Hoofdstuk 1: Cellen:
1. Ruw endoplasmatisch reticulum (eiwitsynthese).
2. Mitochondrium (energie aanmaken).
3. Golgi-systeem (eiwitten en vetten afkomstig van het
endoplasmatisch reticulum, verder bewerken en
opgeslagen).
4. Blaasje (lysosoom).
5. Kernporie (zorgt voor transport tussen het kernplasma en
het cytoplasma).
6. Kern (regelt alles in de cel en behoud het DNA).
7. Kernmembraan (scheidt de chromosomen van het
omringende plasma)
8. Glad endoplastmatisch reticulum (transporteert stoffen
van het ruw endoplastmatisch reticulum naar het golgi-
systeem).
9. Celplasma (maakt de cel stevig en beschermt het
inwendige van de cel).
10. Celmembraan (beschermt en scheidt de cel af van
buiten de cel en houdt de cel onderdelen bij elkaar).
,1.1: Verschillen en overeenkomsten:
Duidelijk onderscheidbare cel onderdelen het organellen.
In de celkern ligt het erfelijk materiaal, niet alle organismen
hebben een celkern, bacteriën hebben er geen, hun erfelijk
materiaal ligt los in het cytoplasma.
Plantencellen hebben 1 grote vacuole of meerdere kleine, de
vacuole is omgeven door het vacuolemembraan. In dit blaasje
vol met vocht zitten opgeloste stoffen.
Plantencellen hebben een celwand die uit cellulose (dood
volledig permeable, geen onderdeel levende cel) bestaat,
dierlijke hebben nooit een celwand. Schimmels en bacteriën
kunnen een cellulosecelwand hebben, maar ze kunnen ook een
celwand hebben die bestaat uit chitine.
Alle organismen zijn opgedeeld in 4 groepen, de vier Rijken:
planten, dieren, schimmels en bacteriën.
Tabel kenmerken:
- Rijk -kern -bladgroenkorrel -vacuole
- Dier -ja -nee -nee
- Plant -ja -ja -ja
- Schimmel-ja -ja -ja
- Bacterie -nee -ja -nee
De leefwijze is belangrijk voor de indeelwijze van de vier Rijken.
Heterotrofe organismen voeden zich met andere organismen of
met de resten ervan, autotrofe organismen hebben geen
organische stoffen nodig als voeding. Maken eigen "voedsel”
fotoof chemosynthese maken glucose uit anorganische stoffen.
, 1.1.1: Virussen:
Een virus is niet te vergelijken met een cel. Een virusdeeltje
bestaat alleen maar uit eiwit en een korte streng DNA (erfelijk
materiaal) of RNA (aan DNA verwant erfelijk materiaal).
Zonder een gastheercel kan een virus helemaal niks.
- Stappenplan werking virus:
1. Het virus hecht zich aan een receptor op hel
celmembraan.
2. Vanuit het virus gaan er enzymen en DNA de celkern in
van de gastheercel.
3. Het DNA van de gastheercel wordt afgebroken en
vervangen door hen DNA van het virus.
4. Viruseiwitten worden aangemaakt.
5. Alle stoffen die zijn vermenigvuldigd komen weer samen
en de nieuwe virussen verlaten de gastheercel en gaan
naar andere cellen om dit proces te herhalen.
Dit is een cyclus.
1. Ruw endoplasmatisch reticulum (eiwitsynthese).
2. Mitochondrium (energie aanmaken).
3. Golgi-systeem (eiwitten en vetten afkomstig van het
endoplasmatisch reticulum, verder bewerken en
opgeslagen).
4. Blaasje (lysosoom).
5. Kernporie (zorgt voor transport tussen het kernplasma en
het cytoplasma).
6. Kern (regelt alles in de cel en behoud het DNA).
7. Kernmembraan (scheidt de chromosomen van het
omringende plasma)
8. Glad endoplastmatisch reticulum (transporteert stoffen
van het ruw endoplastmatisch reticulum naar het golgi-
systeem).
9. Celplasma (maakt de cel stevig en beschermt het
inwendige van de cel).
10. Celmembraan (beschermt en scheidt de cel af van
buiten de cel en houdt de cel onderdelen bij elkaar).
,1.1: Verschillen en overeenkomsten:
Duidelijk onderscheidbare cel onderdelen het organellen.
In de celkern ligt het erfelijk materiaal, niet alle organismen
hebben een celkern, bacteriën hebben er geen, hun erfelijk
materiaal ligt los in het cytoplasma.
Plantencellen hebben 1 grote vacuole of meerdere kleine, de
vacuole is omgeven door het vacuolemembraan. In dit blaasje
vol met vocht zitten opgeloste stoffen.
Plantencellen hebben een celwand die uit cellulose (dood
volledig permeable, geen onderdeel levende cel) bestaat,
dierlijke hebben nooit een celwand. Schimmels en bacteriën
kunnen een cellulosecelwand hebben, maar ze kunnen ook een
celwand hebben die bestaat uit chitine.
Alle organismen zijn opgedeeld in 4 groepen, de vier Rijken:
planten, dieren, schimmels en bacteriën.
Tabel kenmerken:
- Rijk -kern -bladgroenkorrel -vacuole
- Dier -ja -nee -nee
- Plant -ja -ja -ja
- Schimmel-ja -ja -ja
- Bacterie -nee -ja -nee
De leefwijze is belangrijk voor de indeelwijze van de vier Rijken.
Heterotrofe organismen voeden zich met andere organismen of
met de resten ervan, autotrofe organismen hebben geen
organische stoffen nodig als voeding. Maken eigen "voedsel”
fotoof chemosynthese maken glucose uit anorganische stoffen.
, 1.1.1: Virussen:
Een virus is niet te vergelijken met een cel. Een virusdeeltje
bestaat alleen maar uit eiwit en een korte streng DNA (erfelijk
materiaal) of RNA (aan DNA verwant erfelijk materiaal).
Zonder een gastheercel kan een virus helemaal niks.
- Stappenplan werking virus:
1. Het virus hecht zich aan een receptor op hel
celmembraan.
2. Vanuit het virus gaan er enzymen en DNA de celkern in
van de gastheercel.
3. Het DNA van de gastheercel wordt afgebroken en
vervangen door hen DNA van het virus.
4. Viruseiwitten worden aangemaakt.
5. Alle stoffen die zijn vermenigvuldigd komen weer samen
en de nieuwe virussen verlaten de gastheercel en gaan
naar andere cellen om dit proces te herhalen.
Dit is een cyclus.