HOOFDSTUK 1: BASISBEGRIPPEN VAN DE RECHTSECONOMIE
1.1 De maatschappelijke context
Veel gebeurtenissen in de werkelijkheid hebben zoel een economische als een juridische achtergrond.
Dit heeft te maken met het feit dat transacties, zoals het kopen of verkopen van goederen, altijd
samengaan met een gelijktijdige verandering in de economische en juridische sfeer.
1.2 Transacties
Het kopen of verkopen van goederen betekent juridisch gezien het overdragen van rechten
betreffende die goederen aan een ander. Een transactie is de overdracht van rechten van de ene naar
de andere persoon. Het maakt hierbij niet uit of het om natuurlijke personen of rechtspersonen gaat.
Als de overdracht van rechten met kosten gepaard gaat, heten deze kosten transactiekosten.
Het merendeel van de transacties vindt plaats in de particuliere sector tussen ondernemingen en
tussen ondernemingen en consumenten.
De transactie is de kleinste onderzoekseenheid in de economie: micro-economie.
1.2.1 Het economisch aspect van transacties
In de economische wetenschap gaat het om schaarste: dat deel van de behoeften van mensen,
waarvoor de middelen maar beperkt aanwezig zijn. Er zijn onvoldoende middelen om te voorzien in
deze behoeften. De druk tussen behoeften en middelen heeft schaarste. Dit dwingt tot het maken van
keuzes. Bij economische keuzes is altijd sprake van een opgeofferd alternatief, dat wat niet is
gekozen. De opoffering van het opgeofferde alternatief wordt in de economie als kosten beschouwd,
ook als deze kosten niet in geld kunnen worden uitgedrukt: opportunity costs. Natuurlijk is niet bij het
voorzien in elke behoefte sprake van een opgeofferd alternatief. Het economische aspect van het
voorzien in behoeften heeft betrekking op de schaarste, er moet een opgeofferd alternatief zijn. De
hierboven gegeven omschrijving betreft relatieve schaarste. Dit begrip kan worden onderscheiden van
absolute schaarste. Van absolute schaarste is sprake is bepaalde middelen op een bepaalde tijd en
plaat in het geheel niet beschikbaar zijn.
1.2.2 Consumptie en productie
Iedereen is consument. In de economie is de transactie consumeren het kopen van
consumptiegoederen. Tot de consumptiegoederen behoren ook de diensten die consumenten kopen.
Consumeren is een transactie: de koper verkrijgt het eigendomsrecht van de gekochte
consumptiegoederen.
Het doel van alle productie is consumptie. Bij productie worden goederen die niet zonder meer
geschikt zijn voor consumptie omgezet in goederen die meer geschikt. Bij productie werken de
productiefactoren samen: natuur, arbeid en kapitaalgoederen.
1.2.3 Publieke en private sector
Een hoofdtaak van de verheid is het voorzien in collectieve goederen. Collectieve goederen zijn
goederen die niet via de markt kunnen worden verhandeld vanwege hun bijzondere eigenschappen.
Deze eigenschappen zijn: (1) men hindert elkaar niet bij het gebruik (non-rivaliteit) en (2) als de
collectieve goederen eenmaal zijn geproduceerd, kan niemand van het gebruik ervan worden
uitgesloten (non-exclusiviteit). Omdat niemand van het gebruik van een collectief goed kan worden
uitgesloten als het eenmaal is geproduceerd, kunnen collectieve goederen niet via de markt worden
verhandeld. Dit geldt temeer omdat collectieve goederen niet splitsbaar zijn in individueel leverbare
eenheden. Als iemand wel een collectief goed zou willen gebruiken, maar net doet alsof hij of zij er
geen behoefte aan heeft, heet zo iemand een free rider. In Nederland worden veel goederen
behandeld alsof het collectieve goederen zijn. Zulke goederen zijn quasi-collectieve goederen.
Verder vervult de overheid een belangrijke rol als herverdeler van het nationaal inkomen over
personen. De personele inkomensverdeling voordat belastingen en sociale premies zijn geheven en
sociale uitkeringen en subsidies zijn ontvangen, heeft de primaire inkomensverdeling. Wanneer wel
met dit alles rekening is gehouden is sprake van secundaire inkomensverdeling, dit is minder scheef.
Ook bestaat de tertiaire inkomensverdeling. Bij deze verdeling wordt rekening gehouden met het profijt
van allerlei overheidsvoorzieningen, zoals onderwijs en bejaardenzorg.
Alle persoonlijke bezittingen minus de schulden zijn vermogen. Vermogensbezit leidt ook tot
inkomensvorming in de vorm van pacht, huur, dividend en/of rente. Vermogensbezit beïnvloedt
derhalve eveneens de inkomensverdeling.
