Lesweek 1: introductie bestuursrecht en verkrijging
bestuursbevoegdheden
Bestuursrecht -> regelt de rechten en plichten die de overheid en burgers
ren opzichte van elkaar hebben
In het bestuursrecht draait het om de verhouding tussen overheid
en burger -> zij hebben wederzijdse rechten en plichten tegenover
elkaar
Overheid: het hoogste gezag op een bepaald grondgebied
De overheid in NL bestaat niet uit een instantie, maar uit een veelheid van
instanties die tezamen de overheid vormen
Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen 3 functies van de
overheid (trias politica):
Wetgeving
Uitvoering
Rechtspraak
Deze controleren elkaar door middel van ‘checks and balances’
Betekenis van de overheid in het bestuursrecht -> het gaat dan om de
overheid voor zover die zich bezighoudt met het besturen van de
samenleving -> die beperking heeft 2 aspecten:
De wetgevende en de rechterlijke macht vallen erbuiten
Vervolging en berechting van strafbare feiten zijn toebedeeld aan
het OM en de strafrechter (deze taken vallen binnen het strafrecht
niet binnen het bestuursrecht)
Dus: als we kijken naar de overheid in het bestuursrecht bedoelen
we daarmee de uitvoerende macht, inclusief haar regelgevende
activiteiten, maar exclusief de vervolging en bestraffing van
strafbare feiten
Burger: individuele personen (die in het recht veelal worden aangeduid als
natuurlijke personen) -> onder burger worden ook rechtspersonen
gerekend
Plichten van de burger ten opzichte van de overheid (burger moet iets
doen of laten):
Geboden (bv. de verplichting om belasting te betalen of leerplicht)
- De uitzondering is vrijstelling
Verboden (bv. vuurwerk verbod)
- De uitzondering (toestemming) is een vergunning
Rechten van de burger ten opzichte van de overheid (overheid moet iets
doen of laten):
Aanspraken (bv. als je ziek bent heb je aanspraak op een
ziektewetuitkering)
- De uitzondering is uitsluiting
, Vrijheden (bv. het recht op privacy)
- Een uitzondering is een beperking
De rechten en plichten van de overheid zijn het spiegelbeeld van die van
de burger -> zo zijn de rechten van de overheid ook aanspraken (bv. recht
op het belastingen geld) en vrijheden (bv. het recht dat de burger niet
zomaar kan bouwen) en de plichten van de overheid ook geboden (bv. de
plicht om uitkeringen te verstrekken) en verboden (bv. de plicht om
privacy te respecteren)
Wat is de legitimiteit van de machtspositie van de overheid (waarop
berust de macht van de overheid)? Hoe is de macht van de overheid
genormeerd?
Het praktische antwoord is dat de bevoegdheid is genormeerd door
allerlei wettelijke bepalingen
Het principiële antwoord is dat NL een democratische rechtsstaat is
Kenmerken democratische rechtsstaat:
Machtenscheiding
Grondrechten
Legaliteitsbeginsel
Onafhankelijke rechter
De reikwijdte van het legaliteitsbeginsel -> ‘ieder overheidsoptreden
berust op een daaraan voorafgegane regel. Dat die regel gemaakt mag
worden, moet in de Grondwet staan’
De vrijheid die de wet de overheid vaak biedt, omdat de criteria op grond
waarvan een bestuursorgaan een bevoegdheid kan toepassen vaag zijn, is
nooit onbeperkt -> ‘bevoegden moeten worden uitgeoefend binnen de
grenzen van het redelijke’ -> oftewel: als de wet de overheid weinig bindt,
zoals bij beslissingen over het wel of niet verlenen van een vergunning,
dan dient het overheidsorgaan dat de beslissing moet nemen, zich te laten
leiden door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
(gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en
evenredigheidsbeginsel)
Toezicht en handhaving -> erop toezien en afdwingen dat regels worden
nageleefd
Rechtsbescherming -> burgers kunnen overheid dwingen om zich aan de
regels te houden
Onderscheid tussen rechtsregels:
Geschreven versus ongeschreven rechtsregels
Wetten in formele zin versus besluiten
- Een wet wordt gemaakt door de wetgevende macht en besluiten
worden genomen door bestuursorganen
Originaire versus gedelegeerde regelgeving
Algemeen versus bijzonder bestuursrecht (belangrijkste
onderscheid)
, - Het algemene bestuursrecht is te vinden in de Awb, deze bevat
regels die voor het hele bestuursrecht van belang zijn
Regels van nationaal versus internationaal recht
Algemene wet bestuursrecht (Awb): algemene (spel)regels die voor het
gehele bestuursrecht gelden
Bijzondere bestuursrechtelijke wetten: wetgeving over specifieke
bestuursrechtelijke wetgeving
Art. 8:1 Awb -> een belanghebbende kan tegen een besluit beroep
instellen bij de bestuursrechter (binnen de termijn van 6 weken)
Hoe verhoudt de Awb zich ten opzichte van andere bestuursrechtelijke
wetgeving:
Dwingend recht
Aanvullend recht
Semi-dwingend / regelend recht
Facultatief recht
Gelegde normstelling: constructie waarbij de toepasselijkheid van een
rechtsregel niet enkel uit de wet is af te leiden, maar in een combinatie
met andere, lagere regelingen
Het verkrijgen en uitoefenen van bestuursbevoegdheden:
Attributie (art. 10:22 Awb) -> het scheppen van nieuwe
bevoegdheden
- Verantwoordelijkheid ligt bij het bestuursorgaan dat de
bevoegdheid krijgt
Delegatie (art. 10:13 e.v. Awb) -> overdragen van een bestaande
bestuursbevoegdheid aan een ander bestuursorgaan
- Delegeerder verliest de bevoegdheid, nieuwe orgaan is zelf
verantwoordelijk
Mandaat (art. 10:1 e.v. Awb) -> bevoegdheid (die al bestaat) om in
naam van het bestuursorgaan besluiten te nemen -> machtiging
zonder overdracht van verantwoordelijkheid
- Oorspronkelijk bestuursorgaan blijft verantwoordelijk