Leerdoelen bij probleem 3.
Gelezen bronnen:
Berry hoofdstuk 14
Kunda
Bakker
Steele en Aronson
Wat zijn de voorwaarden voor het positieve effect van de contacthypothese?
Berry hoofdstuk 14
Contacthypothese: het contact en delen tussen groepen zal zorgen voor meer wederzijdse
acceptatie.
Enkele voorwaarden: gelijke status in groepen, gemeenschappelijke doelen, enige vorm
van samenwerking en steun vanuit autoriteiten, wetten en normen.
Resultaten van meta-analyses laten zien dat meer contact tussen groepen geassocieerd is
met lagere levels van vooroordelen.
Kunda
Contacthypothese: contact tussen meerderheids- en minderheidsgroepen zorgt voor
minder vooroordelen
Onderzoek
Witte middenklasse jongens samen op zomerkamp
Na een tijdje verdeeld in twee groepen en begonnen vijandige houding aan te nemen
Proberen de vijandigheid te stoppen/laten verdwijnen: lukte alleen wanneer ze
gedwongen werden om samen te werken (alleen op dat moment minder vijandigheid)
Naarmate het einde in zicht kwam minder frictie, meer vermenging
Onderzoek naar de contacthypothese geeft een kleine reden tot optimisme: om vooroordelen
te verminderen door contact, moeten mensen van dezelfde status zijn en de mogelijkheid
hebben om elkaar te leren kennen, belichten van bewijzen dat de stereotypen onderuithaalt,
gedeelde doelen en actieve samenwerking. Maar zelfs dan is contact niet altijd effectief in
het verminderen van vooroordelen > negatieve stereotypen zijn niet zo gevoelig voor
verandering (manipulatie in groepen)
Berry hoofdstuk 14
Etnocentrisme theorie
Etnocentrisme: je ingroups als positief en outgroups als negatief beschouwen.
Ingroups: groepen waartoe iemand behoort en wiens normen geaccepteerd worden
Outgroups: die waar de persoon niet toe behoort, wiens normen afgewezen worden
Positive reference groups: groepen waartoe iemand niet behoort, maar waarin zijn
of haar normen wel geaccepteerd worden
Bakker
Onderzoek naar etnische samenstelling van klassen in PO; een viertal hoofdvragen:
1. Hoe is, ongeacht de etnische samenstelling van de klas, de houding van
autochtoon Nederlandse leerlingen, respectievelijk die van leerlingen van Turkse,
Marokkaanse en Surinaamse afkomst jegens elkaar?
2. In hoeverre is het proportionele aandeel van autochtoon Nederlandse leerlingen,
respectievelijk dat van leerlingen van Turkse, Marokkaanse en Surinaamse afkomst
binnen een klas, bepalend voor hun houding jegens elkaar?
3. In hoeverre zijn interetnische vriendschappen van de onderscheiden groepen
leerlingen bepalend voor hun houding jegens elkaar?
4. In hoeverre is de aandacht die er in het curriculum besteed wordt aan intercultureel
onderwijs bepalend voor de houding die leerlingen jegens kinderen van een andere
etnische afkomst innemen?
Resultaten: