Pensioenrecht
Videocollege(s)
Videocollege 6a – Pensioenovereenkomst en risico’s I
Pensioen: product en risico’s
- Met name ouderdomspensioen – wat hierna gezegd wordt over product en risico’s daarin, moet je vanwege de
praktijk dat vrijwel alle arbeidsongeschiktheids- en nabestaandenpensioenen risicopensioenen zijn, vooral op
het ouderdomspensioen betrekken.
o In theorie gaan de risico’s die zo worden benoemd over alle pensioensoorten
o Maar nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidspensioen worden in de praktijk vooral via
risicoverzekeringen geregeld. Er vind dus geen opbouw plaats. Daarom gaat het verhaal wat betreft de
risico’s omtrent pensioen vooral over ouderdomspensioen.
- Welke risico’s in product? – staat niet in de wet
o Beleggingsrisico – pensioenpremie wordt door werkgever overgemaakt aan pensioenuitvoerder, en de
pensioenuitvoerder gaat dat geld beleggen. Zodra er belegd wordt, ontstaat er een beleggingsrisico.
Koersen kunnen omhoog en omlaag, rendementen kunnen omhoog en omlaag etc. Dus er worden
beleggingsrisico’s gelopen.
Het is geen wettelijke verplichting voor pensioenuitvoerders om de premie te gaan beleggen. Zij
doen er wel verstandig aan om dit te doen.
Wie beslist hoe er wordt belegd? De pensioenuitvoerder beslist dat. Je zult daar in de
pensioenovereenkomst weinig over aantreffen.
o Langleven risico – ouderdomspensioen moet levenslang betaald worden. Een pensioenuitvoerder
berekend premies op basis van een bepaald idee over hoelang hij ouderdomspensioen zal moeten
betalen. Maar hij heeft een idee van zijn langleven risico. Hoe oud gaat de collectiviteit van mensen die in
de pensioenregeling zitten worden? Dit is het risico bezien vanuit de pensioenuitvoerder.
De vraag hoe oud ik wordt, en hoe lang ik dus pensioen moet zien te regelen, is een even relevante
vraag voor de deelnemers. Dus dat langleven risico ligt ook bij de deelnemer. Zal er wel genoeg geld
zijn? Dat hangt dan af van twee dingen: hoe gaat het met het beleggen, en het macro langleven
risico: hoe oud worden mensen? En dat laatste weet je niet van tevoren.
o Renterisico – hier gaat het erom dat pensioenuitvoerders moeten nadenken over hun toekomstige
verplichtingen. Als je naar de financiële positie kijkt, is het niet zo dat je alleen moet kijken naar wat er
vandaag binnenkomt aan premie en wat je vandaag verschuldigd bent. Je moet ook nadenken over hoe
het zich in de toekomst gaat ontwikkelen. Hoe oud gaan de mensen worden en hoeveel rendement ga ik
maken. Dat laatste, hoeveel rendement ga ik maken, daar mag je niet zomaar een getalletje voor nemen.
Dat moet heel voorzichtig bekeken worden. De Nederlandse Bank eist dat de pensioenfondsen rekenen
met een risicovrije rente. Zij moeten dus een fictieve rente hanteren voor zowel de rendementen die ze
gaan creëren als de verplichtingen die ze hebben, en die moeten ze uitrekenen naar de toekomst. Alles
moet daarin mee worden genomen. Die rente fluctueert. Naarmate de rekenrente hoger is, dan hoeft een
pensioenfonds minder geld in kas te hebben, om toch aan de verplichtingen te kunnen voldoen. Want dat
pensioenfonds mag bovenop de zak met geld die hij nu heeft, een fictief rendement rekenen. Dus hoe
hoger die rente, hoe gezonder het is en hoe makkelijker het is om aan een goed pensioen te komen. Maar
als die rente heel laag is moet er veel geld in kas zijn om aan een fatsoenlijk pensioen te komen. Althans,
fictief is dat zo.
