Hoorcollege 1 – 09/04/2014 – Hoofdstuk 1
Effect van genen op omgeving:
3 effecten – Sandra Scarr
1. Passief – ouders en kinderen lijken genetisch op elkaar
2. Evocatief – Genetisch bepaald gedrag of uiterlijk lokt reacties uit
3. Actief – mensen zoeken actief een omgeving die bij hun aanleg past
Ontwikkelingspsychologie – houdt zich bezig met ontogenetische (ontwikkeling van het
individu) veranderingen in gedrag, cognitie en gevoel.
Lifespan – levensloop : ontwikkeling van geboorte tot de dood.
Wat voor dingen onderzoekt een ontwikkelingspsycholoog?
1. Normatief leeftijdsverloop (gemiddeld) - Crosssectionele studie
Eigenschappen, lengte/ intelligentie
Is er een typisch ontwikkelingsverloop?
„Mijn vader heeft een sportwagen gekocht, heeft hij een midlife crisis?
Geleidelijk – wanneer begint het geheugen slechter te worden?
Stapsgewijs – Vanaf wanneer kunnen kinderen lopen?
2. Individuele verschillen in levenslopen – longitudinale studie
Nature/nurture?
„In hoeverre ligt iemands persoonlijkheid al vast in de kindertijd?‟
Kritische periodes: bepaalde perioden voor het leren van vaardigheden (bijv.
taalontwikkeling) of de ontwikkeling van persoonlijkheid (bijv. hechting).
- Heel moeilijk terug te draaien.
Verklaringen van ontwikkeling:
- Ontwikkelingspsychologie onderzoekt veranderingen afhankelijk van tijd.
Echter; tijd/leeftijd is zonder inhoud, lege variabele die onmogelijk oorzaak kan zijn.
1. Biologische processen (rijping, bijv. in de pubertijd)
2. Psychologische processen (bijv. leren, ervaring)
3. Sociale processen (bijv. invloed van sociale rollen)
Aanleg en omgeving
Er zijn bijna geen onderzoekers die nog uitgaan van biologisch of sociaal determinisme.
Zowel aanleg als omgeving is belangrijk:
De omgeving levert de input en de bouwstenen voor de expressie van genen.
Omgevingsfactoren kunnen tot aan- en uitschakelen van genen leiden (epigenese)
Interacties tussen aanleg en omgeving:
1) Ecologische theorie van bronfenbrenner
Kind: aanleg, persoonlijkheid, biologische en genetische factoren, ligt in het microsysteem.
Microsysteem: directe omgeving van het kind (school, familie) daaromheen ligt het
mesosysteem.
Mesosysteem: connecties tussen microsystemen. Deze ligt in het exosysteem.
Exosysteem: indirecte omgeving (globale omgevingsinvloeden, bijv. werkomstandigheden
van ouders) deze ligt in het macrosysteem.
, Macrosysteem: culturele context.
En alles heeft te maken met het chronosysteem: tijd.
Alle systemen staan met elkaar in interactie en interacteren ook met het kind (aanleg).
Vooral gericht op sociale processen.
Voordelen:
Compleet en integratief
Interactie tussen nature en nurture in het model
Belangrijke herinnering om de omgeving niet te verwaarlozen (SES)
Kritiek:
Zeer complex
Moeilijk te weerleggen (gebrek aan falsificatie mogelijkheden)
Biologische factoren worden niet gespecificeerd.
2) Psycho-sociale ontwikkelingstheorie
Erik Erikson,
Assumptie: ontwikkeling wordt bepaald door interactie van 3 systemen:
1. Biologie
2. Psychologie
3. Cultuur
Erik Erikson bestudeerde de gehele lifespan, van de geboorte tot de dood. Hij had de theorie
van Freud (met maar 5 stadia tot de jonge volwassenheid) uitgebreid.
Ieder stadium bestaat uit een conflict tussen twee uitersten (positief/negatief), ieder conflict
vormt de basis van een ontwikkelingstaak die moet worden opgelost. Het is opgelost als een
adaptief evenwicht tussen de twee polen is bereikt.
De succesvolle oplossing van een psycho-sociaal conflict leidt tot de opbouw van deugden
(vitale sterkten). Het niet oplossen van conflicten (stagnatie) leidt daarentegen tot pathologie.
Het individu wordt bij de oplossing geholpen door persoonlijke relaties met belangrijke
anderen, die:
Culturele en maatschappelijke verwachtingen communiceren
Emotionele steun in tijden van crisis bieden