Universiteit van Amsterdam (Enkel literatuur)
Schooljaar 2025/2026
Bevat de volgende literatuur;
* Hoofdstukken komen uit het Handboek Forensische Orthopedagogiek (2020) van Jan Hendriks, Geert Jan
Stams en Jessica Asscher
Wat betreft artikelen is het volgende verwerkt in de samenvatting;
▪ College 1: Mechanisms of childhood trauma: an integrative review of a multimodal, transdiagnostic
pathway
▪ College 2: Why Healthcare and Education Professionals Underreport Suspicions of Child Abuse: A
Qualitative Study / Risk Factors of Child Sexual Abuse Victimization: A Meta-Analytic Review / The
Relationship Between Parental Knowledge and Monitoring and Child and Adolescent Conduct
Problems: A 10-Year Update/ The Relationship Between Parenting and Delinquence: A Meta-analysis
▪ College 3: Adolescence-Limited and Life-Course-Persistent Antisocial Behavior: A developmental
Taxonomy/ The Relative Roles of Peer and Parent Predictors in Minor Adolescent Delinquency:
Exploring Gender and Adolescent Phase Differences / Siblings versus parents and friends: longitudinal
linkages to adolescent externalizing problems / The Co-development of Friends’ Delinquency with
Adolescents’ Delinquency and Short-term Mindsets: The Moderating Role of Co-Offending
▪ College 4: A Developmental Perspective on Girls’ Delinquency: Testing the Family Stress Model/
Gendered Relationships Between Adverse Child Experiences, Negative Emotional States and Violent
Delinquency
▪ College 5: Kwaliteitskader Jeugd NIET OPGENOMEN / Implementatieplan Hervormingsagenda NIET
OPGENOMEN/ Kwaliteitskader Forensische Zorg NIET OPGENOMEN/ Letting Work What Works –
Effectively Preventing Juvenile Delinquency in the Netherlands: A Meta-Analysis of the Evidence
▪ College 6: Challenging the gold standard consensus: Randomised controlled trials (RCTs) and their
pitfalls in evidence-based education/ Forensisch orthopedagogische behandeling: een kritische
beschouwing.
, HOORCOLLEGE 1
Handboek Forensische Orthopedagogiek, Hoofdstuk 1
Forensische orthopedagogiek bestudeert de ontwikkeling en het in stand blijven van complexe problematiek
van kinderen, jongeren en jongvolwassenen. Justitieel (strafrechtelijk of civielrechtelijk) ingrijpen dreigt of is
reeds ingezet.
▪ Strafrechtelijk: een jeugdige of jongvolwassene is in aanraking gekomen met de politie vanwege een
strafbaar feiten en er wordt binnen de jeugdstrafrechtketen bepaald welke strafrechtelijke interventie
benodigd is.
▪ Civielrechtelijk: zorgen over de ontwikkelingskansen of veiligheid van een jeugdige waarbij het gaat om
de maatregelen en interventies ter bescherming van het kind of de adolescent.
De forensische orthopedagogiek = een interventiewetenschap met een multidisciplinair karakter aangezien er
gebruik gemaakt wordt van kennis uit verschillende disciplines.
▪ Opvoeding is het centrale begrip; eerste opvoedingsmilieu is het gezin, tweede opvoedingsmilieu is de
school en het derde opvoedingsniveau zijn leeftijdsgenoten en vrije tijd. (& een vierde opvoedingsmilieu
is de (semi-)residentiële zorg voor jeugdigen).
▪ Theoretisch vertrekt de forensische orthopedagogiek vanuit het bio (aanleg) -ecologisch (meerdere
invloeden) ontwikkelingsmodel van Bronfenbrenner.
▪ De vier artikelen (3, 9, 12 en 16) ten aanzien van de rechten van het kind betekenen dat de forensische
orthopedagogiek een interventiewetenschap is die naast een evidence-based focus op feiten (empirie) ook
georiënteerd is op waarden. Het uitgangspunt vorm; “het kind wilt zelf iemand zijn & ontwikkelt zich tot
het eigen volledige potentieel”.
