Begint vaak met aan of voor. Plaats -> direct vóór het werkwoord.
Julia geeft een cadeautje aan haar moeder.
Ik vroeg (aan) haar of ze nog op vakantie ging.
mij me
jou te
hem/haar/u le
ons nos
jullie os
hun/u les
Juan compra un regalo para su madre - Juan koopt een cadeau voor zijn moeder
Juan le compra un regalo - Juan koopt een cadeau voor haar
Laura me prepara un café - Laura maakt een kop koffie voor me
¿Te llevo algo? - Kan ik iets voor je meenemen?
Miguel le llevó flores - Miguel nam bloemen voor haar mee
Nos explica el problema - Hij legt (aan) ons het probleem uit
Os escribo una carta - Ik schrijft (aan) jullie een brief
Les damos la receta - Wij geven (aan) hun het recept
Bij een heel werkwoord mag het meewerkend voorwerp vastgeplakt worden
Voy a darte un beso - Ik ga je een kus geven
LIJDEND VOORWERP = degene die/datgene dat de werking van het gezegde ondergaat -> wat?
Plaats -> direct vóór het werkwoord.
Julia koopt een nieuwe fiets
Sam heeft gisteren een voetbal gevonden
Ik heb een heel spannend boek gelezen
mannelijk vrouwelijk
enkelvoud lo la
meervoud los las
¿Conoces a Roberto? - Ken je Robert?
Sí, lo conozco - Ja, ik ken hem
¿Tiene la talla M? - Heeft u maat M?
Sí, la tengo - Ja, die heb ik
¿Necesitas zapatos? - Heb je schoenen nodig?
No, no los necesito - Nee, die heb ik niet nodig
¿Llevas botas? - Draag jij laarzen?
Sí, las llevo - Ja, die draag ik
Bij een heel werkwoord mag het meewerkend voorwerp vastgeplakt worden
¿Vas a gastar el dinero? - Ga je het geld besteden?
Sí, voy a gastarlo - Ja, ik ga het besteden