Hoofdstuk 2
Er is 1 plek in ons lichaam waar weinig celdeling plaatsvindt. Dat is in ons brein. Bij de geboorte van
de baby, beschikt hij al over bijna alle hersencellen die hij in de rest van zijn leven nodig heeft. Dat
zijn er zo’n honderdmiljard. De cellen zoeken verbindingen met andere cellen. Dit proces van
verbinden kun je ontwikkelen noemen.
Als we kinderen laten leren, zorgen we er dus voor dat er nieuwe verbindingen tussen hersencellen
worden gemaakt of dat bestaande verbindingen sterker worden.
Aan de linkerkant zie je een cel. Het is een hersencel, met daaromheen het cellichaam. In de kern
bevinden zich chromosomen. Daar zit ons erfelijk materiaal in, een DNA-band met genen.
Axonen, de steeltjes of uitlopers van een cel, hebben aan hun uiteinde een verdikking. Daarin zitten
zakjes met chemische boodschappers, neurotransmitters. Een elektrische puls die razendsnel door de
axon gaat, schiet neurotransmitters uit hun zakje de synaps in. Neurotransmitters dragen tussen
hersencellen informatie over. Neurotransmitters zijn moleculen, chemische verbindingen.
Hoofdstuk 9
- Er bestaan verschillen tussen het brein van meisjes en dat van jongens. Over de interpretatie
van onderzoek daarnaar bestaan soms sterke meningsverschillen. De een benadrukt vooral
genetische, een ander vooral culturele invloeden voor die verschillen (nature en nurture)
- De volgende verschillen zij redelijk betrouwbaar vastgesteld.
o Patronen en behoefte aan beweging: bij jongens sterker
o Complexe en adaptieve patronen van bewegen, harmonisch uitgevoerd: bij meisjes
sterker
o Impulscontrole: bij meisjes sterker
o Spelgedrag en tekenen: meisjes meer zorg gericht, jongens meer ding(object)gericht
o Ruimtelijk inzicht: meisjes meer concrete en jongens een meer abstracte vorm
hiervan
o Het oplossen van ruimtelijke problemen: jongens zijn hier beter in
o Verschillen in taalvaardigheid: meisjes gebruiken taal makkelijker en vaker in allerlei
situaties
1