Sociologie
1.1 HC
Wat is sociologie?
1. Wetenschap van de maatschappij/samenleving
2. Wetenschap van de menselijke groep
3. Studie van sociale netwerken (sociale verbanden)
4. Wetenschap van de manieren waarop mensen met elkaar samenleven
Hoofdvragen van sociologie (Goudsblom)
- Wie hoort bij wie?
- Wie is de baas van wie?
- Wie doet wat en wie krijgt wat?
Sociale werkelijkheid
Het Thomas theorem: ‘if men define situations as real, they are real in their consequences.’ Als
mensen geloven dat iets waar is, beleven ze hier vaak ook de gevolgen van.
Waarom sociologie?
Hoe beter de gezondheids- en sociale problematiek index, hoe lager de inkomensongelijkheid. Wil jij
een cliënt helpen, dan zou je niet alleen de client, maar ook de omgeving moeten aanpassen.
3 Kernbegrippen
Interactie; het reageren op elkaar zodat het handelen van de een directe aanleiding is voor het
handelen van de ander. Weber: sociaal handelen; handelen georiënteerd op andere mensen.
Cultuur; het gedragsrepertoire en de denkbeelden die mensen aangeleerd hebben en die zij in een
bepaalde groep of samenleving gemeen hebben. Socialisatie: proces van cultuuroverdracht; het
leren, bedoeld en onbedoeld, door mensen aan en van andere mensen
Interdependentie; onderlinge afhankelijkheid en asymmetrische verhoudingen. Je bent afhankelijk
van anderen.
4 Soorten bindingen
Economische bindingen, politieke bindingen, affectieve bindingen, cognitieve bindingen.
2 regelmatigheden
Mondialisering; voortdurend proces van wereldwijde economische, politieke en culturele integratie.
Maatschappelijke differentiatie; een proces waarbij een aanvankelijk homogeen sociaal systeem
wordt opgedeeld in subsystemen met elk hun eigen functie, karakter en samenstelling.
1.3 HC
Sociale mobiliteit
De mate waarin mensen zich van de ene sociale positie naar de andere kunnen verplaatsen
(opwaarste en neerwaartse sociale mobiliteit)
- Intergenerationele sociale mobiliteit, de sociale positie van de ene generatie op de andere.
- Intragenerationele sociale mobiliteit, groei of vooruitgang ervaren binnen je eigen leven.
, Pierre Bourdieu (1930-2002)
Hoe kan het dat er in een meritocratie kans ongelijkheid bestaat?
Concepten: veld, habitus, economisch kapitaal, sociaal kapitaal, cultureel kapitaal.
Veld en habitus
Strijd over macht en middelen binnen elk veld; politiek, economie, religie, kunst, sport, wetenschap
en onderwijs.
Habitus: manier van waarnemen, handelen en denken waarmee je je kan handhaven en verder kan
komen in een veld.
Economisch kapitaal
De rijkdom, fysieke hulpbronnen en productiemiddelen van een individu die omgezet kunnen
worden in geld, eigendomsrechten en andere kapitaalvormen.
Sociaal kapitaal
De sociale netwerken, connecties en relaties die een persoon heeft
- Aantal mensen
- Bereidwilligheid
- Hulpbronnen
Cultureel kapitaal
Het geheel van kennis, cognitieve vaardigheden en opleiding van een persoon waarmee sociale
privileges bekregen of behouden kunnen worden. Dit heeft invloed op de sociale mobiliteit.
Sociaal en economisch kapitaal hangen af van cultureel kapitaal.
Distinctiezucht Bordieu
Beschrijft de manier waarop sociale klassen zich tot elkaar verhouden. Iemands culturele smaak is
niet een persoonlijke voorkeur, maar een uiting van de groep waartoe hij of zij behoort.
Meritocratie, Perverse gevolgen
Een maatschappijmodel waarin de sociaal-economische positie van elk individu is gebasseerd op zijn
of haar verdiensten (merites). Het gaat niet om de aanleg van iemand, maar wat hij of zij hiermee
doet.
De gevolgen van meritocratie zijn toenemende ongelijkheid, afnemende sociale mobiliteit en meer
sociale problemen.
1.5 HC
3 kernbegrippen van de sociologie
- Interactie
- Cultuur: nature/nurture
- Interdependentie
Distinctie theorie
- Veld
- Kapitaal; economisch, sociaal, cultureel
- Habitus
1.1 HC
Wat is sociologie?
