Samenvatting en toetsmatrijs
Ethiek in Sociaal werk
Boek: De meerkeuzetoets toetst de volgende stof uit Ethiek in sociaal
werk, Jacquelien Rothfusz, 5e editie 2024
De kennistoets heeft betrekking op het volgende criterium van
leeruitkomst B4 Morele dilemma's signaleren:
De professional signaleert morele dilemma’s. De professional
analyseert een dilemma op systematische wijze en maakt deze
bespreekbaar met anderen om inzicht in het eigen handelen te krijgen. De
professional stelt zich moreel sensitief op, is zich bewust van
diversiteitsaspecten en reflecteert op eigen waarden en normen. Op grond
van de beroepscode van het sociaal domein weegt de professional
botsende waarden, normen en belangen af en geeft daarin betekenis aan
de eigen professionele standpunten.
Op basis van het volgende criterium, zijn onderstaande leerdoelen
ontwikkeld:
De professional signaleert morele dilemma’s. De professional
analyseert een dilemma.
Toetsmatrijs kennistoets Morele dilemma's signaleren
Leerdoel Kenni Begri Totaal
s p
1. Moraal en sociaal werk 10 5 15
2. Normatieve theorieën 10 5 15
3. In gesprek over morele 10 5 15
problemen
4. Sociaal werk in context 10 5 15
60
vragen
,Inhoud
Hoofdstuk 1 Moraal en sociaal werk 1.1 t/m 1.6 en 1.8 t/m 1.9...................3
1.1.............................................................................................................3
1.2 Signaleren van morele problemen......................................................5
1.3 Moraal.................................................................................................6
1.4 Waarden, normen en deugden............................................................6
1.5 Intuïtieve moraal.................................................................................8
1.6 Ethiek..................................................................................................8
1.8 De normatieve professional................................................................9
Hoofdstuk 2 Normatieve theorieën 2.1 t/m 2.3 en 2.5...............................10
2.1 –........................................................................................................10
Hoofdstuk 3 In gesprek over morele problemen 3.1 t/m 3.6 en 3.8...........15
3.1...........................................................................................................15
3.2...........................................................................................................16
3.3...........................................................................................................17
3.4...........................................................................................................19
3.5...........................................................................................................21
3.6...........................................................................................................21
Hoofdstuk 4 Sociaal werk in context 4.1 t/m 4.4........................................23
4.1 -.........................................................................................................23
Begrippenlijst:............................................................................................26
Hoofdstuk 1:............................................................................................26
Hoofdstuk 2.............................................................................................28
Hoofdstuk 3:............................................................................................29
Hoofdstuk 4:............................................................................................30
, Hoofdstuk 1 Moraal en sociaal werk 1.1 t/m
1.6 en 1.8 t/m 1.9
1. Moraal en sociaal werk. De student kan de betekenis en relevantie
van normatieve professionaliteit toelichten, verschillende niveaus van
morele kwesties (micro-, meso- en macroniveau) onderscheiden, morele
vragen voor sociaal werkers herkennen, basisbegrippen zoals ‘moraal’,
‘ethiek’, ‘waarden’, ‘normen’ en ‘deugden’ beschrijven en verschillende
intuïtieve moralen onderscheiden.
1.1
Sociaal werkers beschikken over technisch-instrumentele
professionaliteit: sociaal werkers die beschikken over de juiste kennis,
kunde en professionele vaardigheden (zijn effectief en efficiënt in het
bereiken van hun doelen.
Maar ook als ze hierover beschikken, moeten ze zich daarnaast afvragen
of ze goed werk doen: of hun werk bijdraagt aan de centrale waarden, en
of ze handelen volgens de daaraan gekoppelde normen (de op waarden
gebaseerde handelingsvoorschriften.
- Waarden: (abstracte) begrippen die omschrijven wat mensen
waardevol vinden en waarnaar zij streven. Het zijn idealen die
wezenlijk zijn voor de kwaliteit van het leven en het beroep.
Voorbeelden: rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid, vrijheid,
naastenliefde.
- Normen: concreter dan waarden. Het zijn handelingsvoorschriften
die laten zien hoe je moet handelen. Voorbeeld: de waarde
'naastenliefde' kan uitgewerkt worden in de norm dat een persoon
zijn zieke moeder dagelijks bezoekt, terwijl het voor een ander
betekent
begri definitie voorbeeld
p
waard Ideaal dat wezenlijk is voor de kwaliteit van het respect
e leven en het beroep.
norm handelingsvoorschrift "je mag niet
liegen."
deugd Goede eigenschap die de handelwijze van de Integriteit
mens bepaald.
Integriteit: het trouw blijven aan je eigen morele en ethische principes,
wat inhoudt dat je eerlijk, betrouwbaar en consistent bent in je woorden
en daden, zelfs als dit niet in je voordeel is.
Efficiënt werken is alleen waardevol als je efficiënt aan de
juiste doelen werkt.
