EZ2
Samenvatting kennistoets
Hoorcollege 1
Mogelijke functiestoornissen bij CNA
Neurologische sensomotorische functiestoornissen, 4 S’en:
• Spierkracht (“sterkte”)
• Sturing (selectiviteit, coördinatie, motorische controle, stabiliteit)
o Kunnen we willekeurig de goede spieren aanspannen?
• Spiertonus (hyper-/hypotonie, slapte, spasme, rigiditeit, paratonie)
• Sensibiliteit (vitaal-gnostisch en proprioceptief)
o Hij/zij voelt niet wat hij/zij gaat doen
En ook: houdingsregulatie/ automatische reacties/balans
Overige relevante functiestoornissen
• Atrogene/ myogene mobiliteitsbeperking → (P/A)ROM
• Visueel
• (Motorische) planning
• Spraak, taal/ begrip/ emotie
• Leercapaciteit
• Uithoudingsvermogen
Contextuele factoren
Contextuele factoren
• Persoonlijkheid
• Aandacht/concentratie
• Thuissituatie
• Cognitieve/ emotionele factoren
• Etc.
Klinimetrie
Doel klinimetrie: objectief in kaart brengen problematische handeling/ activiteit en eventueel onderliggende
functiestoornissen.
Klinimetrie kan op 3 manieren worden ingezet:
1. Prognostisch
2. Diagnostisch
3. Evaluatief
Fysiotherapeutische diagnose
Een fysiotherapeutische diagnose bevat in elk geval de volgende onderdelen:
• Functioneringsproblemen van de patiënt in termen van activiteit, participatie en stoornissen
(oordeelfysiotherapeut)
• Beloop
• Wijze van omgang met het functioneringsprobleem (oordeel fysiotherapeut)
• Hulpvraag en de relevante behandelbare grootheden
• Indicatie voor fysiotherapie (ja/nee)
• Verwacht herstel (al dan niet in code)
Lesdoelen: n.v.t.
,Hoorcollege 2
De cortex cerebri (hersenschors) is het neo-niveau.
Functies:
• Weloverwogen keuzes maken, nadenken, plannen, doelen stellen
• Bewegen
• Voelen
• Spreken
• Horen
• Zien
• Taal
De cortex cerebri bestaat uit verschillende gebieden die worden gescheiden door een groeve; de sulcus
centralis.
• Voorkant:
o Motorische schors
o Functie: actie
o Driehoek van Luria
• Achterkant:
o Sensorische schors
o Functie: waarneming
,Bewegen toegelicht:
Prefrontaal kies je om te gaan bewegen, de laatste stap voor het uitvoeren van deze beweging gebeurt in de
primaire motorische schors.
Deze primaire motorische schors ligt naar de sulcus centralis, aan de voorkant. Het bevat een ordening
genaamd de homunculus.
Je hebt een primaire motorische homunculus en een somatosensorische homunculus, oftewel
somatosensorische schors.
De primaire motorische schors en somatosensorische schors worden gescheiden door de sulcus centralis.
Motoriek en sensoriek hebben relatie met elkaar en vormen samen de sensomotorische kring.
Je kan op ieder moment in de kring instappen.
Voorbeeld begin motorisch:
Prefrontaal maak je een keuze wat je gaat doen (M3, tertiaire motorische schors), via daar ga je programmeren
hoe je dit moet doen (M2, secundaire motorische schors) en vervolgens ga je het uitvoeren (M1 primaire
motorische schors)
, Deze informatie gaan naar de spieren, je beweegt.
Vanuit de spieren, de beweging, gaat er informatie terug naar de primaire somatosensorische schors (S1).
Informatie komt binnen bij de homunculus. Deze informatie wordt geanalyseerd in de secundaire
somatosensorische schors (S2) en gekoppeld aan wat je ziet, hoort, ruikt, proeft, etc. in de tertiaire motorische
schors (S3).
In de tertiaire somatosensorische schors kan eventueel een andere keuze gemaakt worden, waarna je de cirkel
weer vanaf motorisch doorloopt.
Voorbeeld begin sensorisch:
Je zit in de tuin en voelt iets op je hand kriebelen, je zit onder de boom dus het zou een blaadje kunnen zijn.
De tast komt binnen en wordt geanalyseerd (S1, primaire somatosensorische schors).
Zijspoor: Als je de kriebel van een blaadje eerder hebt gevoeld en je het dus herkend, hoeft de hele kring niet
doorlopen te worden, maar kan het ook gelijk door naar een motorisch programma. → Ik voel iets kriebelen,
het is een blaadje, ik schud mijn hand.
