Fiscaliteiten
De belastingen kunnen onderscheiden worden in:
● Belastingen op inkomen, vermogen en winst: directe belastingen, omdat ze direct
bij de belastingplichtige worden geheven (bedrijf of persoon)
● Kostprijsverhogende belastingen: zoals omzetbelasting en accijnzen, deze
indirecte belastingen hebben betrekking op het gebruik van goederen
Voor onroerend goed zijn de volgende belastingen van belang:
● inkomstenbelasting (Wet op de Inkomstenbelasting)
● vennootschapsbelasting (Wet op de Vennootschapsbelasting)
● omzetbelasting (Wet op de Omzetbelasting)
● erf- en schenkbelasting (Successiewet)
● belastingen van rechtsverkeer (Wet Belastingen van Rechtsverkeer)
● onroerende zaakbelasting (Gemeentewet en Wet Waardering Onroerende Zaken)
● watersysteemheffingen (Waterschapswet)
● baatbelasting (Gemeentewet)
● verhuurderheffing
In het belastingrecht onderscheiden we de volgende beginselen van heffing:
● Het draagkrachtbeginsel: de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.
Bijvoorbeeld de oplopende tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting
● Het profijtbeginsel: wie profiteert van overheidsvoorzieningen moet daarvoor
betalen. Bijvoorbeeld motorrijtuigenbelasting
● Het beginsel van de bevoorrechte verkrijging: in het geval iemand de loterij wint of
een erfenis verkrijgt moet er belasting betaald worden
● Het principe dat de vervuiler betaalt. Bijvoorbeeld accijnzen op benzine
Bronnen van het belastingrecht zijn:
● Belastingwetten
● Jurisprudentie
● Belastingverdragen
● EU-richtlijnen
● Beleidsregels
Voor het belastingrecht zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing:
● Het vertrouwensbeginsel: als burger moet je kunnen vertrouwen op de juistheid
van bijvoorbeeld een uitspraak van een belastinginspecteur
● Het gelijkheidsbeginsel: gevallen moeten altijd gelijk behandeld worden. Ongelijke
behandeling is alleen toegestaan als daarvoor objectief gezien een redelijke
rechtvaardigingsgrond voor is
● Het zorgvuldigheidsbeginsel: hiervoor geldt dat de belastingdienst de feiten
nauwgezet moet onderzoeken, belanghebbenden indien nodig gehoord moeten
worden en externe adviezen moeten worden ingewonnen alvorens een definitief
besluit kan worden genomen
● Het motiveringsbeginsel: zorgt ervoor dat de belastingdienst aan een burger een
genomen besluit dient toe te lichten
,Er wordt voor de heffting van belasting onderscheid gemaakt tussen een aanslag- en een
aangiftebelasting. Voor een aanslagbelasting, zoals de inkomstenbelasting, legt de
belastinginspecteur een aanslag op, veelal na aangifte door de belastingplichtige.
Bij een aangiftebelasting, zoals de omzetbelasting, geldt dat de belastingplichtige zelf de
hoogte van de belastingschuld moet bepalen en het betreffende bedrag moet betalen.
De budgettaire functie houdt in dat de opbrengst van de belastingheffing wordt gebruikt om
collectieve goederen en diensten te financieren. Bijvoorbeeld de politie, het wegennet etc.
Een andere functie is de instrumentele functie. Dit betekent dat de overheid de
belastingopbrengst als instrument gebruikt voor bijvoorbeeld inkomensverdeling
(verdelingsfunctie), bescherming van nationale bedrijvigheid (allocatiefunctie), het
beïnvloeden van het conjunctuurbeleid (stabilisatiefunctie) of het stimuleren van
milieuvriendelijk, gezond of sociaal gedrag (gedragseffecten).
De inkomstenbelasting wordt geheven van natuurlijke personen die in Nederland wonen of
die niet in Nederland wonen maar wel van Nederlands inkomen genieten.
Box 1
In box 1 wordt een progressief tarief inkomstenbelasting berekend over de inkomsten uit
werk en woning. Hier wordt onder andere onder verstaan:
● winst uit onderneming
● belastbare loon
● inkomsten uit overige werkzaamheden
● periodieke uitkeringen en verstrekkingen
● inkomsten eigen woning
● aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
● uitgaven voor inkomensvoorzieningen
● persoonsgebonden aftrek
In artikel 2.10 Wet IB 2001 staan de tarieven van Box 1
, Box 2
Als je aandelen hebt in een bedrijf, dan moet je daar belasting over betalen. Maar hoeveel
belasting je betaalt en in welke box dat valt, hangt af van hoeveel aandelen je hebt.
Heb je minstens 5% van de aandelen in een bedrijf? Dan zegt de Belastingdienst dat je
een aanmerkelijk belang hebt. Je valt dan in box 2. Alles wat je aan winst krijgt uit dat
bedrijf, bijvoorbeeld dividend (een deel van de winst die het bedrijf uitkeert aan jou als
aandeelhouder) of winst als je je aandelen verkoopt, wordt belast tegen een vast tarief
van 26,9%.
