Biologie samenvatting Hoofdstuk 6,8 en 12
Hormonen = signaalstoffen die je lichaam via bloed naar je cellen transporteert.
Hormoonklieren = endocriene klieren
→ zij geven hun producten af aan het inwendig milieu ( bloed, weefselvloeistof, cellen en lymfe)
Zeetklieren/ verteringsklieren = exocriene klieren
→ zij geven producten af aan het uitwendig milieu (darm, op de huid)
Alleen cellen met passende receptoren voor een hormoon reageren → doelwitcellen
Deze doelwit cellen bevinden zich op doelwitorganen en weefsels.
→ door hun reactie veranderen lichaamsprocessen (sneller groeien, aanmaak geslchatcellen)
Hypofyse = centrale hormoonklier
→ coördineert de aansturing van hormoonklieren
→ regelt groei en rijping van geslachtcellen
Hypothalamus = deel van de hersenen
→ koppelt zenuwstelsel en hormoonstelsel. Maakt neurohormonen die activiteit van de hypofyse
aansturen
→ Hypothalamus krijgt informatie over het lichaam
→ stuurt informatie naar hypofyse
→ hypofyse zet andere hormoonklieren aan tot actie
Neurohypofyse = hypofyse achterkwab
bevat zenuwweefsel met daarin de uitlopers van de neuronen (zenuwcellen) uit de hypothalamus
Adenohypofyse = hypofyse voorkwab
bestaat uit klierweefsel
bloeddruk:
dalende bloeddruk
→ neuronen in hypothalamus maken neurohormoon ADH
→ via uitlopers van de neuronen komt ADH in de neurohypofyse
→ uitlopers geven het af aan het bloed
→ bloedvaten trekken samen
→ uitscheiding van water via nieren verminderd
→ bloeddruk stijgt
Synapsen in de hypothalamus geven
releasing-hormonen af aan het bloed
→ daarna komen ze meteen terecht in de adenohypofyse
→ Zo stimuleert het FSH releasing hormoon de adenohypofyse tot afgifte van FSH (+ geslachtklieren)
Inhibiting hormonen af aan het bloed
→ remmen productie van prolactine en FSH door de hypofyse
, Onder normale omstandigheden vind coördinatie van homeostase plaats
Voorbeeld:
→ om te groeien geeft hypothalamus het hormoon GHRH af
→ zorgt in de hypofyse voor afgifte van groeihormoon GH
→ GH stimuleert deling van kraakbeencellen ( invloed is indirect)
GH werkt in lever die ook als hormoonklier werkzaam is
→ uit de lever komt de stof IGF vrij ( werkt in kindertijd op groeischrijven van pijpbeenderen
→ kraakbeencellen van groeischrijven delen en differentiëren gedeeltelijk tot botcellen
→ pijpbeenderen groeien
→ na pubertijd verdwijnen groeischrijven
→ einde van de groei
→ er blijft een rest van GH achter in het bloed
→ GH zet ook vetcellen aan tot afbraak van vetten
Voorbeeld 2
→ uit hypothalamus komt het CRH vrijdag
→ dit zorgt in hypofyse voor afgifte van adenocorticotroop hormoon (ACTH)
→ ACTH stimuleert de cellen van de bijnierschors tot afgifte van diverse hormonen (cortisol)
→ Cortisol verhoogt je hartslag en glucose spiegel bij stress
Werking van verschillende hormonen
Steroidehormonen
- gemaakt uit cholesterol
→ gaan eerst door celmembraan
→ hechten dan aan receptoren in grondplasma van de cel
→ daar vormt het hormoon met eiwit receptor een hormoonreceptor complex
→ dit complex activeert het DNA
→ via RNA ontstaat in het grondplasma een bepaald eiwit
→ werkt in de cel bijvoorbeeld als enzym
Tyrosine hormonen
- gemaakt uit aminozuur tryosine
- hydrofoob
bereiken hun doelwitcellen op 2 manieren
→ schildklierhormoon bindt aan receptoren in het grondplasma
→ adrenaline bindt aan receptoren in het celmembraan
Peptidehormonen
- bestaan uit gekoppelde aminozuren (insuline)
→ binden aan eigen receptoren in het celmembraan
Signaalstoffen in cellen
Receptoren van peptidehormonen en adrenaline veranderen van vorm wanneer er hormonen aan
koppelen
→ geeft reactie aan binnenkant van celmembraan
→ G eiwit koppelt energierijke GTP aan de receptor
→ er ontstaat een cascade aan reacties
→ secundaire boodschapper ontstaat
= molecuul in het grondplasma dat de boodschap van het hormoon overneemt en overdraagt op het
molecuul dat in de cel de actie gaat uitvoeren
→ kunnen in een cel meerdere doelwitmoleculen hebben bijvoorbeeld een enzym of DNA
Hormonen = signaalstoffen die je lichaam via bloed naar je cellen transporteert.
