Grammatica Italiaans periode 2
Hst 21: Ci e ne
! Bijna alle voorzetsels kun je vervangen door ci.
VB:
- Ik ga naar Rome. – Vado a Roma. Voorzetsel met een beweging.
- Morgen ga ik er heen. – Ci vado domani.
- Ik ga naar Italië. – Vado in Italia.
- Ik ga er heen. – Ci vado.
- Ik ga naar Luigi. – Vado da Luigi.
- Ik ga er heen. – Ci vado.
Het voorzetsel DI vervang je door NE en ook wanneer DA betekent: uit, vandaan.
- Hij praat altijd over voetbal. – Parla sempre di calcio.
- Hij praat er altijd over. – Ne parla sempre.
- Ik heb er een kilo van gekocht. – Ne ho comprato un chilo.
Getal + hoeveelheid = Ne.
Hst 22: Imperfetto
- Een herhaalde handeling (vanaf jongs af aan, ging ik…)
- Een beschrijving van een persoon/ding/landschap (bruin haar hebben)
- Een gewoonte (zoals elke dag koffie drinken)
- Een omstandigheid (we zijn gaan slapen), iets wat a/d gang is (Ik sliep nog toen je
belde)
- Een feit/situatie uit het verleden (Het was een donkere nacht).
- Na het woord mentre en 2 handelingen in het verleden die beschreven worden.
(Terwijl ik de krant las, keek mijn broer tv)
PORTAR VEDERE PARTIR
E E
Io Portavo Vedevo Partivo
Tu Portavi Vedevi Partivi
lui/lei/Lei Portava Vedeva Partiva
Noi Portavam Vedevamo Partivam
o o
Voi Portavate Vedevate Partivate
Loro Portavano Vedevano Partivan
o
ONREGELMATIGE WW:
ESSERE AVERE BERE DIRE FARE TRADURRE
Io Ero Avevo Bevevo Dicevo Facevo Traducevo
Tu Eri Avevi Bevevi Dicevi Facevi Traducevi
lui/lei/Lei Era Aveva Beveva Diceva Faceva Traduceve
Noi Eravamo avevamo Bevevam Dicevamo Facevamo Traduceva
o mo
Voi Eravate Avevate Bevevate Dicevate Facevate Traducevat
e
Loro Erano avevano Bevevano Dicevano Facevano Traducevan
, o
Hst 23: Imperfetto e passato prossimo
• De imperfetto: Onvoltooid. Iets wat aan de gang is.
• Passato prossimo: Voltooid. Het is niet meer aan de gang.
VB: Mentro dormivo, paolo ha suanato alla porta.
Ha suanato is een eenmalige handeling.
Zinnen met reden/oorzaak Imperfetto. De gevolg van die reden Passato prossimo.
VB: Non mi sentivo bene e perciò non sono andata alla festa.
Hst 24: Congiunzioni subordinative: appena, perché, siccome
• Appena – zodra
- Zodra ik thuis ben, bel ik je. – Appena arrivo a casa, ti chiamo.
• Dato che, perché, poiche, siccome – aangezien, omdat. (siccome = aangezien kan
alleen aan het begin van de zin, perché = omdat alleen in het midden)
- Aangezien ik koorts heb, blijf ik thuis. – Resto a casa perché ho la febbre.
• Dopo che – Nadat.
- Nadat de kinderen hun huiswerk af hadden, nam mama hen mee om te spelen in de
tuin. – Dopo che i bambini avevano fatto i compiti, la mamma li ha portati a giocare in
giardino.
• Finché – zolang als.
- Zolang als er sneeuw ligt, ga ik elk weekend skiën. – Finché c’è neve vado a sciare
ogni fine settimana.
• Fino a quando – tot aan wanneer.
- Tot aan wanneer denk jij te werken op dit tempo? – Fino a quando pensi di
continuare a lavorare a questi ritmi?
• Mentre – Terwijl.
- Terwijl ik eet, kijk ik het journaal. - Mentre ceno guardo il telegiornale.
• Quando – Toen, wanneer
- Toen Giorgio klein was, woonde hij in Palermo. – Quando Giorgio era piccolo,
abitava a Palermo.
• Na QUALCHE ALTIJD enkelvoud!!!
Hst 25: Pronomi indiretti (p. 171)
Het persoonlijk vnw als meewerkend voorwerp.
1e persoon: mi = a VB: Mi dai una caramella? Geef je me
Singolare me een snoepje? (AAN MIJ)
2e persoon: ti = a te
3e persoon: gli = a Vb: Le regliamo una cinta. Ik geef (AAN)
lui haar een riem.
le = a
lei Mamma, ci racconti una favola? Mama,
Le = a vertel je (AAN) ons een verhaaltje/sprookje?
