Identiteit
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 2
HC1: Introductie Communicatie & Identiteit...................................................................2
HC2: Introductie Sociale Identiteitstheorie (SIT).............................................................4
Week 2.......................................................................................................... 6
HC3: SIT; Macht, Communicatie, Identiteit en Informatieverwerking..............................6
HC4: Imago(schade), rechtvaardigheid en organisatieverandering................................9
Week 3........................................................................................................ 13
HC5: Taalgebruik en identiteit......................................................................................13
HC6: Leiderschap en identiteit......................................................................................16
Week 4........................................................................................................ 18
HC7: Moraliteit en identiteit.......................................................................................... 18
HC8: Morele ontkoppeling.............................................................................................22
Week 5........................................................................................................ 24
HC9: Gender (on)gelijkheid op de werkvloer.................................................................24
HC10: Sociale onveiligheid op de werkvloer.................................................................27
Week 6........................................................................................................ 30
HC11: Pesten op het werk.............................................................................................30
HC12: Diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid (DIG)..................................................33
,Week 1
HC1: Introductie Communicatie & Identiteit
Identiteit: het gevoel van persoonlijke eenheid (wordt vaak gezien als iets
dat hangt aan de individu). Bij dit vak is juist het idee dat het aspect van
sociale identiteit; je ontleent je identiteit aan een groep(en). Identiteit kan
niet los gezien worden van groepslidmaatschap. Mensen streven naar een
positieve (sociale) identiteit. Als ze die niet hebben gaan ze proberen daar
wat aan te ‘doen’. Vaak is dat ‘doen’ een andere vorm van communicatie.
Communicatie vormt de identiteit en identiteit beïnvloedt de
communicatie. Dit is vaak afhankelijk van de ‘situatie’.
Communicatie = De uitwisseling van symbolische informatie, die
plaatsvindt tussen mensen die zich bewust zijn van elkaars aanwezigheid,
onmiddellijk of gemedieerd. Deze informatie wordt deels bewust, deels
onbewust gegeven, ontvangen en geïnterpreteerd.
Organisatorische communicatie = Het proces waarbij individuen
betekenis stimuleren in de hoofden van andere individuen door middel van
verbale of non-verbale boodschappen in de context van een formele
organisatie.
Het proces van communiceren
De zender speelt een actieve rol in het overbrengen van de boodschap
door deze:
- Goed te coderen (bijv. vermijden of gebruiken van jargon,
eenvoudig en duidelijk formuleren (KISS – Keep It Short and Simple)
- Een geschikt medium kiezen (e-mail vs. persoonlijk gesprek)
- Controleren of boodschap is aangekomen en begrepen
- Ruis verminderen, zoals misverstanden of technische problemen,
en te zorgen voor mogelijkheden om vragen te stellen
Communicatieproblemen in organisatie
Er zijn verschillende factoren die communicatie in organisatie
bemoeilijken:
- Hiërarchie en organisatiestructuur: Kunnen leiden tot
vervorming of miscommunicatie
, - Informatieoverload: Te veel informatie kan leiden tot verwarring
of inefficiëntie
- Cultuurverschillen tussen afdelingen of professies
- Communicatieklimaat (open vs. gesloten) speelt een cruciale rol.
In een open en ondersteunende cultuur is communicatie effectiever
dan in een defensieve, gesloten cultuur.
Informatieverwerking en gedrag
De manier waarop mensen informatie verwerken, is sterk afhankelijk van
psychologische processen. Cognitieve biases, zoals stereotypen en
besluitvormingsfouten, kunnen de interpretatie van informatie verstoren.
Cognitie = De mentale activiteit en het proces van kennisverwerving
door waarnemen en het verwerken van de daarmee opgedane informatie
door het denken.
Elaboration Likelihood Model (Petty & Caciopoo)
Beschrijft hoe motivatie en bekwaamheid de route bepalen die mensen
volgen om informatie te verwerken. Als de mensen niet gemotiveerd zijn
of de bekwaamheid missen, nemen ze de perifere route, waarbij
oppervlakkige cues leiden tot attitudeverandering. Als ze gemotiveerd en
bekwaam zijn, kiezen ze de centrale route, wat tot dieper begrip en
meer blijvende attitudeverandering kan leiden.
Barrières voor motivatie
- Negatieve informatie, vaststaande meningen of het gevoel dat de
informatie de eigen identiteit bedreigt.
- Dubieuze bronnen, tijdsdruk of te veel informatie.
, HC2: Introductie Sociale Identiteitstheorie (SIT)
De sociale identiteitstheorie onderzoekt hoe mensen hun identiteit
ontlenen aan de groepen waartoe ze behoren, en hoe dat hun gedrag
beïnvloedt.
Organisational Citizenship Behavior (OCB) = Gedrag dat gunstig is
voor de organisatie maar strikt genomen niet afgedwongen kan worden
(bijv. teamuitjes organiseren).
Sociale identiteit
- Sociale identiteit is het deel van het zelfbeeld van een individu dat
voortkomt uit hun lidmaatschap van sociale groepen. Volgens Tajfel
(1978) wordt de waarde en emotionele betekenis van dit
lidmaatschap van een groep cruciaal voor het zelfbeeld
- Mensen hebben de neiging om hun eigen groep positief af te
schilderen en zich te onderscheiden van andere groepen om een
positieve identiteit te handhaven. Dit streven naar positieve
distinctiviteit (het onderscheiden van de eigen groep als beter of
uniek) is een belangrijke motivatie achter gedrag in social
contexten.
Minimal Group Paradigm (Tajfel (1971)
- Tajfel’s experimenten toonden aan dat het simpelweg indelen van
mensen in groepen op basis van arbitraire criteria voldoende is om
discriminatie te laten ontstaan tussen die groepen. Zelfs als er
geen duidelijke verschillen of belangenconflicten zijn, leidt het feit
dat er twee groepen bestaan al tot bevooroordeling van de eigen
groep (ingroup favoritisme) en mogelijk benadeling van de andere
groep (outgroup discriminatie).
- Dit paradigma laat zien dat vooroordelen en groepsdiscriminatie
diep geworteld zijn in het menselijke gedrag, zelfs in de afwezigheid
van substantiële verschillen tussen de groepen. Dit suggereert dat in
“echte” groepen, waar mensen vaak sterke emoties en belangen
hebben, deze effecten nog veel sterker kunnen zijn.
Sociale categorisatie
Mensen ordenen anderen automatisch in groepen op basis van
waarneembare kenmerken zoals kleding, taal en cultuur. Dit proces van
sociale categorisatie leidt tot assimilatie binnen groepen (mensen
binnen dezelfde groep worden als gelijk beschouwd) en contrast tussen
groepen (de verschillen tussen groepen worden benadrukt). Dit kan
leiden tot stereotypen en groepsdiscriminatie (e.g. tarty girls).
Sociale vergelijking en identificatie
- Door zich te vergelijken met andere groepen, proberen mensen de
waarde van hun eigen groep vast te stellen. Dit proces van sociale
vergelijking leidt vaak tot een toekenning van een hoge status
aan de eigen groep, wat mensen hun zelfbeeld versterken.