9.1 - 9.2 enkelgewricht en spieren onderbeen
Latijnse termen
Nederlands Latijns
Condylus Knobbel
Epicondylus Knobbeltje op een knobbel
Posterior Achter
Anterior Voor
Internus Tussenin/binnenin
Externus Buitenste
Infra/inferior Onder
Supra/superior Boven
Tuberositas Ruwe verhevenheid
Hallux Grote teen
Bursa slijmbeurs
Substantia compacta: delen van het bot dat heel compact en zwaar is (aan de randen van het bot).
Substantia spongiosa: delen van het bot dat sponsachtig en licht is (in het midden van het bot).
Het bot is hier opgebouwd uit een stelsel van beenbalkjes.
Een bot kan op 2 manieren ontstaan.
Manier 1 ‘Desmale verbening’: de meeste botten van het schedel ontstaan zo. Bot wordt hierbij
direct gevormd uit bindweefsel.
Manier 2 ‘En(do)chondrale verbening’: (endo = in, chondros = kraakbeen) de meeste botten van het
skelet ontstaan zo. Hierbij worden tijdens de ontwikkeling van het embryo voorlopers van kraakbeen
langzaam omgezet in bot.
Epifysaire schijven: liggen tussen epifyse en diafyse in.
Periostale botvorming: botten worden dikker vanuit het periost (botvlies) waar veel bloedvaten en
zenuwen in zitten.
1 Gewrichtskraakbeen 6
2 Diafyse 3 7
3 Periost
4 Beenmerg
1
5 Bloedvat
6 Substantia compacta
7 Substantia spongiosa
5
8 Epifyse 4 10
9
9 Epifysairschijf
10 Mergholte
2 8
, Osteologie van het onderbeen
Nr. Latijn Nederlands
1 Os calcaneus hielbeen
2 Malleolus medialis Binnenste enkelknobbel
3 Malleolus lateralis Buitenste enkelknobbel
4 Fibula Kuitbeen
5 Tibia Scheenbeen
6 Phalanges pedis Teenkootjes
7 Ossa metatarsalia Middenvoetsbeentjes
8 Ossa tarsalia Voetwortelbeentjes
9 Talus Sprongbeen
10 Membrana interossae cruris Bindweefselvlies tussen de
botten van onderbeen
11 Tuberositas ossis metatarsi V Ruwe verhevenheid van
5de middenvoetsbeentje
8 7 6
9
……
Het enkelgewricht is op te delen in twee delen:
1. Superior talocruralis (onderste spronggewricht OSG)
2. Inferior talocruralis (bovenste spronggewricht BSG)
Het OSG bestaat uit:
1. Talus
2. Calcaneus
3. Os naviculare
Het BSG bestaat uit:
1. Talus
2. Tibia
3. Fibula