18.1 Introductie ....................................................................................................................................... 2
18.2 Functies van het bloed .................................................................................................................... 2
18.4 Erytrocyten ...................................................................................................................................... 5
18.5 leukocyten ....................................................................................................................................... 6
18.6 Trombocyten ................................................................................................................................... 8
18.7 Hemostase ....................................................................................................................................... 8
18.8 Ontwikkeling van bloed ................................................................................................................. 11
6.4 Hartfalen .......................................................................................................................................... 11
6.5 Hypertensie ..................................................................................................................................... 17
6.3 Acuut coronair syndroom ................................................................................................................ 18
1.14 Hypothermie.................................................................................................................................. 21
6.5.3 Thermoregulatie ........................................................................................................................... 22
13.4.16 Temperatuurregeling ............................................................................................................... 23
22.2.7 Koorts ......................................................................................................................................... 24
,18.1 Introductie
Bloed meerdere bestandsdelen:
- Bloedplasma = 55%
- Bloedcellen= 45%
- Trombocyten (bloedplaatjes)= 1%
Hematopoëse= Vorming en ontwikkeling van nieuwe bloedcellen
Bloed heeft hoge viscositeit (stroperigheid) door: grote aantal cellen, eiwitten en water.
Bloedplasma:
- Water= 91%
- Opgeloste stoffen= 9%
-elektrolyten: natriumionen, kaliumionen, calciumionen
- eiwitten
- overige stoffen: vetten, afbraakproduct, hormonen.
18.2 Functies van het bloed
Bloed bestaat uit:
- Extracellulair vloeistof (plasma)= 55% totale bloedvolume
- Bloedcellen: erytrocyten (rode bloedellen= zuurstoftransport), leukocyten (witte bloedcellen=
afweersysteem)= 45%
- Trombocyten (bloedplaatjes)= 1%= bloedstolling
Bloedonderzoek door centrifugeren -> lagen componenten op elkaar:
1. Plasma= geel
2. Trombocyten + leukocyten= wit
3. Erytrocyten (hematrociet)= felrood
Erytrocyten (rode bloedcellen) = Transporteren zuurstof van longen naar perifere (oppervlak) weefsels
+ organen.
Transporteren koolstofdioxide van organen naar longen
Leukocyten= beschermen lichaam tegen en (ziekteverwekkers). Worden via bloed naar
geïnfecteerde weefsels gebracht.
Trobocyten= in staat om trombus (bloedstolsel wat trombose veroorzaakt) te vormen
->bloedverlies wond beperken.
, Functies bloed:
- Absorberen nutriënten (groei en het herstel van weefsel, botten en spieren en het
ondersteunen van je immuunsysteem) uit gastro-intestinale stelsel (maag-darmstelsel)
+ transporteren naar lichaamsweefsels
- Transporteren antilichamen om infecties te bestrijden-> in staat om aan pathogenen bloed te
binden, herkenbaar immuunsysteem.
- Reguleren waterbalans-> water afgeven aan nieren of opnemen uit darmen
- Transporteren stollingsfactoren
- Transporteren afvalstoffen naar nieren en lever
- Reguleren lichaamswarmte:
- hoge temp= bloed staat warmte af via vasodilatatie, bloedvaten dichter bij huid
- lage temp= vasoconstrictie
- Reguleren PH- waarde:
- ionenbalans te controleren, corrigeren
- neutraliseren van zuren en basen in bloed-> uitscheiden via lever / nieren
- Transporteren hormonen naar doelorganen om processen in gang te zetten.
Viscostiteit= weerstand in vloeistofstroom die word veroorzaakt door de samenhang van de opgeloste
stoffen.
-> belangrijk voor stroomsnelheid van bloed:
- Hoge viscositeit= lage bloedstroomsnelheid
- Lage viscositeit= hoge bloedstroomsnelheid
Osmolariteit= hoeveelheid aantal opgeloste stoffen in een substantie.
Bepaald door:
- erytrocyten
- natriumionen
- eiwitten
Uitwisselen nutriënten belangrijk:
- Cellen juiste nutriënten ontvangen
- Bloed de overgebleven afvalstoffen afgevoerd
->moeten de vaatwand passeren via weefselvocht
Weefselvocht verplaatst van gebied met lage osmolariteit naar hoge osmolariteit= kan oedeem
ontstaan als er teveel vocht uit de weefsels word gehaald.
Of te hoge bloeddruk
Belangrijk dat osmolariteit van bloed goed word gereguleerd-> doormiddel van ADH (hormoon) word
aan bloedbaan afgegeven door hypofyse in hersenen= zorgt dat lichaam minder vocht uitscheid via
nieren.
+ transporteiwitten in celmembraam bertrokken bij reguleren van ionenconcentratie in weefsel