H1 P4
Duitsland
In 1918 trad de Duitse keizer af, Duitsland werd een republiek en kreeg een parlement die de hoogste
macht had. Economisch ging het met Duitsland nogal slecht vanwege het verdrag van Versailles (een
schadevergoeding). In 1923 lukte dat niet meer, de Duitse regering ging toen grote hoeveelheden
geld bij te drukken, het gevolg was een grote inflatie (dus alles steeg qua kosten). Duitsers konden
nauwelijks meer iets kopen. In 1924 leenden de VS geld aan Duitsland, daardoor kon de Duitse
economie zich herstellen. Veel Duitsers waren ook woedend op de politiek, ze kwamen in opstand
vanwege het verdrag van Versailles en ze vonden dat de parlementsleden te veel ruzie maakten en
niet aan oplossingen werkten (de economische crisis vergrootte dat verder). Na 1923 werd de situatie
beter.
Italië
Italië had meegevochten aan de kant van de geallieerden en hoopte op een forse beloning, maar het
grondgebied bleef hetzelfde. Economisch ging het heel slecht en er braken verschillende gewapende
opstanden uit. Zij hadden behoefte aan een sterke leider die de orde zou herstellen. De journalist
Benito Mussolini greep daarom zijn kans en vormde toen in 1919 een eigen legertje dat met veel
geweld socialisten aanviel en zo ‘orde’ probeerde te scheppen, (omdat hij nationalist was). Hij had
een eigen ideologie: fascisme. De kenmerken:
Nationalisme, de staat is het belangrijkste wat er is. Iedereen moet zich inzetten voor zijn
land.
Militarisme, oorlog is iets moois; elk land kan dan laten zien hoe krachtig het is.
Afkeer van de democratie, in plaats daarvan moet er één leider zijn, die weet wat het volk wil
en die bepaalt wat er gebeurt.
Afkeer van persoonlijke vrijheid, je moest hetzelfde denken, zelfde kleding…etc.
In 1922 werd Mussolini leider aan de Italiaanse regering. Vanaf 1925 was hij feitelijk dictator. Hij
verbood alle partijen behalve de fascistische en maakte een eind aan de parlementsverkiezingen in
Italië.
Turkije
In 1914 was het Ottomaanse rijk één land met diverse bevolkingen: Turkse, Arabische, Koerdische
moslims, joden en Griekse, Armeense en Syrische christenen. Tijdens de WOI zocht het land steun bij
Duitsland in 1914, waardoor ze automatisch bij de centralen hoorde, oftewel bij de verliezers in 1918.
Hun gevolgen waren:
Ze moesten afstand doen van het Midden-Oosten, dat werd nu bestuurd door Frankrijk en
Groot-Brittannië. De volgende landen werden gecreëerd: libanon, Syrië, Irak, Jordanië en
Israël.
De ottomanen kregen toen in 1923 het resterend land: Turkije. Ze waren daar ontevreden
mee en voerde daarom oorlog in 1921-1922, dit had succes en er werd een nieuwe
vredesregeling gemaakt: Lausanne (in 1923). Zij kregen toen Anatolië en het gebied rond
Istanbul.
, De sultan werd afgezet, Mustafa Kemal Atatürk stichtte toen de republiek Turkije. Hij wou dat het
land:
Alleen voor Turkse moslims was, geen anderen geloven of diverse bevolkingen
Verbood de taal en cultuur van Koerden
Hij wou een modern, westers land: het Arabische schrift ruilen tegen een Latijnse,
islamitische recht afschaffen, bestreed bepaalde tradities, beperkte de rol van religie in
het openbaar (zoals het dragen van traditionele kleding, vrouwen kregen stemrecht en
onderwijs
Turkije was officieel een parlementaire democratie, maar in de praktijk had Atatürk alle macht.
Nederland
Rond 1900 had Nederland zich niet aangesloten bij een van de bondgenootschappen in Europa. Het
was namelijk afhankelijk van de handel en omringende landen, ook was de regering bang om
Nederlands-Indië te verliezen. In 1914 raakte Nederland niet betrokken bij de oorlog, dit betekende
dat Nederland met beiden partijen kon handelen, want overal in Europa heerste schaarste. De
periode na 1918 ging het met Nederland rustig. De regering had ook plannen om Nederlands-Indië
beter te kunnen verdedigen. Zelf deed Nederland weinig om zijn landleger te versterken, velen
geloofden dat het land veilig was, zolang het maar neutraal bleef.
H2 P1
Door de industrialisatie was in de 19e eeuw een klassenmaatschappij ontstaan. De grootste groep, de
arbeidersklasse, was sterk afhankelijk van de eigenaren van de fabrieken, de ondernemers. De lonen
van de arbeiders werden zo laag mogelijk gehouden, omdat ze met elkaar moesten concurreren.
Arbeiders bleven dus arm, terwijl ondernemers rijk werden.
Rond 1850 kwam daarom het socialisme op, deed Duitse denker Karl Marx kwam op het idee. “Er zou
een toenemend ongelijkheid tussen ondernemers en arbeiders komen, arbeiders zouden massaal in
opstand komen. Ze zouden de klassenstrijd winnen en het privébezit afschaffen, het kapitaal (geld,
grond, machines…etc.) is voor iedereen!” mensen die ervoor waren heten: communisme.
Ook waren er de sociaaldemocraten, die wouden geen klassenstrijd, maar een invoering van sociale
wetten. Ze dachten dat er weinig zou gebeuren als je het privébezit zou afschaffen.
De eerste communistische revolutie vond plaats in Rusland rond 1900, dat was verassend, omdat
Rusland een agrarisch (landbouw, veeteelt) land was. Pas eind 19 e eeuw begon de industriële
revolutie in Rusland, daardoor had Rusland geen grote arbeidersklasse (om te werken) en ontstond er
een grote ongelijkheid en armoede. Rusland werd bestuurd door tsaren en met steun van adel en de
kerk. Iedereen die tegen hen was, werd tegengehouden door de geheime politie. Tsaar Nicolaas II
verloor in 1905 de oorlog tegen Japan waardoor meer ontevredenheid in het land was ontstaan. Er
ontstond in heel Rusland een opstand voor Sint-Petersburg, ze wouden kortere werkdagen en
algemeen kiesrecht. De tsaar behandelde dit met geweld aan. Om de rust alsnog te herstellen besloot
de tsaar een parlement in te voegen, maar alsnog hield hij de meeste macht.
Door de WOI waren er tekorten aan boeren en arbeiders, omdat ze die in het leger hadden gezet. In
1917 ontstonden stakingen en begon de Russische Revolutie, dit kende 3 fases: