Vragen
HC Week 1
1. De vrije kasstroom bepaalt de netto-vermogensbehoefte van een onderneming.
2. De financiële structuur van een onderneming geeft de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen
aan.
3. De contante waarde van bedrag wordt berekend met behulp van een disconteringsvoet.
4. De eindwaarde is altijd groter dan de contante waarde.
5. De overname van Bol.com heeft Ahold € 350 mln gekost.
6. Een investering kan worden beoordeeld op basis van de gemiddelde terugverdienperiode.
7. De overnameprijs voor een bedrijf kan niet worden berekend.
8. Een rentevergoeding geeft een dekking voor gelopen risico
Berekeningen
Bert wil over 5 jaar € 20.000 beschikbaar hebben. Hoeveel geld moet hij vandaag op een spaarrekening bij de
ING zetten als die 1,8% samengestelde intrest op jaarbasis geeft?
A. € 16,949
B. € 18.200
C. € 18.293
D. € 18.518
WC Week 1
1. De verandering in de post liquide middelen op de eindbalans ten opzichte van de beginbalans wordt
verklaard door de mutatie in het netto-werkkapitaal.
2. De restwaarde van een project leidt tot een positieve liquidatiekasstroom.
3. Secundaire geldstromen worden bij investeringsselectie achterwege gelaten.
4. De GBR methode is niet kasstroomgericht.
5. De ETP methode houdt rekening met tijdvoorkeur
6. Hoe hoger de annuïteit, hoe beter het project.
7. Bij de IR-methode is de ETP gelijk aan 0.
8. Rendementseisen van VV-vermogensverschaffers bestaan uit een rentevergoeding en
aflossingsmogelijkheden.
WC1 Week 2
1. De beursgang van Facebook was een voorbeeld van een Initial Public Offering.
2. De eigen vermogensfictie houdt geen rekening met de kosten van vreemd vermogen bij de NCW-
methode.
3. De GBR methode bepaalt op basis van kasstromen het gemiddelde rendement.
4. Bij de uitkering van een agiobonus is sprake van herkapitalisatie.
5. Een ‘green-shoe-optie’ biedt de underwriter de mogelijkheid om meer aandelen te verkopen dan
vooraf is afgesproken.
6. De herbeleggingsvoet is een disconteringsvoet die wordt gebruikt bij het vrijvallen van kasstromen.
7. Subsidies kunnen de netto contante waarde verhogen.
8. De gebruikte disconteringsvoet is bij de IR gelijk aan die bij de NCW.
WC2 Week 2
1. Het probleem van verschillende looptijden kan worden opgelost door het ‘oprekken’ van de looptijd of
door de annuïteitenmethode.
2. Een winstgevendheidsindex van 1 betekent een netto-contante waarde van 0.
3. Bij een investering in projecten onderscheiden we initiële-, operationele- en liquidatiekasstromen.
4. Bij het beoordelen van projecten worden de belastingen buiten beschouwing gelaten.
5. Bij afnemerskrediet ontvangt de leverancier krediet van de afnemer.
6. Achtergestelde leningen worden tot het zogenaamde ‘tier-1’ kapitaal gerekend.
7. De eigen vermogensfictie houdt geen rekening met de kosten van vreemd vermogen.
8. Het aggregatievraagstuk laat zien dat bij de NCW - methode afzonderlijke uitkomsten niet bij elkaar
mogen worden opgeteld.
HC Week 1
1. De vrije kasstroom bepaalt de netto-vermogensbehoefte van een onderneming.
2. De financiële structuur van een onderneming geeft de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen
aan.
3. De contante waarde van bedrag wordt berekend met behulp van een disconteringsvoet.
4. De eindwaarde is altijd groter dan de contante waarde.
5. De overname van Bol.com heeft Ahold € 350 mln gekost.
6. Een investering kan worden beoordeeld op basis van de gemiddelde terugverdienperiode.
7. De overnameprijs voor een bedrijf kan niet worden berekend.
8. Een rentevergoeding geeft een dekking voor gelopen risico
Berekeningen
Bert wil over 5 jaar € 20.000 beschikbaar hebben. Hoeveel geld moet hij vandaag op een spaarrekening bij de
ING zetten als die 1,8% samengestelde intrest op jaarbasis geeft?
A. € 16,949
B. € 18.200
C. € 18.293
D. € 18.518
WC Week 1
1. De verandering in de post liquide middelen op de eindbalans ten opzichte van de beginbalans wordt
verklaard door de mutatie in het netto-werkkapitaal.
2. De restwaarde van een project leidt tot een positieve liquidatiekasstroom.
3. Secundaire geldstromen worden bij investeringsselectie achterwege gelaten.
4. De GBR methode is niet kasstroomgericht.
5. De ETP methode houdt rekening met tijdvoorkeur
6. Hoe hoger de annuïteit, hoe beter het project.
7. Bij de IR-methode is de ETP gelijk aan 0.
8. Rendementseisen van VV-vermogensverschaffers bestaan uit een rentevergoeding en
aflossingsmogelijkheden.
WC1 Week 2
1. De beursgang van Facebook was een voorbeeld van een Initial Public Offering.
2. De eigen vermogensfictie houdt geen rekening met de kosten van vreemd vermogen bij de NCW-
methode.
3. De GBR methode bepaalt op basis van kasstromen het gemiddelde rendement.
4. Bij de uitkering van een agiobonus is sprake van herkapitalisatie.
5. Een ‘green-shoe-optie’ biedt de underwriter de mogelijkheid om meer aandelen te verkopen dan
vooraf is afgesproken.
6. De herbeleggingsvoet is een disconteringsvoet die wordt gebruikt bij het vrijvallen van kasstromen.
7. Subsidies kunnen de netto contante waarde verhogen.
8. De gebruikte disconteringsvoet is bij de IR gelijk aan die bij de NCW.
WC2 Week 2
1. Het probleem van verschillende looptijden kan worden opgelost door het ‘oprekken’ van de looptijd of
door de annuïteitenmethode.
2. Een winstgevendheidsindex van 1 betekent een netto-contante waarde van 0.
3. Bij een investering in projecten onderscheiden we initiële-, operationele- en liquidatiekasstromen.
4. Bij het beoordelen van projecten worden de belastingen buiten beschouwing gelaten.
5. Bij afnemerskrediet ontvangt de leverancier krediet van de afnemer.
6. Achtergestelde leningen worden tot het zogenaamde ‘tier-1’ kapitaal gerekend.
7. De eigen vermogensfictie houdt geen rekening met de kosten van vreemd vermogen.
8. Het aggregatievraagstuk laat zien dat bij de NCW - methode afzonderlijke uitkomsten niet bij elkaar
mogen worden opgeteld.