Voeding
bij
Kanker
Auteurs:
Jeanne
Vogel,
Sandra
Beijer,
Niki
Doornink,
Anne
Wipkink
(redactie)
De
Tijdstroom,
Utrecht,
2012.
Samenvatting:
Hoofdstuk
4
-‐
Voeding
bij
kanker
Hoofdstuk
5
–
Voedingsbehoefte
en
voedingsadvies
Hoofdstuk
7
–
Klachten
en
concrete
voedingsadviezen
Hoofdstuk
9
–
Voedingsbeleid
Hoofdstuk
13
–
Palliatieve
zorg
,Hoofdstuk
4
–
Voeding
bij
kanker
4.1
Voeding
en
ziekte
Voeding
en
dieetmaatregelen
beïnvloeden
niet
rechtstreeks
het
kankerproces,
daarvoor
zijn
antitumor
behandelingen
nodig.
Voeding
heeft
wel
een
belangrijke
ondersteunende
rol,
patiënten
hebben
zoals
iedereen
voeding
van
voldoende
kwantiteit
en
kwaliteit
nodig
om
in
leven
te
blijven
en
de
noodzakelijke
behadelingen
te
kunnen
doorstaan.
Bij
kanker
is
voldoende
en
goed
kunnen
eten
echter
niet
vanzelfsprekend.
4.2
Voedingstoestand
De
voedingstoestand
kan
bij
kankerpatiënten
sterk
verschillen.
– De
patiënt
die
slecht
eet,
ernstig
vermagert
en
gedurende
het
ziektebeloop
in
korte
of
langere
tijd
ondervoed
raakt
en
in
een
slechte
conditie
is.
– De
patiënt
waarbij
het
gewicht
stabiel
blijft
of
zelfs
toeneemt,
en
de
eetlust
niet
of
alleen
tijdelijk
veranderd.
Toch
is
bij
deze
patiënten
de
conditie
verslechterd
en
spraken
van
een
ongunstige
lichaamssamenstelling,
door
toename
van
vetmassa
en
afname
van
spiermassa.
– De
patiënt
die
weinig
last
heeft
en
bij
wie
eetlust,
gewicht
en
conditie
niet
of
nauwelijks
veranderen.
4.3
Ondervoeding
bij
kanker
Een
patiënt
met
zowel
te
laag,
normaal
en
zelfs
te
hoog
lichaamsgewicht
kan
ondervoed
zijn
en
in
een
slechte
voedingstoestand
verkeren.
Meer
dan
de
helft
van
de
kankerpatiënten
is
ondervoed.
Er
zijn
grote
verschillen
tussen
de
verschillende
vormen
en
stadia
van
kanker.
Ondervoeding
komt
vaak
en
ook
in
vroeg
stadium
voor
bij
pancreas-‐,
maag-‐,
slokdarm-‐,
eierstok-‐,
long-‐
of
hoofd-‐
halstumor.
Onbedoeld
gewichtsverlies
is
vaak
het
eerste
symptoom
waarmee
de
patiënt
naar
de
arts
gaat.
Ondervoeding
is
geassocieerd
met
een
kortere
levensverwachting.
Door
ondervoeding:
– is
de
kans
op
complicaties
groter
bij
chirurgie
– verloopt
wondgenezing
trager
– is
de
mortaliteit
hoger
– bestaat
een
grotere
kans
op
infecties
en
langdurige
ziekenhuisopnamen
– (en
verminderde
conditie)
zijn
bijwerkingen
van
radio-‐
en
chemotherapie
heftiger
– minder
goed
mogelijk
de
noodzakelijke
dosis
straling
of
cytostatica
te
geven
(effectiviteit
behandeling
neemt
af)
– chemotherapie
en
radiotherapie
slaat
minder
goed
aan
Begrip
Omschrijving
Criteria
Ondervoeding
Voedingstoestand
waarbij
sprake
is
van
o onbedoeld
gewichtsverlies
≥
10%
in
zes
een
tekort
of
disbalans
van
energie,
maanden,
of
≥
5%
in
één
maand;
eiwit
en/of
andere
nutriënten,
wat
leidt
o BMI
≤
18,5
(65
jaar
en
ouder
≤20)
tot
meetbare
nadelige
effecten
op
de
lichaamsomvang
en
lichaamssamenstelling,
of
het
functioneren
en
op
klinische
resultaten.
Precachexie
Beginstadium
in
het
cachexieproces:
o beperkt
onbedoeld
gewichtsverlies
≤5%,
in
beginnende
ondervoeding
t.g.v.
ziekte,
combinatie
met:
waarbij
het
gewichtsverlies
nog
beperkt
-‐
anorexie
(verlies
van
eetlust)
en
is
tot
≤5%
maar
al
wel
bijkomende
biomedische
ontregelingen
zoels
een
verschijnselen
zijn
opgetreden.
verhoogd
CRP,
anemie
of
verlaagd
albumine.