1. Wetenschap van de maatschappij/samenleving
2. Wetenschap van de menselijke groep
3. Studie van sociale netwerken (sociale verbanden)
4. Wetenschap van de manieren waarop mensen met elkaar samenleven
Hoofdvragen van sociologie (Goudsblom)
- Wie hoort bij wie?
- Wie is de baas van wie?
- Wie doet wat en wie krijgt wat?
Sociale werkelijkheid
Het Thomas theorem: ‘if men define situations as real, they are real in their consequences.’ Als
mensen geloven dat iets waar is, beleven ze hier vaak ook de gevolgen van.
Waarom sociologie?
Hoe beter de gezondheids- en sociale problematiek index, hoe lager de inkomensongelijkheid. Wil jij
een cliënt helpen, dan zou je niet alleen de client, maar ook de omgeving moeten aanpassen.
3 Kernbegrippen
Interactie; het reageren op elkaar zodat het handelen van de een directe aanleiding is voor het
handelen van de ander. Weber: sociaal handelen; handelen georiënteerd op andere mensen.
Cultuur; het gedragsrepertoire en de denkbeelden die mensen aangeleerd hebben en die zij in een
bepaalde groep of samenleving gemeen hebben. Socialisatie: proces van cultuuroverdracht; het
leren, bedoeld en onbedoeld, door mensen aan en van andere mensen
Interdependentie; onderlinge afhankelijkheid en asymmetrische verhoudingen. Je bent afhankelijk
van anderen.
4 Soorten bindingen
Economische bindingen, politieke bindingen, affectieve bindingen, cognitieve bindingen.
2 regelmatigheden
Mondialisering; voortdurend proces van wereldwijde economische, politieke en culturele integratie.
Maatschappelijke differentiatie; een proces waarbij een aanvankelijk homogeen sociaal systeem
wordt opgedeeld in subsystemen met elk hun eigen functie, karakter en samenstelling.
1.3 HC
Sociale mobiliteit
De mate waarin mensen zich van de ene sociale positie naar de andere kunnen verplaatsen
(opwaarste en neerwaartse sociale mobiliteit)
- Intergenerationele sociale mobiliteit, de sociale positie van de ene generatie op de andere.
- Intragenerationele sociale mobiliteit, groei of vooruitgang ervaren binnen je eigen leven.
, Pierre Bourdieu (1930-2002)
Hoe kan het dat er in een meritocratie kans ongelijkheid bestaat?
Concepten: veld, habitus, economisch kapitaal, sociaal kapitaal, cultureel kapitaal.
Veld en habitus
Strijd over macht en middelen binnen elk veld; politiek, economie, religie, kunst, sport, wetenschap
en onderwijs.
Habitus: manier van waarnemen, handelen en denken waarmee je je kan handhaven en verder kan
komen in een veld.
Economisch kapitaal
De rijkdom, fysieke hulpbronnen en productiemiddelen van een individu die omgezet kunnen
worden in geld, eigendomsrechten en andere kapitaalvormen.
Sociaal kapitaal
De sociale netwerken, connecties en relaties die een persoon heeft
- Aantal mensen
- Bereidwilligheid
- Hulpbronnen
Cultureel kapitaal
Het geheel van kennis, cognitieve vaardigheden en opleiding van een persoon waarmee sociale
privileges bekregen of behouden kunnen worden. Dit heeft invloed op de sociale mobiliteit.
Sociaal en economisch kapitaal hangen af van cultureel kapitaal.
Distinctiezucht Bordieu
Beschrijft de manier waarop sociale klassen zich tot elkaar verhouden. Iemands culturele smaak is
niet een persoonlijke voorkeur, maar een uiting van de groep waartoe hij of zij behoort.
Meritocratie, Perverse gevolgen
Een maatschappijmodel waarin de sociaal-economische positie van elk individu is gebasseerd op zijn
of haar verdiensten (merites). Het gaat niet om de aanleg van iemand, maar wat hij of zij hiermee
doet.
De gevolgen van meritocratie zijn toenemende ongelijkheid, afnemende sociale mobiliteit en meer
sociale problemen.
1.5 HC
3 kernbegrippen van de sociologie
- Interactie
- Cultuur: nature/nurture
- Interdependentie
Distinctie theorie
- Veld
- Kapitaal; economisch, sociaal, cultureel
- Habitus