Omdat justitieel ingrijpen altijd risico’s met zich mee brengt dienen interventies altijd op hun effectiviteit
getoetst te worden volgens de meeste strenge criteria van wetenschappelijk onderzoek – Breng in eerste plaats
geen schade toe = primum non nocere-principe.
De onderzoeksdoeleinden van de forensische orthopedagogiek zijn;
▪ Bestuderen van verschillende manifestaties van problemen waar justitieel ingrijpen nodig is of dreigt.
▪ Het ontwikkelen en evalueren van preventieve en curatieve interventies die zich richten op de oorzaken
en gevolgen van kindermishandeling en -verwaarlozing en jeugddelinquentie bij kinderen, jongeren en
jongvolwassenen.
▪ Ontwikkelen en verbeteren van methoden om gegevens te verwerven, risico’s in te schatten en juiste
interventies te kunnen indiceren en te analyseren op het gebied van forensische Jeugdzorg.
▪ Zorgen voor theoretische integratie in het onderzoek naar kindermishandeling en -verwaarlozing en
jeugddelinquentie door middel van overzichtsstudies.
Handboek Forensische Orthopedagogiek, Hoofdstuk 14 “Wat is specifiek aan orthopedagogische
forensisch diagnostiek?”
Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten staat het biopsychosociale ontwikkelingsmodel centraal in
relatie tot het ontstaan en de instandhouding van gedragsproblemen bij jeugdigen en opvoedproblemen bij
ouders. Hoewel de forensische orthopedagogische diagnostiek dus duidelijke overeenkomsten heeft met de
reguliere diagnostiek, zijn er ook duidelijke verschillen;
▪ Forensische diagnostiek maakt standaard gebruik van zoveel mogelijk informatiebronnen.
,▪ Het gebruik van risicotaxatie-instrumenten is een integraal onderdeel van de forensisch orthopedagogische
diagnostiek. Deze inschatting van risico’s is geen statisch maar continu proces.
▪ Bij forensische orthopedagogiek is er vrijwel altijd sprake van comorbiditeit, het gelijktijdig voorkomen
van meerdere stoornissen. Dit maakt het verrichten van differentiaal diagnostisch onderzoek vaak erg
ingewikkeld.
Handboek Forensische Orthopedagogiek, Hoofdstuk 23 “Wat is specifiek aan forensisch
orthopedagogische behandeling?”
Kenmerken forensische orthopedagogische behandeling;
1. Vind plaats in een justitieel kader, er is dus sprake van drang of dwang. Behandeling is vaak opgelegd wat
motivatie een specifiek aandachtspunt maakt.
2. De doelgroep is complex en heeft vaak zeer ernstige problemen hierdoor is een behandelaar genoodzaakt
om altijd oog te houden voor de veiligheid (zowel van de cliënt als zichzelf).
Kenmerken dat het uitvoeren van forensisch orthopedagogisch behandelen compliceert;
▪ Groot aantal betrokkenen bij een gezin → adequate regie door een gecertificeerde instelling = cruciaal.
▪ Groepsinterventies of intensieve behandeling blijken negatieve effecten te hebben.
Mechanisms of childhood trauma: an integrative review of a multimodal, transdiagnostic pathway
Kindertrauma (CT), Early Life Stress (ELS) of Adverse Childhood Experiences (ACE)- emotioneel, fysiek of
seksueel misbruik of emotionele of fysieke verwaarlozing voor de leeftijd van 18 jaar – is een risicofactor
voor het ontstaan en een slechter beloop van veel psychische en somatische aandoeningen. De mechanismen
die ten grondslag liggen aan de impact van CT variëren maar het beïnvloed zowel de mentale als lichamelijke
gezondheid van het individu;
▪ Mentale gezondheid; CT vergroot het risico op depressie, angststoornissen, psychose, verslaving,
eetstoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. Het lijkt vaak tot ernstigere symptomen, terugkerende
episoden, comorbiditeit en hogere suïcidaliteit.
▪ Lichamelijke gezondheid; CT wordt sterk in verband gebracht met obesitas, het metabool syndroom,
artritis en neurologische klachten. Het risico hangt hierbij deels af van het type trauma.
Hoewel bestaande therapieën helpen zijn de resultaten vaak beperkt!