Cachexie
Zeer
ernstige
vorm
van
onder
voeding
o Ernstig
onbedoeld
gewichtsverlies
≥
10%
ten
gevolge
van
ziekte.
o i.c.m.
ten
minste
drie
van
de
volgende
bijkomende
verschijnselen:
Kenmerken
van
cachexie
zijn
progressief
-‐
anorexie
(verlies
van
eetlust)
met
sterk
, ernstig
gewichtsverlies
en
extreme
verminderde
inname;
vermagering,
waarbij
zowel
de
vetmassa
-‐
verminderde
spiermassa;
als
de
vetvrije
massa
is
afgenomen,
-‐
afgenomen
spierkracht;
spieratrofie
is
ontstaan
en
ernstig
verlies
-‐
ernstige
vermoeidheid;
van
spierkracht
optreedt.
-‐
biochemische
ontregelingen,
zoals
een
hoog
CRP,
anemie,
of
een
laag
albuminegehalte.
Refractaire
Vergevorderd
stadium
in
het
o criteria
als
bij
cachexie;
cachexie
cachexieproces
met
een
lage
o karnofskyscore
≤40
of
WHO-‐performance
performance
score
en
een
beperkte
score
3
of
4;
levensverwachting
o levensverwachting
≤
3
maanden.
Sarcopenie
Een
vorm
van
ondervoeding
die
wordt
o Lage
spiermassa;
gekenmerkt
door
verlies
van
spiermassa
o Verminderde
spierkracht
en
functionaliteit.
en
spierkracht
bij
gelijkblijvende
of
stijgende
vetmassa,
waardoor
geen
of
vrijwel
geen
gewichtsverlies
optreedt.
Sarcopene
Een
vorm
van
ondervoeding
die
wordt
o Criteria
als
bij
sarcopenie;
obesitas
gekenmerkt
door
verlies
van
spiermassa
o Overgewicht:
BMI
25-‐30,
obesitas
BMI
30-‐40,
en
spierkracht
die
gepaard
gaat
met
een
morbide
obesitas
BMI
≥40.
hoge
vetmassa
en
(ernstig)
overgewicht.
4.4
Oorzaken
van
ondervoeding
– onvoldoende
inname
van
voeding
– inflammatie
met
metabole
ontregeling
4.4.1
Onvoldoende
inname
van
voeding
Als
de
balans
tussen
inname
en
verbruik
verstoord
is.
Hier
is
sprake
van
als:
– patiënt
minder
is
gaan
eten
dan
hij
gewend
is,
ook
wel
hongeren
of
starvation
genoemd.
– Indien
patiënt
meer
voeding
nodig
heeft
dan
normaal.
Onvoldoende
inname
kan
ontstaan
door
meerdere
oorzaken,
die
apart
of
tegelijk
kunnen
voorkomen
en
elkaar
kunnen
versterken:
– Anorexie:
gebrek
aan
eetlust.
Gaat
vaak
gepaard
met
snelle
verzadiging,
smaak-‐
en
reukveranderingen
en
aversie
tegen
bepaalde
voedingsmiddelen.
– Obstructie
en
functieverlies:
bij
tumoren
in
mond,
keel,
slokdarm
of
maag
kan
gewone
voeding
niet
of
met
veel
moeite
worden
gebruikt.
Als
een
patiënt
is
aangewezen
op
vloeibare
voeding,
is
de
inname
vrijwel
altijd
onvoldoende.
Vloeibare
voeding
heeft
van
nature
een
lagere
voedingsstofdichtheid
dan
vaste
voeding
en
geeft
door
het
grotere
volume
sneller
en
vol
gevoel.
– Problemen
van
het
spijsverteringskanaal:
Mondproblemen
zoals
droge
mond,
hinderlijke
slijmvorming,
ontstoken
slijmvliezen,
gebitsproblemen.
Maag-‐darmproblemen
zoals
gestoorde
maagontlediging,
misselijkheid,
braken,
diarree
en
obstipatie.
– Pijn,
benauwdheid,
vermoeidheid:
vooral
producten
die
hard,
scherp,
heet
of
zuur
zijn,
zijn
te
pijnlijk.
Door
benauwdheid
kan
het
re
vermoeiend
zijn
om
voor
het
eten
te
zorgen,
of
kan
de
energie
ontbreken
om
voldoende
te
eten.
– Verhoogde
behoefte:
bij
wondgenezing,
koorts,
herstel
van
behandelingen
die
weefselschade
hebben
veroorzaakt.
Ontstaat
ook
bij
grote
verliezen
aan
voedingstoffen
door
ontregelde
diabetes,
langdurige
diarree,
vetdiarree,
fistels,
stoma’s
met
hoge
output.
– Dagritme,
(zelf)zorgen
en
hulpbehoevendheid
– Psychosociale
stress:
kanker
brengt
veel
emoties
teweeg.
Spanning,
angst,
onzekerheid,
depressie,
pijn
of
vermoeidheid.
4.4.2
Inflammatie
en
metabole
ontregeling
Deze
vorm
van
ondervoeding
ontstaat
als
gevolg
van
het
ziekteproces
zelf
en
kan
ondanks
een