, De overheidsuitgaven worden dikwijls naar bestemming ingedeeld: klassieke overheidstaken (bij deze
afdrachten is sprake van een overdracht van middelen zonder dat de ontvanger een directe
tegenprestatie aan de overheid is verschuldigd), overdrachten om niet en rente en kredietverlening.
De ontvangsten van de overheid zijn: belastingen, premies sociale verzekeringen en niet-
belastingontvangsten.
Met de term private sector wordt vooral gedoeld op het bedrijfsleven. In het bedrijfsleven is de
winstprikkel essentieel. Zonder winsten kan een onderneming het niet volhouden. In de private sector
speelt het marktmechanisme een belangrijke rol. Vraag- en aanbodverhoudingen zijn bepalend voor
de prijsomvang. In de publieke sector speelt het budgetmechanisme een doorslaggevende rol. Na
autorisatie door het parlement is het budget bepalend voor de uitgaven van een minister.
1.2.4 Mirco-, macro- en meso-economie
De micro-economie is de economie van het ‘kleine’, de macro-economie de economie van het ‘grote’
en de meso-economie zit daar tussenin.
In de mirco-economie gaat het om transacties, die voortkomen uit individuele beslissingen van
agenten, individuele consumenten en individuele producenten. Deze hebben gevolgenvoor de
prijsvormingsprocessen op de markt en op de allocatie van productiemiddelen. Allocatie betekent de
plaatsing of inzet van productiefactoren. Dikwijls geschiedt de allocatie via markten. Een markt is het
geheel van vraag naar en aanbod van bepaalde goederen. Het gaat in de mirco-economie om de
individuele beslissingen van consumenten en ondernemers. Negatieve externe effecten worden in de
prijsvorming van producten verwerkt.
In de macro-economie gaat het om optellingen of aggregaties (samenvoegingen) van transacties
uitgedrukt in geld. Het gaat om aggregaties, die bepalend zijn voor de economie in een land.
Geagrregeerde grootheden zijn opgetelde grootheden. Voorbeelden zijn het bruto binnenlands
product (BBP) en het nationaal inkomen.
In de meso-economie ten slotte gaat het om sectoren of delen in de economie van een land. De vraag
staat centraal hoe een sector zich ontwikkelt bijvoorbeeld in vergelijking met een andere sector en of
de oorzaken van verschillen in ontwikkeling zijn te verklaren.
1.3 De methode van de economie
De economie kiest het individu als uitgangspunt.
1.3.1 Wetenschappelijk onderzoek
De eerste stap of fase van het onderzoek begint met het waarnemen van feiten en het uit die feiten
afleiden van regelmatigheden of wetmatigheden. Dit is de inductieve fase van het onderzoek. Bij de
tweede stap worden (werk)hypotheses of veronderstellingen opgesteld. Hierna begint de
wettenschappelijke onderzoeker met de derde stap, waarin hij of zij conclusies langs een logische weg
afleidt. Deze stap is de deductieve fase van het onderzoek. De vierde en laatste stap van het
onderzoek, is de verificatie. In deze fase vindt de toetsing aan de werkelijk plaats van de uit de
veronderstellingen afgeleide conclusies. Een veel gebruikte veronderstelling in de economie is het
streven naar winstmaximalisatie door producenten.
1.3.2 Modellen en falsificatie
In de economie maakt men gebruik van modellen. Een economisch model is een vereenvoudigde
weergave van de werkelijkheid, vaak in de vorm van een stelsel vergelijkingen. Een model bestaat uit
een geheel van veronderstellingen en conclusies. Door logische redeneringen worden de conclusies
uit de veronderstellingen afgeleid. De modellen zijn gedachte-experimenten. Economen maken daarbij
meestal gebruik van de ceteris paribus-voorwaarde. Dit betekent dat zij veronderstellen dat een
aantal, ook relevante, factoren zich niet wijzigt. Verder maakt de opsteller van een model een
onderscheid tussen exogene of verklarende variabelen en endogene of te verklaren variabelen. De
hoogte van de exogene variabelen is bepalend voor de hoogte van de endogene variabelen.
1.3.3 Het methodologisch individualisme
In de economie wordt bij het opstellen van de modellen dikwijls gebruik gemaakt van het
methodologisch individualisme. Dit is een methode waarbij individuele voorkeuren, gedragingen en
motieven van mensen als uitgangspunt dienen voor het opstellen van gedragsveronderstellingen in
een model. De gedragsveronderstellingen van het streven van winstmaximalisatie door producenten is
hiervan een voorbeeld. De conclusies die mede op basis van zulke gedragsveronderstellingen of
gedragshypotheses kunnen worden bereikt, blijken redelijk overeen te stemmen met wat in de
werkelijkheid wordt waargenomen. Ook in de rechtswetenschap past men het methodologisch