Dat is dus een probleem. Het risico dat de rente daalt of stijgt, daarvan is ook de vraag bij wie dat
ligt.
Het renterisico gaat dus over de fictie die er bij de pensioenuitvoering wordt gehanteerd, hoe je je
toekomstige ontwikkelingen als pensioenuitvoerder kunt berekenen. Of dat met een hoge of een
lage rekenrente kan.
Naarmate de rekenrente hoger is, dan ziet de situatie er goed uit, terwijl als de rekenrente laag is
dan moet er nu al relatief veel geld op tafel liggen om datzelfde pensioen te kunnen aanbieden. Een
lage rekenrente betekent dat pensioen duur is.
De vraag hoe hoog de rente is, is dus een risico dat in pensioenregelingen zit.
- Daarnaast ‘risico’ – Daarnaast is een risico hoeveel er uiteindelijk aan pensioen gaat zijn. Daar spelen twee
dingen:
o In de eerste plaats wat de omvang is van de premie: hoeveel wordt er ingelegd? Hoe meer premie erin
gaat, hoe groter de kans dat er een fatsoenlijk pensioen uitkomt. Dus vraag is dan, wanneer de premie
laag is, voor wiens risico dat dan komt. Dus omvang inleg is een van de bepalende factoren voor de
uitkomst, en daarmee is dat ook een soort risico van het product pensioen.
1
, o Het tweede risico is de vraag of die gehele premie wel wordt gebruikt voor ouderdomspensioen? Wordt
deze niet ook gebruikt voor arbeidsongeschiktheids- of nabestaandenpensioen? Of gaan daar kosten uit?
Je moet de pensioenuitvoerder zien als een soort dienstverlener. Als jij naar een gemiddelde
dienstverlener gaat, dan is de prijs die jij betaalt niet alleen voor het product zelf, maar ook voor
alle kosten die gemaakt zijn om het product te maken en verkopen etc. Dus alle kosten die een
dienstverlener maakt, zitten versleuteld in de prijs van het product. Zo is het bij pensioenuitvoerders
ook. Zij maken kosten om hun organisatie draaiende te houden. Dan is de vraag, hoeveel van de
inleg gaat op aan die kosten? En hoeveel van de premie wordt uiteindelijk belegd?
Woekerpolisaffaire?
Art. 17a PW = consequentie geweest van de woekerpolisaffaire, waarin het ging over
onduidelijke afspraken en kosten waardoor heel veel aan premies werd onttrokken maar
buiten het zicht van deelnemers.
- Een ander belangrijk risico is het risico van waardedaling/inflatie (art. 13 en 137 PW)
o Belangrijk punt is of toeslagverlening deel uitmaakt van een pensioenovereenkomst.
o Art. 13 PW – er is geen verplichting in NL om aan toeslagverlening te doen, om inflatie die plaatsvindt te
corrigeren. Het is een mogelijkheid dat partijen dat overeenkomen. Uit art. 13 PW volgt ook dat wanneer
je dat doet, je ook afspraken moet maken over de mate waarin je dat doet.
o Inflatie is het feit dat prijzen in het algemeen niet constant zijn in de tijd. Prijzen stijgen, en dat noemen
we inflatie. De vraag is of je met jouw pensioen over 20 of 30 jaar hetzelfde kunt kopen als vandaag.
Antwoord is nee. Aanspraak op pensioen is nominaal. Die luiden in euro’s. Dus als jij vandaag recht hebt
op 100, dan is dat (wanneer je het verder niet hebt opgebouwd) over 20 jaar nog steeds 100 euro. Die
euro’s zijn euro’s gebleven. Maar als de prijzen stijgen, dan kun je met jouw pensioenuitkering lang niet
kopen wat je er vandaag mee zou kunnen komen. Daarom is het fijn als in een pensioenovereenkomst een
toeslagverlening zit.
Juist omdat pensioen nu wordt opgebouwd, is de vraag, wat is dat dan over 30/40 jaar waard? Wat
is dan de koopkracht van dat bedrag?
Pensioenen zijn nominaal, dus in principe stijgt het niet mee met de inflatie.