Lei
1e persoon: ci = a
Plurale noi
Hst 21: Ci e ne
! Bijna alle voorzetsels kun je vervangen door ci.
VB:
- Ik ga naar Rome. – Vado a Roma. Voorzetsel met een beweging.
- Morgen ga ik er heen. – Ci vado domani.
- Ik ga naar Italië. – Vado in Italia.
- Ik ga er heen. – Ci vado.
- Ik ga naar Luigi. – Vado da Luigi.
- Ik ga er heen. – Ci vado.
Het voorzetsel DI vervang je door NE en ook wanneer DA betekent: uit, vandaan.
- Hij praat altijd over voetbal. – Parla sempre di calcio.
- Hij praat er altijd over. – Ne parla sempre.
- Ik heb er een kilo van gekocht. – Ne ho comprato un chilo.
Getal + hoeveelheid = Ne.
Hst 22: Imperfetto
- Een herhaalde handeling (vanaf jongs af aan, ging ik…)
- Een beschrijving van een persoon/ding/landschap (bruin haar hebben)
- Een gewoonte (zoals elke dag koffie drinken)
- Een omstandigheid (we zijn gaan slapen), iets wat a/d gang is (Ik sliep nog toen je
belde)
- Een feit/situatie uit het verleden (Het was een donkere nacht).
- Na het woord mentre en 2 handelingen in het verleden die beschreven worden.
(Terwijl ik de krant las, keek mijn broer tv)
PORTAR VEDERE PARTIR
E E
Io Portavo Vedevo Partivo
Tu Portavi Vedevi Partivi
lui/lei/Lei Portava Vedeva Partiva
Noi Portavam Vedevamo Partivam
o o
Voi Portavate Vedevate Partivate
Loro Portavano Vedevano Partivan
o
ONREGELMATIGE WW:
ESSERE AVERE BERE DIRE FARE TRADURRE
Io Ero Avevo Bevevo Dicevo Facevo Traducevo
Tu Eri Avevi Bevevi Dicevi Facevi Traducevi
lui/lei/Lei Era Aveva Beveva Diceva Faceva Traduceve
Noi Eravamo avevamo Bevevam Dicevamo Facevamo Traduceva
o mo
Voi Eravate Avevate Bevevate Dicevate Facevate Traducevat
e
Loro Erano avevano Bevevano Dicevano Facevano Traducevan
, o
Hst 23: Imperfetto e passato prossimo
• De imperfetto: Onvoltooid. Iets wat aan de gang is.
• Passato prossimo: Voltooid. Het is niet meer aan de gang.
VB: Mentro dormivo, paolo ha suanato alla porta.
Ha suanato is een eenmalige handeling.
Zinnen met reden/oorzaak Imperfetto. De gevolg van die reden Passato prossimo.
VB: Non mi sentivo bene e perciò non sono andata alla festa.
Hst 24: Congiunzioni subordinative: appena, perché, siccome
• Appena – zodra
- Zodra ik thuis ben, bel ik je. – Appena arrivo a casa, ti chiamo.
• Dato che, perché, poiche, siccome – aangezien, omdat. (siccome = aangezien kan
alleen aan het begin van de zin, perché = omdat alleen in het midden)
- Aangezien ik koorts heb, blijf ik thuis. – Resto a casa perché ho la febbre.
• Dopo che – Nadat.
- Nadat de kinderen hun huiswerk af hadden, nam mama hen mee om te spelen in de
tuin. – Dopo che i bambini avevano fatto i compiti, la mamma li ha portati a giocare in
giardino.
• Finché – zolang als.
- Zolang als er sneeuw ligt, ga ik elk weekend skiën. – Finché c’è neve vado a sciare
ogni fine settimana.
• Fino a quando – tot aan wanneer.
- Tot aan wanneer denk jij te werken op dit tempo? – Fino a quando pensi di
continuare a lavorare a questi ritmi?
• Mentre – Terwijl.
- Terwijl ik eet, kijk ik het journaal. - Mentre ceno guardo il telegiornale.
• Quando – Toen, wanneer
- Toen Giorgio klein was, woonde hij in Palermo. – Quando Giorgio era piccolo,
abitava a Palermo.
• Na QUALCHE ALTIJD enkelvoud!!!
Hst 25: Pronomi indiretti (p. 171)
Het persoonlijk vnw als meewerkend voorwerp.
1e persoon: mi = a VB: Mi dai una caramella? Geef je me
Singolare me een snoepje? (AAN MIJ)
2e persoon: ti = a te
3e persoon: gli = a Vb: Le regliamo una cinta. Ik geef (AAN)
lui haar een riem.
le = a
lei Mamma, ci racconti una favola? Mama,
Le = a vertel je (AAN) ons een verhaaltje/sprookje?
Lei
1e persoon: ci = a
Plurale noi