Onderwijsgroep 5. Ontwikkelingspsychologie
Leerdoelen bij probleem 3.
Wat zijn de verschillende reflexen en waarom zijn die er?
Reflex: aangeboren reactie op stimuli. Ze regelen de bewegingen van een pasgeboren baby.
Die baby heeft er zelf geen controle over. Reflexen zijn genetisch overgedragen survival
mechanismen. Ze zorgen ervoor dat baby’s adaptief op hun omgeving reageren, voordat ze
de kans hebben gehad om te leren hoe dat moet (Santrock, 2011).
Vast actiepatroon: een complexe vorm van aangeboren gedrag met de overleving van het
individu als doel. Wordt uitgelokt door een sign stimulus: een bepaalde stimulus die
automatisch een bepaald vast actiepatroon activeert (Miller, 2001).
Primair Babinsky Opkrullen voet Tot 8-12 maanden
Primair Stepping Stappen zetten 1e 8 weken, blijft na 8 maanden
Primair Palmer grasping Handen om objecten Tot 3-4 maanden
Primair Zwemreflex In water bewegen Tot 4-6 maanden
Primair Mono reflex Armen naar buiten Tot 4-6 maanden
Overleving Ademhaling Ademhalen Blijft
Overleving Knipperen Ogen schoon Blijft
Overleving Pupilair Pupillen samentrekken Blijft
Overleving Zuigen/slikken Zuigen bij mond Blijft
Overleving Rooting reflex Hoofd draaien op wang 1e paar weken
Hoe ontwikkelt de band tussen ouder en kind zich?
Soorten hechting (Miller, 2001)
1. Veilig (65%), de band tussen ouder en kind is goed
2. Onveilig ontwijkend (ongeveer 20%), deze kinderen zijn gefocust op exploratie en
hebben geen goede band met de ouders
3. Onveilig afwerend (5 á 10%), deze kinderen zijn gefocust op de ouders en hebben
geen goede band met de ouders
4. Gedesoriënteerd (5 á 10%), deze kinderen weten niet goed hoe ze op hun ouders
moeten reageren
4 fasen van hechting (Santrock, 2011):
1. Pre-attachment (0-6 á 8 weken)
Ingebouwde signalen zorgen voor contact. De baby leert de stem en geur van de
moeder te herkennen. Er is nog geen hechting en nog geen stranger anxiety.
2. Attachment in the making (6 á 8 weken-7 maanden)
Er wordt meer gelachen naar de moeder dan naar vreemden. Baby’s beseffen zich
dat hun signalen effect hebben op anderen. De focus ligt echter op de verzorger.
3. Clear-cut attachment (8-18 á 24 maanden)
Het kind gaat zich aan één persoon hechten, vaak de moeder. Er wordt actief contact
gezocht met die ene verzorger waaraan gehecht wordt. Er is sprake van
separatieangst.
4. Specific relation (18 á 24 maanden en verder)
Het kind wordt zich bewust van gevoelens e.d. van anderen. Door meer begrip naar
de ouders neemt de separatieangst af.
Leerdoelen bij probleem 3.
Wat zijn de verschillende reflexen en waarom zijn die er?
Reflex: aangeboren reactie op stimuli. Ze regelen de bewegingen van een pasgeboren baby.
Die baby heeft er zelf geen controle over. Reflexen zijn genetisch overgedragen survival
mechanismen. Ze zorgen ervoor dat baby’s adaptief op hun omgeving reageren, voordat ze
de kans hebben gehad om te leren hoe dat moet (Santrock, 2011).
Vast actiepatroon: een complexe vorm van aangeboren gedrag met de overleving van het
individu als doel. Wordt uitgelokt door een sign stimulus: een bepaalde stimulus die
automatisch een bepaald vast actiepatroon activeert (Miller, 2001).
Primair Babinsky Opkrullen voet Tot 8-12 maanden
Primair Stepping Stappen zetten 1e 8 weken, blijft na 8 maanden
Primair Palmer grasping Handen om objecten Tot 3-4 maanden
Primair Zwemreflex In water bewegen Tot 4-6 maanden
Primair Mono reflex Armen naar buiten Tot 4-6 maanden
Overleving Ademhaling Ademhalen Blijft
Overleving Knipperen Ogen schoon Blijft
Overleving Pupilair Pupillen samentrekken Blijft
Overleving Zuigen/slikken Zuigen bij mond Blijft
Overleving Rooting reflex Hoofd draaien op wang 1e paar weken
Hoe ontwikkelt de band tussen ouder en kind zich?
Soorten hechting (Miller, 2001)
1. Veilig (65%), de band tussen ouder en kind is goed
2. Onveilig ontwijkend (ongeveer 20%), deze kinderen zijn gefocust op exploratie en
hebben geen goede band met de ouders
3. Onveilig afwerend (5 á 10%), deze kinderen zijn gefocust op de ouders en hebben
geen goede band met de ouders
4. Gedesoriënteerd (5 á 10%), deze kinderen weten niet goed hoe ze op hun ouders
moeten reageren
4 fasen van hechting (Santrock, 2011):
1. Pre-attachment (0-6 á 8 weken)
Ingebouwde signalen zorgen voor contact. De baby leert de stem en geur van de
moeder te herkennen. Er is nog geen hechting en nog geen stranger anxiety.
2. Attachment in the making (6 á 8 weken-7 maanden)
Er wordt meer gelachen naar de moeder dan naar vreemden. Baby’s beseffen zich
dat hun signalen effect hebben op anderen. De focus ligt echter op de verzorger.
3. Clear-cut attachment (8-18 á 24 maanden)
Het kind gaat zich aan één persoon hechten, vaak de moeder. Er wordt actief contact
gezocht met die ene verzorger waaraan gehecht wordt. Er is sprake van
separatieangst.
4. Specific relation (18 á 24 maanden en verder)
Het kind wordt zich bewust van gevoelens e.d. van anderen. Door meer begrip naar
de ouders neemt de separatieangst af.