle en korte contractie met veel kracht (fast twitch). Er is een hoge prikkelfrequentie
nodig voor een tetanische contractie. Ze zijn wit en hebben daardoor weinig capillairen in het
bindweefsel en dus ook bijna geen myoglobine. Energie wordt vooral geleverd door
glycolyse, de anaerobe afbraak van glucose en pyruvaat. Witte spiervezels hebben een
voorraad glucose in de vorm van glycogeen. Als er genoeg zuurstof is wordt pyruvaat verder
verwerkt in de citroenzuurcyclus. Als er weinig of geen zuurstof is wordt de pyruvaat
omgezet in lactaat. Zo kunnen de witte spiervezels ook zonder zuurstof prestatie leveren. Ze
zijn wel snel vermoeid fast twitch, fast fatiguable. Contractie vergt veel ATP. De natrium-
kaliumpomp en de calciumpomp gebruiken veel energie.