- Er zitten dus kansen (t.o.v. risico) in het pensioenproduct, en dat roept de vraag op of de werknemer de
vrijheid heeft om te gaan shoppen. Heeft hij keuzevrijheid? Bij pensioen is er heel weinig keuzevrijheid voor de
werknemer, enerzijds omdat werkgevers vaak maar één pensioenregeling hebben en dan is het kiezen of delen,
en anderzijds omdat in bepaalde sectoren in het algemeen een bepaalde pensioenregeling verplicht is via het
systeem van verplichtstelling.
Pensioenovereenkomst 1
- Pensioenovereenkomst is de basis van het denken over pensioen en wetgeving over pensioen. Wat wordt
overeengekomen moet worden veiliggesteld, en dat is het systeem van de PW.
- De pensioenovereenkomst wordt in H2 PW geregeld. Art. 7 PW spreekt van aanbod en aanvaarding (soort van),
want daarvoor moet je ook gewoon in Boek 6 zijn, bij de normale regels over aanbod en aanvaarding. Een
aantal specifieke aspecten van het tot stand komen van de PO zijn in art. 7 e.v. PW geregeld.
- Verhouding met pensioenregeling?
- Welke vorm moet de pensioenovereenkomst hebben? Dit hoeft niet schriftelijk te gebeuren. Het zal vaak een
korte passage zijn in een arbeidsovereenkomst, maar het kan ook een los beding zijn of mondeling worden
gesloten.
- Pensioenovereenkomsten worden individueel en collectief overeengekomen. Veel cao’s bevatten een
pensioenregeling.
- Je zult zien dat een belangrijk deel van die pensioenovereenkomst eigenlijk gaat over risicoverdeling. Dat zie je
nergens geregeld in de wet, maar dat ligt wel onder diverse begrippen.
- Art. 10 PW – noemt de drie typen pensioenovereenkomsten: de pensioenovereenkomst houdt in:
a. Een uitkeringsovereenkomst;
b. Een kapitaalovereenkomst; of
c. Een premieovereenkomst
o Meer smaken zijn er niet. Een van de drie moet het zijn.
o Wat zal het meeste voorkomen? Verreweg de meeste mensen hebben op dit moment een
uitkeringsovereenkomst.
Heemskerk figuur 2.2, p. 33
- Er zijn dus maar drie typen pensioenovereenkomst (art. 10 PW, zie ook art. 1 PW voor definities)
o Gevolg hiervan is dus dat als je een afspraak over pensioen tegenkomt, je jezelf moet afvragen welke van
de drie het is. Want andere smaken zijn er niet.
1. Uitkeringsovereenkomst
o Komt dus vaak voor. Volgens de tekst van Heemkerk heeft 90% van de werknemers met een
pensioenovereenkomst een uitkeringsovereenkomst.
2
, o Uitkeringsovereenkomst = pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde pensioenuitkering (art. 1 PW)
Dit betekent niet dat het bedrag vast moet staan. Het is meer dat de berekeningsmethode vast moet
staan. Dat betekent in het algemeen dat deze gerelateerd is aan het loon.
o Vroeger zagen we veel eindloonregelingen: daar was het pensioen gebaseerd op het laatstverdiende loon,
dus wat hij verdiende vlak voor hij met pensioen ging. Dan was vaak de norm dat dat eindloonpensioen
70% van het laatstverdiende loon zou zijn.
o Tegenwoordig zie je bijna geen eindloonregelingen meer. Je ziet nu eigenlijk alleen maar
middelloonregelingen: pensioen zal 70% zijn van het gemiddelde loon.
o Pensioen wordt in ongeveer 40 jaar opgebouwd. De opbouw zal ongeveer 1,75% per jaar zijn. De fiscus
laat wel iets meer toe.
Het opbouwpercentage zul je aantreffen in de uitkeringsovereenkomst.
o Defined benefit – DB regeling: dit staat tegenover een defined contribution (DC) regeling, wat in
Nederland de premieovereenkomst is.