Je hebt de hand geschud, maar de kriebel gaat niet weg. De secundaire somatosensorische schors analyseert de
informatie (S2). Het wordt doorgestuurd naar de tertiaire motorische schors. Hier wordt informatie vanuit de
geanalyseerde informatie binnen (S3).
Dus: je kijkt naar je hand en ziet dat het geen blaadje is, maar een spin. Dit signaal wordt via het emotionele
centrum, het limbisch systeem, gestuurd wat beoordeeld of het een gevaarlijke prikkel is ja of nee.
We gaan ervan uit dat de spin geen probleem is, je wil een bewuste keuze maken wat je gaat doen. De prikkel
gaat door naar de prefrontale cortex (M3, tertiaire motorische schors). Je besluit de spin te vangen, op te staan
en hem in de bosjes vrij te laten.
Hij gaat weer naar het programmeren (M2, secundaire motorische schors). Een spin vangen doe je niet elke
dag, dus je moet er bewust over nadenken. Het opstaan uit de stoel heb je wel al geleerd en hoeft dus niet met
de cortex, maar wordt uitbesteed aan de basale kernen, paleo niveau.
Zowel het bewuste programma uit de cortex als het automatische programma uit de basale kernen wordt naar
de primaire motorische schors (M1) gestuurd, waarna je de actie uitvoert.
Het cerebellum coördineert hierbij alle bewegingen, zodat ze soepel verlopen.
Het sturen van informatie vanuit de primaire motorische schors naar het ruggenmerg gebeurt door 2 groepen
neuronen:
• Centraal motorisch neuron (CMN)
o = Primaire motorische schors
o Liggen in de cortex cerebri
• Perifeer motorisch neuron (PMN)
o Liggen in de medulla spinalis (ruggenmerg)
Let op: beide neuronen liggen in het centrale zenuwstelsel.
De verbinding tussen de CMN en PMN is een baan, de tractus corticospinalis (piramidebaan). Deze baan speelt
een rol bij het reguleren van vrijwillige spierbewegingen, middels facilitatie en inhibitie van het PMN.
Alpha-motorneuronen
• Verantwoordelijk voor het aanspannen van skeletspieren
Samenvatting kennistoets
Hoorcollege 1
Mogelijke functiestoornissen bij CNA
Neurologische sensomotorische functiestoornissen, 4 S’en:
• Spierkracht (“sterkte”)
• Sturing (selectiviteit, coördinatie, motorische controle, stabiliteit)
o Kunnen we willekeurig de goede spieren aanspannen?
• Spiertonus (hyper-/hypotonie, slapte, spasme, rigiditeit, paratonie)
• Sensibiliteit (vitaal-gnostisch en proprioceptief)
o Hij/zij voelt niet wat hij/zij gaat doen
En ook: houdingsregulatie/ automatische reacties/balans
Overige relevante functiestoornissen
• Atrogene/ myogene mobiliteitsbeperking → (P/A)ROM
• Visueel
• (Motorische) planning
• Spraak, taal/ begrip/ emotie
• Leercapaciteit
• Uithoudingsvermogen
Contextuele factoren
Contextuele factoren
• Persoonlijkheid
• Aandacht/concentratie
• Thuissituatie
• Cognitieve/ emotionele factoren
• Etc.
Klinimetrie
Doel klinimetrie: objectief in kaart brengen problematische handeling/ activiteit en eventueel onderliggende
functiestoornissen.
Klinimetrie kan op 3 manieren worden ingezet:
1. Prognostisch
2. Diagnostisch
3. Evaluatief
Fysiotherapeutische diagnose
Een fysiotherapeutische diagnose bevat in elk geval de volgende onderdelen:
• Functioneringsproblemen van de patiënt in termen van activiteit, participatie en stoornissen
(oordeelfysiotherapeut)
• Beloop
• Wijze van omgang met het functioneringsprobleem (oordeel fysiotherapeut)
• Hulpvraag en de relevante behandelbare grootheden
• Indicatie voor fysiotherapie (ja/nee)
• Verwacht herstel (al dan niet in code)
Lesdoelen: n.v.t.
,Hoorcollege 2
De cortex cerebri (hersenschors) is het neo-niveau.
Functies:
• Weloverwogen keuzes maken, nadenken, plannen, doelen stellen
• Bewegen
• Voelen
• Spreken
• Horen
• Zien
• Taal
De cortex cerebri bestaat uit verschillende gebieden die worden gescheiden door een groeve; de sulcus
centralis.