Maar voordat jij het dividend ontvangt, houdt het bedrijf alvast 15% dividendbelasting in.
Dat betekent dat je direct wat minder krijgt uitbetaald. Die 15% is een soort voorschot op
de belasting die je later moet betalen. Bij je jaarlijkse belastingaangifte wordt die 15% dan
verrekend met wat je in totaal moet afdragen.
Heb je minder dan 5% van de aandelen in een bedrijf? Dan heb je géén aanmerkelijk
belang, en valt je aandelenbezit in box 3. Daar betaal je belasting over een forfaitair
rendement, wat betekent dat de overheid doet alsof je een bepaald bedrag aan rendement
hebt gehad – ook al heb je dat in werkelijkheid misschien niet gekregen. De belasting in box
3 is dus op een schatting gebaseerd, niet op je echte opbrengst.
Kortom: heb je een flink aandeel in een bedrijf (vanaf 5%), dan betaal je belasting in box 2
over wat je écht krijgt, tegen 26,9%. Heb je een klein aandeel (minder dan 5%), dan val je in
box 3 en betaal je belasting over een geschat rendement.
En als je dividend krijgt, wordt er eerst 15% ingehouden, maar dat wordt later weer met je
uiteindelijke belasting verrekend.
Box 3
In box 3 betaal je belasting over je spaargeld, beleggingen en schulden die je hebt op 1
januari van het jaar. Dit noemen ze de peildatum. De Belastingdienst kijkt dus elk jaar op 1
januari naar hoeveel geld en bezittingen je hebt, en of je schulden hebt.
Ze verdelen je bezit in drie soorten:
1. Spaartegoeden en deposito’s – dus je spaargeld op de bank.
2. Overige bezittingen – zoals aandelen, obligaties, een tweede huis, of geld dat
iemand jou nog moet terugbetalen.
3. Schulden – dus geld dat jij moet terugbetalen aan iemand anders.
Over deze bezittingen rekent de Belastingdienst een forfaitair rendement. Dat betekent: ze
doen alsof jij een bepaald percentage aan winst maakt, ook als dat in werkelijkheid
misschien niet zo is. Hoeveel “winst” ze rekenen, hangt af van het soort bezit.
Daarna berekenen ze hoeveel belasting je moet betalen. Het belastingtarief in box 3 is 32%
van die fictieve (geschatte) winst.
De belastingen kunnen onderscheiden worden in:
● Belastingen op inkomen, vermogen en winst: directe belastingen, omdat ze direct
bij de belastingplichtige worden geheven (bedrijf of persoon)
● Kostprijsverhogende belastingen: zoals omzetbelasting en accijnzen, deze
indirecte belastingen hebben betrekking op het gebruik van goederen
Voor onroerend goed zijn de volgende belastingen van belang:
● inkomstenbelasting (Wet op de Inkomstenbelasting)
● vennootschapsbelasting (Wet op de Vennootschapsbelasting)
● omzetbelasting (Wet op de Omzetbelasting)
● erf- en schenkbelasting (Successiewet)
● belastingen van rechtsverkeer (Wet Belastingen van Rechtsverkeer)
● onroerende zaakbelasting (Gemeentewet en Wet Waardering Onroerende Zaken)
● watersysteemheffingen (Waterschapswet)
● baatbelasting (Gemeentewet)
● verhuurderheffing
In het belastingrecht onderscheiden we de volgende beginselen van heffing:
● Het draagkrachtbeginsel: de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.
Bijvoorbeeld de oplopende tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting
● Het profijtbeginsel: wie profiteert van overheidsvoorzieningen moet daarvoor
betalen. Bijvoorbeeld motorrijtuigenbelasting
● Het beginsel van de bevoorrechte verkrijging: in het geval iemand de loterij wint of
een erfenis verkrijgt moet er belasting betaald worden
● Het principe dat de vervuiler betaalt. Bijvoorbeeld accijnzen op benzine
Bronnen van het belastingrecht zijn:
● Belastingwetten
● Jurisprudentie
● Belastingverdragen
● EU-richtlijnen
● Beleidsregels
Voor het belastingrecht zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing:
● Het vertrouwensbeginsel: als burger moet je kunnen vertrouwen op de juistheid
van bijvoorbeeld een uitspraak van een belastinginspecteur
● Het gelijkheidsbeginsel: gevallen moeten altijd gelijk behandeld worden. Ongelijke
behandeling is alleen toegestaan als daarvoor objectief gezien een redelijke
rechtvaardigingsgrond voor is
● Het zorgvuldigheidsbeginsel: hiervoor geldt dat de belastingdienst de feiten
nauwgezet moet onderzoeken, belanghebbenden indien nodig gehoord moeten
worden en externe adviezen moeten worden ingewonnen alvorens een definitief
besluit kan worden genomen
● Het motiveringsbeginsel: zorgt ervoor dat de belastingdienst aan een burger een
genomen besluit dient toe te lichten
,Er wordt voor de heffting van belasting onderscheid gemaakt tussen een aanslag- en een
aangiftebelasting. Voor een aanslagbelasting, zoals de inkomstenbelasting, legt de
belastinginspecteur een aanslag op, veelal na aangifte door de belastingplichtige.