2. Premieovereenkomst
o Premieovereenkomst = een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde premie, die uiterlijk op de
pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering (art. 1 PW).
o Dus de premie is gedefinieerd, en die premie wordt, samen met het rendement wat daarop gegenereerd
wordt, uiterlijk op de pensioendatum omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering.
o De premie/inleg is bepalend. Dus hier is het begin belangrijk, en bij de uitkeringsovereenkomst is het
einde van belang, dus wat eruit komt uiteindelijk. Dat is een fundamenteel verschil tussen de twee.
o Dit zie je veel minder.
o Defined contribution – DC regeling
3. Kapitaalovereenkomst
o Dit noemen we ook een defined benefit. Komt in de praktijk maar zeer zelden voor, dus daar gaan we niet
op in.
o Deze zit tussen de premieovereenkomst en de uitkeringsovereenkomst in, met name voor wat betreft de
vraag hoe risico’s verdeeld zijn.
- Meer smaken kent de PW niet. Wat is hiervan het gevolg? Het is een van de drie. Het kan niet anders. Zie art.
10. Iets daar buiten kun je wel afspreken, maar dan is het geen pensioen in de zin van de PW. Anders is het
gewoon een van de drie, omdat de wet aan het zijn van een van die drie rechtsgevolgen verbindt.
Videocollege 6b – Pensioenovereenkomst en risico’s II
Pensioenovereenkomst
- Hoe zijn de basisrisico’s in deze 3 varianten verdeeld over beide partijen bij de pensioenovereenkomst?
o Kapitaalovereenkomst wordt grotendeels buiten beschouwing gelaten
o Zie tabel reader Heemskerk 2.8.2. Heemskerk beperkt zich hier tot de vraag of die risico’s bij de
werkgever of de werknemer liggen:
OVEREENGEKOMEN LANGLEVENRISICO BELEGGINGSRISICO RENTERISICO
UITKERINGSOVEREENKOMST Hoogte uitkering Werkgever Werkgever Werkgever
PREMIEOVEREENKOMST Hoogte premie Werknemer Werknemer Werknemer
o Dus volgens Heemskerk liggen bij de uitkeringsovereenkomst de drie risico’s bij de werkgever, en bij de
premieovereenkomst bij de werknemer. Dat is dus een groot verschil.
o Je kunt je afvragen of dit wel helemaal juist is. In de premieovereenkomst liggen die drie risico’s
inderdaad bij de werknemer. Maar bij de uitkeringsovereenkomst zouden we eigenlijk moeten zeggen dat
vanaf het moment dat de werkgever de premie heeft betaald, die risico’s bij de pensioenuitvoerder
liggen, zei het dat die pensioenuitvoerder wel kan korten als het echt slecht gaat, zodat uiteindelijk het
risico toch weer bij de deelnemer uitkomt.
o Maar in ieder geval is de werkgever van de haak als hij aan zijn premieverplichtingen heeft voldaan. Hij
kan dan niet meer aangesproken worden als het met het pensioen tegenvalt. Hij heeft dan in principe aan
zijn verplichtingen voldaan.
o Bij de premieovereenkomst liggen de drie risico’s bij de werknemer, en bij de uitkeringsovereenkomst bij
de werkgever (in eerste instantie), en op het moment dat de premie is betaald bij de pensioenuitvoerder,
en dus in principe niet bij de werknemer (behalve in de situatie dat er een korting zou moeten gaan
plaatsvinden). Dat is een verschil tussen uitkerings- en premieovereenkomst.
o Bij premieovereenkomst:
Langleven: eerder overlijden, geen pensioen
Rente: als rente lager is, dan heeft de pensioenuitvoerder minder in kas en kan hij minder uitkeren
Belegging: als beleggen fout gaat, is dat zijn risico
In de periode tot de omzetting van de zak geld, is er geen sprake van een uitkering. Dus in die
periode is de deelnemer geheel afhankelijk van dat rendement. Is dat hoog dan is dat mooi. Als
3