• Voorkant:
o Motorische schors
o Functie: actie
o Driehoek van Luria
• Achterkant:
o Sensorische schors
o Functie: waarneming
,Bewegen toegelicht:
Prefrontaal kies je om te gaan bewegen, de laatste stap voor het uitvoeren van deze beweging gebeurt in de
primaire motorische schors.
Deze primaire motorische schors ligt naar de sulcus centralis, aan de voorkant. Het bevat een ordening
genaamd de homunculus.
Je hebt een primaire motorische homunculus en een somatosensorische homunculus, oftewel
somatosensorische schors.
De primaire motorische schors en somatosensorische schors worden gescheiden door de sulcus centralis.
Motoriek en sensoriek hebben relatie met elkaar en vormen samen de sensomotorische kring.
Je kan op ieder moment in de kring instappen.
Voorbeeld begin motorisch:
Prefrontaal maak je een keuze wat je gaat doen (M3, tertiaire motorische schors), via daar ga je programmeren
hoe je dit moet doen (M2, secundaire motorische schors) en vervolgens ga je het uitvoeren (M1 primaire
motorische schors)
, Deze informatie gaan naar de spieren, je beweegt.
Vanuit de spieren, de beweging, gaat er informatie terug naar de primaire somatosensorische schors (S1).
Informatie komt binnen bij de homunculus. Deze informatie wordt geanalyseerd in de secundaire
somatosensorische schors (S2) en gekoppeld aan wat je ziet, hoort, ruikt, proeft, etc. in de tertiaire motorische
schors (S3).
In de tertiaire somatosensorische schors kan eventueel een andere keuze gemaakt worden, waarna je de cirkel
weer vanaf motorisch doorloopt.
Voorbeeld begin sensorisch:
Je zit in de tuin en voelt iets op je hand kriebelen, je zit onder de boom dus het zou een blaadje kunnen zijn.
De tast komt binnen en wordt geanalyseerd (S1, primaire somatosensorische schors).
Zijspoor: Als je de kriebel van een blaadje eerder hebt gevoeld en je het dus herkend, hoeft de hele kring niet
doorlopen te worden, maar kan het ook gelijk door naar een motorisch programma. → Ik voel iets kriebelen,
het is een blaadje, ik schud mijn hand.
Je hebt de hand geschud, maar de kriebel gaat niet weg. De secundaire somatosensorische schors analyseert de
informatie (S2). Het wordt doorgestuurd naar de tertiaire motorische schors. Hier wordt informatie vanuit de
geanalyseerde informatie binnen (S3).
Dus: je kijkt naar je hand en ziet dat het geen blaadje is, maar een spin. Dit signaal wordt via het emotionele
centrum, het limbisch systeem, gestuurd wat beoordeeld of het een gevaarlijke prikkel is ja of nee.
We gaan ervan uit dat de spin geen probleem is, je wil een bewuste keuze maken wat je gaat doen. De prikkel
gaat door naar de prefrontale cortex (M3, tertiaire motorische schors). Je besluit de spin te vangen, op te staan
en hem in de bosjes vrij te laten.
Hij gaat weer naar het programmeren (M2, secundaire motorische schors). Een spin vangen doe je niet elke
dag, dus je moet er bewust over nadenken. Het opstaan uit de stoel heb je wel al geleerd en hoeft dus niet met
de cortex, maar wordt uitbesteed aan de basale kernen, paleo niveau.
Zowel het bewuste programma uit de cortex als het automatische programma uit de basale kernen wordt naar
de primaire motorische schors (M1) gestuurd, waarna je de actie uitvoert.
Het cerebellum coördineert hierbij alle bewegingen, zodat ze soepel verlopen.
Het sturen van informatie vanuit de primaire motorische schors naar het ruggenmerg gebeurt door 2 groepen
neuronen:
• Centraal motorisch neuron (CMN)
o = Primaire motorische schors
o Liggen in de cortex cerebri
• Perifeer motorisch neuron (PMN)
o Liggen in de medulla spinalis (ruggenmerg)
Let op: beide neuronen liggen in het centrale zenuwstelsel.
De verbinding tussen de CMN en PMN is een baan, de tractus corticospinalis (piramidebaan). Deze baan speelt
een rol bij het reguleren van vrijwillige spierbewegingen, middels facilitatie en inhibitie van het PMN.
Alpha-motorneuronen
• Verantwoordelijk voor het aanspannen van skeletspieren