Hormoonklieren = endocriene klieren
→ zij geven hun producten af aan het inwendig milieu ( bloed, weefselvloeistof, cellen en lymfe)
Zeetklieren/ verteringsklieren = exocriene klieren
→ zij geven producten af aan het uitwendig milieu (darm, op de huid)
Alleen cellen met passende receptoren voor een hormoon reageren → doelwitcellen
Deze doelwit cellen bevinden zich op doelwitorganen en weefsels.
→ door hun reactie veranderen lichaamsprocessen (sneller groeien, aanmaak geslchatcellen)
Hypofyse = centrale hormoonklier
→ coördineert de aansturing van hormoonklieren
→ regelt groei en rijping van geslachtcellen
Hypothalamus = deel van de hersenen
→ koppelt zenuwstelsel en hormoonstelsel. Maakt neurohormonen die activiteit van de hypofyse
aansturen
→ Hypothalamus krijgt informatie over het lichaam
→ stuurt informatie naar hypofyse
→ hypofyse zet andere hormoonklieren aan tot actie
Neurohypofyse = hypofyse achterkwab
bevat zenuwweefsel met daarin de uitlopers van de neuronen (zenuwcellen) uit de hypothalamus
Adenohypofyse = hypofyse voorkwab
bestaat uit klierweefsel
bloeddruk:
dalende bloeddruk
→ neuronen in hypothalamus maken neurohormoon ADH
→ via uitlopers van de neuronen komt ADH in de neurohypofyse
→ uitlopers geven het af aan het bloed
→ bloedvaten trekken samen
→ uitscheiding van water via nieren verminderd
→ bloeddruk stijgt
Synapsen in de hypothalamus geven
releasing-hormonen af aan het bloed
→ daarna komen ze meteen terecht in de adenohypofyse
→ Zo stimuleert het FSH releasing hormoon de adenohypofyse tot afgifte van FSH (+ geslachtklieren)
Inhibiting hormonen af aan het bloed
→ remmen productie van prolactine en FSH door de hypofyse
, Onder normale omstandigheden vind coördinatie van homeostase plaats
Voorbeeld:
→ om te groeien geeft hypothalamus het hormoon GHRH af
→ zorgt in de hypofyse voor afgifte van groeihormoon GH
→ GH stimuleert deling van kraakbeencellen ( invloed is indirect)
GH werkt in lever die ook als hormoonklier werkzaam is
→ uit de lever komt de stof IGF vrij ( werkt in kindertijd op groeischrijven van pijpbeenderen
→ kraakbeencellen van groeischrijven delen en differentiëren gedeeltelijk tot botcellen
→ pijpbeenderen groeien
→ na pubertijd verdwijnen groeischrijven
→ einde van de groei
→ er blijft een rest van GH achter in het bloed
→ GH zet ook vetcellen aan tot afbraak van vetten
Voorbeeld 2
→ uit hypothalamus komt het CRH vrijdag
→ dit zorgt in hypofyse voor afgifte van adenocorticotroop hormoon (ACTH)
→ ACTH stimuleert de cellen van de bijnierschors tot afgifte van diverse hormonen (cortisol)
→ Cortisol verhoogt je hartslag en glucose spiegel bij stress
Werking van verschillende hormonen
Steroidehormonen
- gemaakt uit cholesterol
→ gaan eerst door celmembraan
→ hechten dan aan receptoren in grondplasma van de cel
→ daar vormt het hormoon met eiwit receptor een hormoonreceptor complex
→ dit complex activeert het DNA
→ via RNA ontstaat in het grondplasma een bepaald eiwit
→ werkt in de cel bijvoorbeeld als enzym
Tyrosine hormonen
- gemaakt uit aminozuur tryosine
- hydrofoob
bereiken hun doelwitcellen op 2 manieren
→ schildklierhormoon bindt aan receptoren in het grondplasma
→ adrenaline bindt aan receptoren in het celmembraan
Peptidehormonen
- bestaan uit gekoppelde aminozuren (insuline)
→ binden aan eigen receptoren in het celmembraan
Signaalstoffen in cellen
Receptoren van peptidehormonen en adrenaline veranderen van vorm wanneer er hormonen aan
koppelen
→ geeft reactie aan binnenkant van celmembraan
→ G eiwit koppelt energierijke GTP aan de receptor
→ er ontstaat een cascade aan reacties
→ secundaire boodschapper ontstaat
= molecuul in het grondplasma dat de boodschap van het hormoon overneemt en overdraagt op het
molecuul dat in de cel de actie gaat uitvoeren
→ kunnen in een cel meerdere doelwitmoleculen hebben bijvoorbeeld een enzym of DNA