OEFENVRAGEN HERSENEN EN GEDRAG 2025
o Introductie Psychologie – 10 vragen
o Biologische basis – 15 vragen
o Neuronen & Synapsen – 15 vragen
o Hersengebieden & functieleer – 20 vragen
o Genetica & Ontwikkeling – 15 vragen
o Beweging & motorische stoornissen – 15 vragen
o Onderzoeksmethoden & toepassingen – 10 vragen
Introductie Psychologie
1. Wat is de letterlijke betekenis van het woord ‘psychologie’?
a) Studie van emoties
b) Objectieve studie van de geest
c) Wetenschappelijke studie van gedrag
d) Filosofische analyse van de ziel
2. Wie voerde het eerste psychologische experiment uit?
a) Freud
b) Wundt
c) Pavlov
d) Maslow
3. Welke stroming stelde dat mentale ervaring kan worden opgesplitst in elementen?
a) Functionalisme
b) Gestaltpsychologie
c) Structuralisme
d) Behaviorisme
4. Welke psychologische stroming benadrukte dat de mens van nature goed is?
a) Psychoanalyse
b) Humanistische psychologie
c) Behaviorisme
d) Cognitieve psychologie
5. Welk psychologisch perspectief richt zich op erfelijkheid en overleving?
a) Cognitieve psychologie
b) Biologische psychologie
c) Evolutionaire psychologie
d) Klinische psychologie
Biologische basis
6. Welke celtypen zorgen voor ondersteuning en bescherming in het zenuwstelsel?
a) Gliacellen
, b) Axonen
c) Synapsen
d) Dendrieten
7. Welke structuur produceert energie in de cel?
a) Ribosomen
b) Nucleus
c) Mitochondrion
d) Endoplasmatisch reticulum
8. Wat is de functie van de myelineschede?
a) Opslag van neurotransmitters
b) Versnelling van signaalgeleiding
c) Productie van ATP
d) Regulatie van genexpressie
9. Welke van de volgende hoort NIET bij de functies van astrocyten?
a) Synchronisatie van neuronen
b) Regulatie van ionen
c) Productie van actiepotentialen
d) Omhullen van synapsen
10. Welke cellen zijn betrokken bij immuunrespons in het brein?
a) Schwann-cellen
b) Oligodendrocyten
c) Microglia
d) Astrocyten
Actiepotentiaal & synaps
11. Wat beschrijft de rustpotentiaal?
a) De toestand waarin de binnenkant negatief is t.o.v. de buitenkant
b) De maximale spanning van een neuron
c) De periode na hyperpolarisatie
d) De opening van calciumkanalen
12. Welke wet stelt dat actiepotentialen altijd dezelfde grootte hebben zodra de drempel
wordt bereikt?
