Onderwijsgroep 5. Ontwikkelingspsychologie
Leerdoelen bij probleem 4.
Gelezen bronnen:
Shaffer hoofdstuk 71
Santrock hoofdstuk 62
Hoe verloopt de cognitieve ontwikkeling? (fases, karakteristieken, tabel)
Cognitieve ontwikkeling: de veranderingen die voorkomen in mentale bezigheden als
meedoen, waarnemen, leren, denken en onthouden.
Wat zijn de visies op cognitieve ontwikkeling van Piaget en Vygotsky?
Piaget1
Cognitieve equilibrium: de stand van zaken waarin er een evenwichtige of harmonieuze
relatie bestaat tussen iemands denkprocessen en de omgeving
Kind is een constructivist: iemand die kennis vergaart door met objecten/gebeurtenissen
om te gaan om zo de eigenschappen ervan te ontdekken
Soorten schema’s
1. Action based
2. Abstract
3. Symbolisch
4. Operationeel
Cognitieve ontwikkeling verloopt volgens schema’s, die gevormd worden door twee
aangeboren intellectuele processen;
1. Organisatie
Kinderen combineren bestaande schema’s tot een nieuw, complexer schema
2. Adaptatie
Het doel van organisatie, het proces van aanpassing aan de situatie
Komt voort uit twee aanvullende activiteiten
Assimilatie: kinderen interpreteren nieuwe ervaringen op basis van wat ze al
kennen (equilibratie= proces van aanpassing)
Accommodatie: aanpassen van bestaande schema’s aan nieuwe situaties
(disequilibrium= aanpassen als gevolg van een conflict)
Fases van ontwikkeling:
Sensomotorische fase (0-2): afhankelijk van zintuigen en motoriek
0-1 maanden; reflex activiteit; geen obj.p. focus op bewegende objecten
1-4 maanden; primaire circulaire reacties; geen obj.p. basisbh, herhaling schema’s
4-8 maanden; secundaire circulaire reacties; herhaling eigen acties, geen obj.p.
8-12 maanden; coördinatie van de secundaire schema’s; AnotBerror, doelgericht
12-18 maanden; tertiaire circulaire reacties; onderzoeken, mini experimenten
18-24 maanden; nieuwe betekenissen a.d.h.v. mentale combinaties = inner
experimentation
Deferred imitation: de capaciteit om een eerder gemodelleerde actie te
reproduceren
Objectpermanentie: de realisatie dat objecten blijven bestaan wanneer je ze niet
meer kan zien/voelen/etc..
Pre operationele fase (2-7): denken op symbolisch level, geen gebruik van
cognitieve operaties
Symbolische functie; de capaciteit om symbolen te gebruiken om objecten en
gebeurtenissen uit te leggen (2-4 jaar)
Animisme: leven en levensechte kwaliteiten aan levenloze objecten geven
Egocentrisme: de neiging om de wereld alleen vanuit je eigen perspectief te zien
Representatief inzicht; de kennis dat iets (een woord o.i.d.) voor iets anders kan
staan dan voor zichzelf
Precausaal: verkeerde causale verbanden leggen
Leerdoelen bij probleem 4.
Gelezen bronnen:
Shaffer hoofdstuk 71
Santrock hoofdstuk 62
Hoe verloopt de cognitieve ontwikkeling? (fases, karakteristieken, tabel)
Cognitieve ontwikkeling: de veranderingen die voorkomen in mentale bezigheden als
meedoen, waarnemen, leren, denken en onthouden.
Wat zijn de visies op cognitieve ontwikkeling van Piaget en Vygotsky?
Piaget1
Cognitieve equilibrium: de stand van zaken waarin er een evenwichtige of harmonieuze
relatie bestaat tussen iemands denkprocessen en de omgeving
Kind is een constructivist: iemand die kennis vergaart door met objecten/gebeurtenissen
om te gaan om zo de eigenschappen ervan te ontdekken
Soorten schema’s
1. Action based
2. Abstract
3. Symbolisch
4. Operationeel
Cognitieve ontwikkeling verloopt volgens schema’s, die gevormd worden door twee
aangeboren intellectuele processen;
1. Organisatie
Kinderen combineren bestaande schema’s tot een nieuw, complexer schema
2. Adaptatie
Het doel van organisatie, het proces van aanpassing aan de situatie
Komt voort uit twee aanvullende activiteiten
Assimilatie: kinderen interpreteren nieuwe ervaringen op basis van wat ze al
kennen (equilibratie= proces van aanpassing)
Accommodatie: aanpassen van bestaande schema’s aan nieuwe situaties
(disequilibrium= aanpassen als gevolg van een conflict)
Fases van ontwikkeling:
Sensomotorische fase (0-2): afhankelijk van zintuigen en motoriek
0-1 maanden; reflex activiteit; geen obj.p. focus op bewegende objecten
1-4 maanden; primaire circulaire reacties; geen obj.p. basisbh, herhaling schema’s
4-8 maanden; secundaire circulaire reacties; herhaling eigen acties, geen obj.p.
8-12 maanden; coördinatie van de secundaire schema’s; AnotBerror, doelgericht
12-18 maanden; tertiaire circulaire reacties; onderzoeken, mini experimenten
18-24 maanden; nieuwe betekenissen a.d.h.v. mentale combinaties = inner
experimentation
Deferred imitation: de capaciteit om een eerder gemodelleerde actie te
reproduceren
Objectpermanentie: de realisatie dat objecten blijven bestaan wanneer je ze niet
meer kan zien/voelen/etc..
Pre operationele fase (2-7): denken op symbolisch level, geen gebruik van
cognitieve operaties
Symbolische functie; de capaciteit om symbolen te gebruiken om objecten en
gebeurtenissen uit te leggen (2-4 jaar)
Animisme: leven en levensechte kwaliteiten aan levenloze objecten geven
Egocentrisme: de neiging om de wereld alleen vanuit je eigen perspectief te zien
Representatief inzicht; de kennis dat iets (een woord o.i.d.) voor iets anders kan
staan dan voor zichzelf
Precausaal: verkeerde causale verbanden leggen