Bij een aangiftebelasting, zoals de omzetbelasting, geldt dat de belastingplichtige zelf de
hoogte van de belastingschuld moet bepalen en het betreffende bedrag moet betalen.
De budgettaire functie houdt in dat de opbrengst van de belastingheffing wordt gebruikt om
collectieve goederen en diensten te financieren. Bijvoorbeeld de politie, het wegennet etc.
Een andere functie is de instrumentele functie. Dit betekent dat de overheid de
belastingopbrengst als instrument gebruikt voor bijvoorbeeld inkomensverdeling
(verdelingsfunctie), bescherming van nationale bedrijvigheid (allocatiefunctie), het
beïnvloeden van het conjunctuurbeleid (stabilisatiefunctie) of het stimuleren van
milieuvriendelijk, gezond of sociaal gedrag (gedragseffecten).
De inkomstenbelasting wordt geheven van natuurlijke personen die in Nederland wonen of
die niet in Nederland wonen maar wel van Nederlands inkomen genieten.
Box 1
In box 1 wordt een progressief tarief inkomstenbelasting berekend over de inkomsten uit
werk en woning. Hier wordt onder andere onder verstaan:
● winst uit onderneming
● belastbare loon
● inkomsten uit overige werkzaamheden
● periodieke uitkeringen en verstrekkingen
● inkomsten eigen woning
● aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
● uitgaven voor inkomensvoorzieningen
● persoonsgebonden aftrek
In artikel 2.10 Wet IB 2001 staan de tarieven van Box 1
, Box 2
Als je aandelen hebt in een bedrijf, dan moet je daar belasting over betalen. Maar hoeveel
belasting je betaalt en in welke box dat valt, hangt af van hoeveel aandelen je hebt.
Heb je minstens 5% van de aandelen in een bedrijf? Dan zegt de Belastingdienst dat je
een aanmerkelijk belang hebt. Je valt dan in box 2. Alles wat je aan winst krijgt uit dat
bedrijf, bijvoorbeeld dividend (een deel van de winst die het bedrijf uitkeert aan jou als
aandeelhouder) of winst als je je aandelen verkoopt, wordt belast tegen een vast tarief
van 26,9%.
Maar voordat jij het dividend ontvangt, houdt het bedrijf alvast 15% dividendbelasting in.
Dat betekent dat je direct wat minder krijgt uitbetaald. Die 15% is een soort voorschot op
de belasting die je later moet betalen. Bij je jaarlijkse belastingaangifte wordt die 15% dan
verrekend met wat je in totaal moet afdragen.
Heb je minder dan 5% van de aandelen in een bedrijf? Dan heb je géén aanmerkelijk
belang, en valt je aandelenbezit in box 3. Daar betaal je belasting over een forfaitair
rendement, wat betekent dat de overheid doet alsof je een bepaald bedrag aan rendement
hebt gehad – ook al heb je dat in werkelijkheid misschien niet gekregen. De belasting in box
3 is dus op een schatting gebaseerd, niet op je echte opbrengst.
Kortom: heb je een flink aandeel in een bedrijf (vanaf 5%), dan betaal je belasting in box 2
over wat je écht krijgt, tegen 26,9%. Heb je een klein aandeel (minder dan 5%), dan val je in
box 3 en betaal je belasting over een geschat rendement.
En als je dividend krijgt, wordt er eerst 15% ingehouden, maar dat wordt later weer met je
uiteindelijke belasting verrekend.
Box 3
In box 3 betaal je belasting over je spaargeld, beleggingen en schulden die je hebt op 1
januari van het jaar. Dit noemen ze de peildatum. De Belastingdienst kijkt dus elk jaar op 1
januari naar hoeveel geld en bezittingen je hebt, en of je schulden hebt.
Ze verdelen je bezit in drie soorten:
1. Spaartegoeden en deposito’s – dus je spaargeld op de bank.
2. Overige bezittingen – zoals aandelen, obligaties, een tweede huis, of geld dat
iemand jou nog moet terugbetalen.
3. Schulden – dus geld dat jij moet terugbetalen aan iemand anders.
Over deze bezittingen rekent de Belastingdienst een forfaitair rendement. Dat betekent: ze
doen alsof jij een bepaald percentage aan winst maakt, ook als dat in werkelijkheid
misschien niet zo is. Hoeveel “winst” ze rekenen, hangt af van het soort bezit.
Daarna berekenen ze hoeveel belasting je moet betalen. Het belastingtarief in box 3 is 32%
van die fictieve (geschatte) winst.