Deeltoets 3 – Bewijswaardering
Het ten laste gelegde scenario in deze casus = “Het slachtoffer is in de ochtend van … met
een stomp voorwerp geslagen door Harry Rietman en is hierbij om het leven gekomen.” Dit
scenario is gebaseerd op vage camerabeelden (dat de beelden vaag zijn is mijn eigen
interpretatie), schoensporen, bloedsporen, een wekkerradio en een gevonden hamer waar
DNA van meneer Rietman op zit. De taak van de rechter hierbij is om te bepalen of het ten
laste gelegde scenario bewezen kan worden. Echter, de rechter moet hierbij wel kritisch zijn
en nagaan of de bewijsmiddelen afzonderlijk en in samenhang overtuigend genoeg zijn om
het scenario als bewezen te verklaren. Dit kan de rechter doen aan de hand van het
bayesiaanse model van bewijswaardering, waarbij de rechter de waarschijnlijkheid van het ten
laste gelegde scenario (H1) afweegt tegen alternatieve scenario’s (H2).
H1 = “Harry Rietman heeft het slachtoffer met een stomp voorwerp geslagen, waardoor hij is
overleden.”
H2 = “Een ander persoon dan Harry Rietman heeft het slachtoffer om het leven gebracht.”
De eerste stap voor de rechter is om na te denken over de zogeheten a-priori-kansen van H1
en H2. Op basis van algemene kennis en contextinformatie schat de rechter in hoe
waarschijnlijk het is dat Rietman de dader is. Kritische vragen hierbij zijn: “Was er een
bekende conflictgeschiedenis tussen Rietman en het slachtoffer?” Of: “Had iemand anders
toegang tot het huis van het slachtoffer?” Bij afwezigheid van contextinformatie kan de
rechter uitgaan van een gelijke kans voor beide hypothesen.
Vervolgens zal de rechter elk bewijsmiddel afzonderlijk toetsen op hoe waarschijnlijk het is
onder H1 en H2. Een voorbeeld is het DNA van Rietman dat op de hamer is gevonden. Een
vraag die de rechter daar bijvoorbeeld bij zou kunnen stellen is: “Kan de hamer voor het
overlijden van het slachtoffer ook door Rietman zijn aangeraakt, zonder dat hij de dader is?”
Als dit namelijk het geval is, en Rietman de hamer bijvoorbeeld een paar dagen daarvoor voor
een klusje heeft gebruikt, vermindert dit de overtuigingskracht van het bewijs voor H1. Een
andere voorbeeldvraag met betrekking tot het bewijs is bijvoorbeeld: “Hoe zeker is het dat we
Harry Rietman op de camerabeelden zien?” En “Zijn er andere mensen die mogelijk op hem
lijken en toegang hadden tot het huis?”