Ethiek in Sociaal werk
Boek: De meerkeuzetoets toetst de volgende stof uit Ethiek in sociaal
werk, Jacquelien Rothfusz, 5e editie 2024
De kennistoets heeft betrekking op het volgende criterium van
leeruitkomst B4 Morele dilemma's signaleren:
De professional signaleert morele dilemma’s. De professional
analyseert een dilemma op systematische wijze en maakt deze
bespreekbaar met anderen om inzicht in het eigen handelen te krijgen. De
professional stelt zich moreel sensitief op, is zich bewust van
diversiteitsaspecten en reflecteert op eigen waarden en normen. Op grond
van de beroepscode van het sociaal domein weegt de professional
botsende waarden, normen en belangen af en geeft daarin betekenis aan
de eigen professionele standpunten.
Op basis van het volgende criterium, zijn onderstaande leerdoelen
ontwikkeld:
De professional signaleert morele dilemma’s. De professional
analyseert een dilemma.
Toetsmatrijs kennistoets Morele dilemma's signaleren
Leerdoel Kenni Begri Totaal
s p
1. Moraal en sociaal werk 10 5 15
2. Normatieve theorieën 10 5 15
3. In gesprek over morele 10 5 15
problemen
4. Sociaal werk in context 10 5 15
60
vragen
,Inhoud
Hoofdstuk 1 Moraal en sociaal werk 1.1 t/m 1.6 en 1.8 t/m 1.9...................3
1.1.............................................................................................................3
1.2 Signaleren van morele problemen......................................................5
1.3 Moraal.................................................................................................6
1.4 Waarden, normen en deugden............................................................6
1.5 Intuïtieve moraal.................................................................................8
1.6 Ethiek..................................................................................................8
1.8 De normatieve professional................................................................9
Hoofdstuk 2 Normatieve theorieën 2.1 t/m 2.3 en 2.5...............................10
2.1 –........................................................................................................10
Hoofdstuk 3 In gesprek over morele problemen 3.1 t/m 3.6 en 3.8...........15
3.1...........................................................................................................15
3.2...........................................................................................................16
3.3...........................................................................................................17
3.4...........................................................................................................19
3.5...........................................................................................................21
3.6...........................................................................................................21
Hoofdstuk 4 Sociaal werk in context 4.1 t/m 4.4........................................23
4.1 -.........................................................................................................23
Begrippenlijst:............................................................................................26
Hoofdstuk 1:............................................................................................26
Hoofdstuk 2.............................................................................................28
Hoofdstuk 3:............................................................................................29
Hoofdstuk 4:............................................................................................30
, Hoofdstuk 1 Moraal en sociaal werk 1.1 t/m
1.6 en 1.8 t/m 1.9
1. Moraal en sociaal werk. De student kan de betekenis en relevantie
van normatieve professionaliteit toelichten, verschillende niveaus van
morele kwesties (micro-, meso- en macroniveau) onderscheiden, morele
vragen voor sociaal werkers herkennen, basisbegrippen zoals ‘moraal’,
‘ethiek’, ‘waarden’, ‘normen’ en ‘deugden’ beschrijven en verschillende
intuïtieve moralen onderscheiden.
1.1
Sociaal werkers beschikken over technisch-instrumentele
professionaliteit: sociaal werkers die beschikken over de juiste kennis,
kunde en professionele vaardigheden (zijn effectief en efficiënt in het
bereiken van hun doelen.
Maar ook als ze hierover beschikken, moeten ze zich daarnaast afvragen
of ze goed werk doen: of hun werk bijdraagt aan de centrale waarden, en
of ze handelen volgens de daaraan gekoppelde normen (de op waarden
gebaseerde handelingsvoorschriften.
- Waarden: (abstracte) begrippen die omschrijven wat mensen
waardevol vinden en waarnaar zij streven. Het zijn idealen die
wezenlijk zijn voor de kwaliteit van het leven en het beroep.
Voorbeelden: rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid, vrijheid,
naastenliefde.
- Normen: concreter dan waarden. Het zijn handelingsvoorschriften
die laten zien hoe je moet handelen. Voorbeeld: de waarde
'naastenliefde' kan uitgewerkt worden in de norm dat een persoon
zijn zieke moeder dagelijks bezoekt, terwijl het voor een ander
betekent
begri definitie voorbeeld
p
waard Ideaal dat wezenlijk is voor de kwaliteit van het respect
e leven en het beroep.
norm handelingsvoorschrift "je mag niet
liegen."
deugd Goede eigenschap die de handelwijze van de Integriteit
mens bepaald.
Integriteit: het trouw blijven aan je eigen morele en ethische principes,
wat inhoudt dat je eerlijk, betrouwbaar en consistent bent in je woorden
en daden, zelfs als dit niet in je voordeel is.
Efficiënt werken is alleen waardevol als je efficiënt aan de
juiste doelen werkt.