Model van Schmid (theorie)...................................................................3
1
, 1 Input en stimulus identificatie............................................................3
2 Response selelction (keuzeproces).....................................................4
3 Motor Planning (responsprogrammering)...........................................5
4 Generalized Motor Program (GMP)......................................................5
5 Parameterisatie in Motorische Programma’s......................................6
6 Muscle initation/Spiercontractie; Motor Unit Rekrutering,
Spierinitiatie en Coördinatie..................................................................7
9 Output.................................................................................................9
Algemeen observeren..........................................................................11
Algemene driehoeken voor het observeren:........................................11
Volgorde observatie motoriek..............................................................12
1 Persoon omgeving en taak globaal omschrijven...............................12
2 Classificaties.....................................................................................12
3 Globale observatie............................................................................13
4 Gedetailleerde observatie.................................................................14
5 Spieranalyse.....................................................................................14
W1 Vertical Jump (VJ)...........................................................................15
Fases VJ + Observatiecriteria:..............................................................15
Spieranalyse VJ:...................................................................................16
W2 Standing Long Jump (SLJ)...............................................................17
Fases SLJ:.............................................................................................17
Spieranalyse SLJ:.................................................................................18
W3 Opstaan en gaan zitten.................................................................19
Fases van het Opstaan en gaan zitten:................................................19
Spieranalyse Opstaan en gaan zitten:.................................................21
W4 Reiken, grijpen, manipuleren en verplaatsen van één of
meerdere voorwerpen...........................................................22
Fases van het reiken, grijpen, manipuleren en verplaatsen van
één of meerdere voorwerpen:................................................22
Spieranalyse reiken, grijpen, manipuleren en verplaatsen van één of
meerdere voorwerpen:........................................................................24
W5 Ganganalyse (GA)............................................................25
Fases GA:.............................................................................25
Spieranalyse GA:..................................................................................27
2
, W6 Op en af stappen.............................................................29
Fases van het op en af stappen:..........................................................30
Spieranalyse van het Op en af stappen:..............................................31
W6 Feedforward, Feedback & Control.....................................32
Model van Schmid (theorie)
1 Input en stimulus identificatie
De eerste stap in bewegingscontrole is het detecteren en waarnemen van
zintuiglijke prikkels (input). Deze input wordt via verschillende sensoren
verwerkt tot een perceptie (stimulus identificatie).
Functies van Waarneming
Stimulus identificatie heeft drie functies in bewegingscontrole:
1. Anticipatie: Voorspellen wat, waar en wanneer iets gebeurt in de
omgeving. Dit wordt verwerkt voordat een actie nodig is
(feedforward sturing).
3
, 2. Monitoring: Tijdens de uitvoering van een beweging continu
controleren of deze volgens plan verloopt.
3. Correctie: Fouten corrigeren wanneer de uitvoering niet
overeenkomt met de gewenste actie.
Anticipatie
Goed anticiperen verkort reactietijd en verhoogt de effectiviteit. Drie
soorten anticipatie:
- Event anticipation: Voorspellen wat er gaat gebeuren, zoals een
tegenstander die een clear shot slaat in badminton.
- Spatial anticipation: Voorspellen waar iets zal gebeuren, zoals de
plek waar de shuttle zal landen.
- Temporal anticipation: Voorspellen wanneer iets zal gebeuren,
zoals het exacte moment waarop een bal wordt gegooid.
Monitoring en Feedbackloops
Monitoring: Tijdens een beweging vergelijken de hersenen de gewenste
beweging met de feitelijke uitvoering. Zolang de beweging binnen
acceptabele marges blijft, is correctie niet nodig.
Feedbackloops: Als de beweging fout gaat of de omgeving verandert,
worden correcties uitgevoerd:
- M1 (monosynaptische reflex): Snelle, eenvoudige reflex,
bijvoorbeeld verhoogde spierspanning binnen 30-50 ms.
- M2 (polysynaptische reflex): Complexere reflex, maar langzamer
(50-80 ms).
- M3 (top-down verwerking): Volledig doorlopen van de
informatieverwerkingscyclus, wat meer tijd kost (>100 ms).
Feedforward Sturing en Controle
- Feedforward sturing: Bewegingscommando’s worden vooruit
gepland en uitgevoerd zonder directe feedbackcorrectie. (Openloop)
- Feedbackcorrectie/controle: Alleen nodig bij afwijkingen of
onverwachte omstandigheden, afhankelijk van de tijdsduur en
complexiteit van de beweging. (Closed loop controle)
Conclusie
Stimulus identificatie is de eerste stap in bewegingscontrole. Het betekent
dat je hersenen informatie uit je zintuigen verzamelen en verwerken om te
begrijpen wat er om je heen gebeurt en waar je lichaam zich bevindt.
2 Response selelction (keuzeproces)
Stimulus-respons alternatieven:
- Het kiezen van een actie wordt beïnvloed door zowel interne
waarnemingen (bijv. dorst) als externe stimuli (bijv. omgeving).
- Hoe meer keuzemogelijkheden er zijn, hoe langer de reactietijd
4