Moleculaire mechanismen;
▪ CT vindt plaats in een gevoelige ontwikkelingsfase en kan het stresssysteem blijvend verstoren via de
hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HPA-as) hetgeen werkt door middel van cortisol. Het gaat om zowel
verhoogde als verlaagde cortisol niveaus, afhankelijk van het trauma-type, de duur, ernst en verdere
persoonlijke omstandigheden. Uiteindelijk treden er blijvende veranderingen op in de hersengebieden wat
de kwetsbaarheid voor mentale stoornissen vergroot. Voor lichamelijke ziekten is hier minder over bekend.
▪ CT wordt gelinkt aan een overactief immuunsysteem wat ziet op verhoogde ontstekingsreacties bij stress.
Dit wordt geactiveerd door hogere niveaus aan ontstekingsmarkers.
▪ CT versnelt biologische veroudering. Kortere telomeren en veranderingen in de mitochondria zijn hier het
bewijs van. Vooral verwaarlozing speelt hier een grote rol. Misbruik ziet vooral op ene versnelde puberteit
en corticale hersenveranderingen.
▪ Verder heeft CT zowel omgevings- als genetische invloeden. Tweelingstudies laten zien dat trauma
onafhankelijk bijdraagt aan psychopathologie en daarnaast toont genetisch onderzoek erfelijke
componenten & overlap met depressie, schizofrenie en ADHD.
, o Gen-omgevingsinteractie: bepaalde genprofielen versterken kwetsbaarheid na trauma.
Neurobiologische mechanismen
▪ CT wordt gelinkt aan minder grijze stof in de hippocampus, amygdala en prefrontale cortex (gebeurd vaak
pas naarmate iemand ouders wordt)
▪ Verschillen typen CT hebben verschillende effecten.
▪ We zien ook een verandering in de witte stof wat de communicatie tussen emotie- en denkgebieden
verstoort,
▪ CT leidt tot een verhoogde activiteit van de amygdala bij negatieve emoties
▪ Het hangt samen met een verstoorde samenwerking tussen de amygdala en prefrontale cortex wat leidt tot
een slechtere emotieregulatie.
▪ Ook het beloningssysteem wordt beïnvloed
Psychosociale mechanismen
▪ Hechtingsstijl: CT verstoort veilig hechting en leidt vaak tot angstige (laag zelfbeeld, afhankelijkheid,
angst voor afwijzing) of vermijdende hechting (afstand in relaties, emotionele terugtrekking).
▪ Onvervulde psychologische basisbehoeften door CT leidt tot negatieve schema’s
o Emotioneel misbruik en verwaarlozing hebben de sterkste invloed
o De schema’s blijven vaak levenslang van invloed en vergroten de kan sop depressie, angst en andere
problemen.
▪ Persoonlijkheidstrekken: CT hangt samen met meer neuroticisme en minder extraversie, consciëntieusheid
en aangenaamheid. Vooral neuroticisme bemiddelt het verband tussen CT en psychopathologie.
▪ Zelfbeeld: CT leidt tot een laag zelfbeeld, wat op zijn beurt een belangrijke schakel tussen CT en depressie/
angst vormt.
▪ CT hangt samen met een meer vermijdende coping wat het risico verhoogt op depressie, angst, borderline
en psychose.
Levensstijl-factoren
▪ CT vergroot de kans op ongezonde gedragingen zoals roken, alcohol- en drugsgebruik maar ook risicovol
seksueel gedrag, weinig beweging en slecht slapen.
▪ Meer CT → meer ongezond gedrag
▪ Leefstijlgedragingen bemiddelen vaak de link tussen CT en ziektes.
Er worden twee verklarende routes voorgesteld;
1. Stress-sensitisatie
▪ CT leidt tot een verhoogde stressreactiviteit
▪ Eerst adaptief, later maladaptief → overgevoeligheid voor stress & een verhoogd cortisol
▪ Leidt tot meer kwetsbaarheid voor psychopathologie
2. Dreigingsvermijding
▪ CT leidt tot vermijdend of passief gedrag, een verminderde stressreactie
▪ Werkt eerst beschermend en later schadelijk (isolatie, laag zelfbeeld, emotionele problemen)