a) Depolarisatiewet
b) Alles-of-niets-wet
c) Summatiewet
d) Wet van Weber
13. Wat gebeurt er bij exocytose in de synaps?
a) Calcium verlaat de cel
b) Neurotransmitters worden vrijgegeven in de synapsspleet
, c) Natrium stroomt de cel binnen
d) Kalium wordt uitgepompt
14. Welke neurotransmitter is vooral betrokken bij motorische controle en beloning?
a) Serotonine
b) Dopamine
c) Acetylcholine
d) GABA
15. Welke neurotransmitter speelt een belangrijke rol in spiercontracties?
a) Acetylcholine
b) Glutamaat
c) Serotonine
d) Endorfine
Hersengebieden & functies
16. Welke structuur is primair betrokken bij visuele verwerking?
a) Temporale kwab
b) Pariëtale kwab
c) Occipitale kwab
d) Frontale kwab
17. Welk hersengebied is cruciaal voor geheugenopslag?
a) Amygdala
b) Hippocampus
c) Thalamus
d) Cerebellum
18. Welke structuur is belangrijk voor emotie, vooral angst?
a) Hippocampus
b) Thalamus
c) Basale ganglia
d) Amygdala
19. Welke hersenkwab is betrokken bij motorische controle en planning?
a) Frontale kwab
b) Pariëtale kwab
c) Temporale kwab
d) Occipitale kwab
20. Wat is de functie van de basale ganglia?
a) Regulatie van ademhaling en hartslag
b) Regulatie van spierspanning en gewoontevorming
c) Controle van spijsvertering
d) Productie van hormonen
o Introductie Psychologie – 10 vragen
o Biologische basis – 15 vragen
o Neuronen & Synapsen – 15 vragen
o Hersengebieden & functieleer – 20 vragen
o Genetica & Ontwikkeling – 15 vragen
o Beweging & motorische stoornissen – 15 vragen
o Onderzoeksmethoden & toepassingen – 10 vragen
Introductie Psychologie
1. Wat is de letterlijke betekenis van het woord ‘psychologie’?
a) Studie van emoties
b) Objectieve studie van de geest
c) Wetenschappelijke studie van gedrag
d) Filosofische analyse van de ziel
2. Wie voerde het eerste psychologische experiment uit?
a) Freud
b) Wundt
c) Pavlov
d) Maslow
3. Welke stroming stelde dat mentale ervaring kan worden opgesplitst in elementen?
a) Functionalisme
b) Gestaltpsychologie
c) Structuralisme
d) Behaviorisme
4. Welke psychologische stroming benadrukte dat de mens van nature goed is?
a) Psychoanalyse
b) Humanistische psychologie
c) Behaviorisme
d) Cognitieve psychologie
5. Welk psychologisch perspectief richt zich op erfelijkheid en overleving?
a) Cognitieve psychologie
b) Biologische psychologie
c) Evolutionaire psychologie
d) Klinische psychologie
Biologische basis
6. Welke celtypen zorgen voor ondersteuning en bescherming in het zenuwstelsel?
a) Gliacellen
, b) Axonen
c) Synapsen
d) Dendrieten
7. Welke structuur produceert energie in de cel?
a) Ribosomen
b) Nucleus
c) Mitochondrion
d) Endoplasmatisch reticulum
8. Wat is de functie van de myelineschede?
a) Opslag van neurotransmitters
b) Versnelling van signaalgeleiding
c) Productie van ATP
d) Regulatie van genexpressie
9. Welke van de volgende hoort NIET bij de functies van astrocyten?
a) Synchronisatie van neuronen
b) Regulatie van ionen
c) Productie van actiepotentialen
d) Omhullen van synapsen
10. Welke cellen zijn betrokken bij immuunrespons in het brein?
a) Schwann-cellen
b) Oligodendrocyten
c) Microglia
d) Astrocyten
Actiepotentiaal & synaps
11. Wat beschrijft de rustpotentiaal?
a) De toestand waarin de binnenkant negatief is t.o.v. de buitenkant
b) De maximale spanning van een neuron
c) De periode na hyperpolarisatie
d) De opening van calciumkanalen
12. Welke wet stelt dat actiepotentialen altijd dezelfde grootte hebben zodra de drempel
wordt bereikt?
a) Depolarisatiewet
b) Alles-of-niets-wet
c) Summatiewet
d) Wet van Weber
13. Wat gebeurt er bij exocytose in de synaps?
a) Calcium verlaat de cel
b) Neurotransmitters worden vrijgegeven in de synapsspleet
, c) Natrium stroomt de cel binnen
d) Kalium wordt uitgepompt
14. Welke neurotransmitter is vooral betrokken bij motorische controle en beloning?
a) Serotonine
b) Dopamine
c) Acetylcholine
d) GABA
15. Welke neurotransmitter speelt een belangrijke rol in spiercontracties?
a) Acetylcholine
b) Glutamaat
c) Serotonine
d) Endorfine
Hersengebieden & functies
16. Welke structuur is primair betrokken bij visuele verwerking?
a) Temporale kwab
b) Pariëtale kwab
c) Occipitale kwab
d) Frontale kwab
17. Welk hersengebied is cruciaal voor geheugenopslag?
a) Amygdala
b) Hippocampus
c) Thalamus
d) Cerebellum
18. Welke structuur is belangrijk voor emotie, vooral angst?
a) Hippocampus
b) Thalamus
c) Basale ganglia
d) Amygdala
19. Welke hersenkwab is betrokken bij motorische controle en planning?
a) Frontale kwab
b) Pariëtale kwab
c) Temporale kwab
d) Occipitale kwab
20. Wat is de functie van de basale ganglia?
a) Regulatie van ademhaling en hartslag
b) Regulatie van spierspanning en gewoontevorming
c) Controle van spijsvertering
d) Productie van hormonen