CORRELATIONEEL ONDERZOEK
HC4
Correlationeel onderzoek = onderzoekers kijken naar relaties (samenhang) tussen
eigenschappen
C Construct theoretische begrippen : de kenmerken die de onderzoeker van de
s mensen wil weten en meten en waartussen er een verband verwacht
wordt
A Associati verband/relatie : de onderzoeker geeft aan wat voor soort relatie er
on verwacht wordt
P Populatio groep mensen (of dieren of objecten) die de onderzoeker wilt onderzoeken
n
S Setting specifieke plek/locatie waar het onderzoek zich op richt
Richting van de relatie -> negatief/dalend of positief/stijgend
Causaliteit = oorzaak-gevolg verband
1. Covariance (covariantie)
Er moet een relatie zijn tussen de oorzaak en het gevolg
2. Temporal precedence (volgorde in tijd)
De oorzaak moet in tijd voorafgaan aan het gvolg
3. Internal validity (interne validiteit)
Alternatieve verklaringen voor de gevonden relatie moeten zijn uitgesloten
Dataverzamelingsmethoden:
Observatiestudies
o feitelijk gedrag te observeren: kijken, luisteren, beoordelen (systematisch)
o Toepassingen;
Antwoord geven op bijvoorbeeld een hoe-vraag
Een onderwerp onderzoeken waar nog weinig over bekend is
Personen of fenomenen in hun natuurlijke setting bestuderen
Bestaande data / big data
Vragenlijsten (surveys)
o Wordt gebruikt om gedrag, houding, kennis, vaardigheden, opinies of andere
persoonskenmerken te meten
o Met een vragenlijst stel je meerdere vragen over hetzelfde onderwerp
Hierdoor meet je nauwkeuriger
Kunnen verschillende aspecten van hetzelfde theoretische begrip worden
gemeten (aspecten vormen samen een theoretisch begrip)
Kwalitatief: Kwantitatief:
Observeren: De kinderen rijden rondjes op de 9 van de 10 kinderen hebben op
skelter, ze vinden dit leuk, ze lachten. een skelter gereden.
Bestaande Aantekeningen van de leerkrachten CITO volgsysteem groepen 1-8
data: van de groepen 1-8 over de
werkhouding
van de leerling
Kenmerken:
Fysieke kenmerken
o Eenvoudig te meten (lengte, gewicht, etc.) -> meetinstrumenten bestaan vaak al
Theoretische begrippen
o Moeten meetbaar gemaakt worden (plezier, agressie, etc.) -> bestaan ook al
steeds meer (RSES, IQ-test)
Operationaliseren:
1. Conceptuele definitie = begrip/constructs definiëren = wat
, 2. Operationele definitie = meetinstrumenten kiezen = hoe
Als een kenmerk is geoperationaliseerd -> variabele
- Neemt numerieke waarden aan
- Varieert van persoon tot persoon
Likert schaal = sterk oneens, oneens, eens, sterk eens -> zijn verbonden aan nummers
Schaalscore = wanneer verschillende antwoorden worden samengevoegd (0 tot 100, 0 tot
30, etc.)
Verschillende variabelen resulteren in verschillende soorten waarden -> getallen
vertegenwoordigen geen hoeveelheden maar verschillende categorieën = categorische
variabelen
Kwantitatieve variabelen = waarden staan wel voor een hoeveelheid
Inferentie = onderzoekers willen hun
onderzoek kunnen generaliseren naar een grote
groep mensen (populatie)
Externe validiteit = generaliseren bij de hele
populatie
Interne validiteit = binnen het onderzoek
Generaliseren:
- De populatie duidelijk definiëren
- Gebruik maken van een aselecte steekproef
Aselecte steekproef: Selecte steekproef:
Mensen worden geselecteerd op basis - Niet gebaseerd op kansen→ kan
van toeval/kans vertekening veroorzaken (bias)
Steekproef representatief voor hele - Generaliseren niet/nauwelijks mogelijk -
populatie -> generaliseren mogelijk - > Externe validiteit laag
> hoge externe validiteit
Enkelvoudige aselecte steekproef:
Lijst nodig van iedereen in de populatie
Gebruik computer om willekeurig participanten te selecteren -> mensen kunnen niet
willekeurig zijn
Definitie:
o Elke participant dezelfde kans om geselecteerd te worden
o Elke combinatie van participanten heeft dezelfde kans
Steekproef fouten:
Dekkingsfouten kunnen een vertekening van de
werkelijkheid veroorzaken
Non-response = niet meedoen aan onderzoek
Bepaalde mensen reageren juist wel
Kleine fouten maken niet uit
Grote fouten wel -> als het deel wat niet gedekt wordt
echt anders denken
Als groepen in aantallen heel erg verschillen of als ze
systematisch van elkaar verschillen -> hoe zorg je ervoor dat de
kleine groepen ook vertegenwoordigd worden?
