Dinsdag 2 september
From Antiquity to Enlightenment
The Chinese Empire:
China is een alternatief voor het westerse beeld van geschiedschrijving.
Confucius leefde rond 500 v.chr. We hebben geen geschreven bronnen meer over
van hem, maar er wordt veel naar hem verwezen dus hij moet belangrijk zijn
geweest. De geschiedschrijving is gebaseerd op de staat, niet op religie. Sinds de
eenheid in China sinds de 2 e eeuw v.chr. onder de Han-Dynastie is er geen
noodzaak geweest voor legitimatie door middel van geschiedschrijving. Het
schrijven van annales was de belangrijkste vorm van geschiedschrijving. Historici
waren verbonden aan de staat en er was geen concept van een neutrale historici.
Deze vorm van geschiedschrijving leidde niet tot historisch onderzoek of kritische
bevraging. Geschiedenis was niet gescheiden van mythen, en er zal een morele
kant aan.
Greek historians:
Dit was vooral politieke geschiedenis, maar soms aangevuld met cultuur en
geografie informatie voor context. Herodotus veranderde het woord historia naar
de betekenis van het verleden. Hij is een van de eerste bij naam bekende
historici voor ons, en schreef over de Perzische Oorlogen. Hij begon met een
wetenschappelijke benadering van geschiedenis door een scheiding te maken
tussen feiten en mythen. Hij luisterde ook naar ooggetuigen en nam dit op in zijn
werken. Thucydides vond dat geschiedenis moest gaan over het heden. Hij
schreef over de Peloponnesische Oorlogen. Hij was een Atheense generaal en
had toegang tot bronnen en ooggetuigen. Hij begon met schrijven het moment
dat de oorlog uitbrak en gebruikt zijn eigen ervaringen, nu vinden we dat er wat
tijd tussen moet zitten voor er geschiedenis over geschreven kan worden. Zij
hadden een circulair wereldbeeld. Thucydides dacht dat een historicus iemand
was in een goede positie en zo bij bronnen en ooggetuigen kon komen.
Geschiedenis werd geschreven door welgestelde mannen, zij waren geletterd en
hadden tijd en toegang tot bronnen.
The Roman Empire:
Polybius was een Griekse gijzelaar in Rome, en vroeg zich af hoe het Romeinse
Rijk zo groot en machtig was geworden. Hij schreef over het heden net als
Thucydides en gebruikte reisverslagen net zoals Herodotus. Hij gebruikte meer
geschreven bronnen dan de vorige twee en bestede aandacht aan bronkritiek.
De macht van Rome lag volgens hem aan de gemixte superieure politieke
systemen. Polybius had een circulair wereldbeeld, hij geloofde in de opeenvolging
van staatsvormen. Hij dacht dat Rome de cyclus van rijken kon doorbreken en
voor altijd kon blijven bestaan. Tacitus was een Romeinse senator en schreef erg
literair voor een kleine elite cirkel. Hij beschreef de politieke geschiedenis van het
, Romeinse Rijk van Augustus tot de 1 ste eeuw en probeerde geschiedenis te
schrijven zonder bitterheid of partijdigheid. Hij citeerde als een van de eerste
beroemde toespraken.
Medieval historians:
Na de fragmentatie van het Romeinse Rijk moesten historici de nieuwe rijken
legitimeren in hun werken. Er kwam een christelijk lineair beeld, van Genesis tot
de dag des oordeels. Monniken en kerkvaders schreven de geschiedenis, zij
hadden de tijd en vaardigheden om dit te doen, en schreven dit voor een
geletterde elite. Ze volgden het historische narratief van de Bijbel. Gregorius van
Tours was een bisschop in het Merovingische rijk. Zijn werk begon vanaf Genesis
en ging door tot de christelijke bekering van Clovis. Hij stond in de traditie van
christelijke geschiedschrijvers evenals morele geschiedschrijvers met lessen in
hun werken. Beda schreef de geschiedenis van Engeland vanuit een christelijk
perspectief. Hij gebruikte daarvoor orale en geschreven bronnen. Hij gebruikte
bronkritiek maar nam toch christelijke wonderen op in zijn werk.
Geschiedschrijvers zien de theologie en geschiedenis steeds meer als hetzelfde,
de geschiedenis begint bij Genesis. Er werden veel hagiografieën geschreven.
Renaissance historians:
Met de Renaissance werd geschiedenis belangrijker doordat het goddelijke recht
afnamen en de ‘agency’ van menselijk handelen toenamen, er konden lessen
geleerd worden uit het verleden. Ze waren bezig met een ideale geschiedenis en
vonden net als de Grieken en Romeinen dat een historicus een zakenman moest
zijn met toegang tot bronnen. Door de afstand met het Romeinse Rijk ontstond
een gevoel van historiciteit. Ze verwierpen de middeleeuwen en de
geschiedschrijving uit deze tijd en kregen een interesse in de oudheid, het
antiquarianisme. Door een groeiende geletterdheid konden meer mensen boeken
lezen en schrijven, door de drukpers kon dit makkelijk worden verspreid. De
ontdekking van nieuwe werelddelen en culturen paste niet binnen het christelijke
lineaire geschiedbeeld. De eerste beroemde historicus uit de Renaissance is
Leonardo Bruni, hij was kanselier van de Florentijnse Republiek en schreef Twelve
Books on the History of the Florentine People.
Enlightenment historians:
Vanaf de 17e eeuw begon men met het verzamelen van historische objecten. De
sociale, politieke, en religieuze chaos uit deze tijd dreef de geschiedschrijving
vooruit. In de verlichting kwam er steeds meer kennis over het verleden en werd
de geschiedenis een publiekelijker onderwerp door salons en tijdschrift. Door de
steeds groeiende geletterdheid konden meer mensen geschiedenis lezen en
schrijven. In de verlichting werd kennis systematisch gecategoriseerd en kwam
het vooruitgangsdenken op. In Schotland kwam de stadialeer op, de geschiedenis
economisch in vier stadia bekijken, dit was toen revolutionair. In Frankrijk was er
een focust op kunst en cultuur. In Duitsland waren er sterkere Lutherse wortels en