Gestratificeerde steekproef = combinatie
van meerdere enkelvoudige aselecte
steekproeven getrokken uit subgroepen
(stratum) in de populatie
Stratificeren = verdelen in subgroepen
HC4
Correlationeel onderzoek = onderzoekers kijken naar relaties (samenhang) tussen
eigenschappen
C Construct theoretische begrippen : de kenmerken die de onderzoeker van de
s mensen wil weten en meten en waartussen er een verband verwacht
wordt
A Associati verband/relatie : de onderzoeker geeft aan wat voor soort relatie er
on verwacht wordt
P Populatio groep mensen (of dieren of objecten) die de onderzoeker wilt onderzoeken
n
S Setting specifieke plek/locatie waar het onderzoek zich op richt
Richting van de relatie -> negatief/dalend of positief/stijgend
Causaliteit = oorzaak-gevolg verband
1. Covariance (covariantie)
Er moet een relatie zijn tussen de oorzaak en het gevolg
2. Temporal precedence (volgorde in tijd)
De oorzaak moet in tijd voorafgaan aan het gvolg
3. Internal validity (interne validiteit)
Alternatieve verklaringen voor de gevonden relatie moeten zijn uitgesloten
Dataverzamelingsmethoden:
Observatiestudies
o feitelijk gedrag te observeren: kijken, luisteren, beoordelen (systematisch)
o Toepassingen;
Antwoord geven op bijvoorbeeld een hoe-vraag
Een onderwerp onderzoeken waar nog weinig over bekend is
Personen of fenomenen in hun natuurlijke setting bestuderen
Bestaande data / big data
Vragenlijsten (surveys)
o Wordt gebruikt om gedrag, houding, kennis, vaardigheden, opinies of andere
persoonskenmerken te meten
o Met een vragenlijst stel je meerdere vragen over hetzelfde onderwerp
Hierdoor meet je nauwkeuriger
Kunnen verschillende aspecten van hetzelfde theoretische begrip worden
gemeten (aspecten vormen samen een theoretisch begrip)
Kwalitatief: Kwantitatief:
Observeren: De kinderen rijden rondjes op de 9 van de 10 kinderen hebben op
skelter, ze vinden dit leuk, ze lachten. een skelter gereden.
Bestaande Aantekeningen van de leerkrachten CITO volgsysteem groepen 1-8
data: van de groepen 1-8 over de
werkhouding
van de leerling
Kenmerken:
Fysieke kenmerken
o Eenvoudig te meten (lengte, gewicht, etc.) -> meetinstrumenten bestaan vaak al
Theoretische begrippen
o Moeten meetbaar gemaakt worden (plezier, agressie, etc.) -> bestaan ook al
steeds meer (RSES, IQ-test)
Operationaliseren:
1. Conceptuele definitie = begrip/constructs definiëren = wat
, 2. Operationele definitie = meetinstrumenten kiezen = hoe
Als een kenmerk is geoperationaliseerd -> variabele
- Neemt numerieke waarden aan
- Varieert van persoon tot persoon
Likert schaal = sterk oneens, oneens, eens, sterk eens -> zijn verbonden aan nummers
Schaalscore = wanneer verschillende antwoorden worden samengevoegd (0 tot 100, 0 tot
30, etc.)
Verschillende variabelen resulteren in verschillende soorten waarden -> getallen
vertegenwoordigen geen hoeveelheden maar verschillende categorieën = categorische
variabelen
Kwantitatieve variabelen = waarden staan wel voor een hoeveelheid
Inferentie = onderzoekers willen hun
onderzoek kunnen generaliseren naar een grote
groep mensen (populatie)
Externe validiteit = generaliseren bij de hele
populatie
Interne validiteit = binnen het onderzoek
Generaliseren:
- De populatie duidelijk definiëren
- Gebruik maken van een aselecte steekproef
Aselecte steekproef: Selecte steekproef:
Mensen worden geselecteerd op basis - Niet gebaseerd op kansen→ kan
van toeval/kans vertekening veroorzaken (bias)
Steekproef representatief voor hele - Generaliseren niet/nauwelijks mogelijk -
populatie -> generaliseren mogelijk - > Externe validiteit laag
> hoge externe validiteit
Enkelvoudige aselecte steekproef:
Lijst nodig van iedereen in de populatie
Gebruik computer om willekeurig participanten te selecteren -> mensen kunnen niet
willekeurig zijn
Definitie:
o Elke participant dezelfde kans om geselecteerd te worden
o Elke combinatie van participanten heeft dezelfde kans
Steekproef fouten:
Dekkingsfouten kunnen een vertekening van de
werkelijkheid veroorzaken
Non-response = niet meedoen aan onderzoek
Bepaalde mensen reageren juist wel
Kleine fouten maken niet uit
Grote fouten wel -> als het deel wat niet gedekt wordt
echt anders denken
Als groepen in aantallen heel erg verschillen of als ze
systematisch van elkaar verschillen -> hoe zorg je ervoor dat de
kleine groepen ook vertegenwoordigd worden?
Gestratificeerde steekproef = combinatie
van meerdere enkelvoudige aselecte
steekproeven getrokken uit subgroepen
(stratum) in de populatie
Stratificeren = verdelen in subgroepen