Samengevat door Fulvio Prezzavento
Hoofdstuk 1 - Inleiding
1.1 – Het gaat bij verbintenissenrecht om rechten t.o.v. een andere partij, terwijl goederenrecht de
rechten op een bepaald goed omvat. Beide maken deel uit van het vermogensrecht.
1.2 – Verbintenis: een rechtsverhouding tussen twee partijen, krachtens welke een der partijen, de
schuldenaar of debiteur, een op het terrein van het vermogen liggende prestatie verschuldigd is aan
de andere partij, de schuldeiser of crediteur, die deze van haar te vorderen heeft. 'Op het terrein van
het vermogen' wil zeggen dat bijvoorbeeld verplichtingen uit het familierecht, zoals de verplichting
van echtgenoten tot getrouwheid, hulp en steun en tot het aan elkaar verschaffen van het nodige,
geen verbintenis is maar een andersoortige rechtsplicht.
Een verbintenis hoeft niet op geld waardeerbaar te zijn en kan ook in een niet-doen bestaan.
Bijvoorbeeld de huurder mag geen veranderingen in de gedaante of de inrichting van de gehuurde
zaak aanbrengen zonder toestemming van de verhuurder. De verbintenis geeft niet alleen aan de
schuldeiser een vorderingsrecht, maar tevens een daaraan verbonden rechtsvordering (art. 3:296
BW), die veroorderling levert een executoriale titel op waarmee de gerechtigde zijn recht ook
daadwerkelijk kan verwezenlijken. Ubi us, ibi actio – waar een recht is, is een actie.
Overtreding van jegens iedereen geldende rechtsplichten is niet de schending van een verbintenis,
maar levert een onrechtmatige daad op jegens het slachtoffer. Die onrechtmatige daad is bron van
de verbintenis tot vergoeding van de schade (art. 6:162 BW), maar niet zelf ook schending van een
verbintenis. Bestaat echter wel een bijzondere rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar,
dan zijn de bijzondere regels die het verbintenissenrecht geeft voor de nakoming en niet-nakoming
van verbintenissen van toepassing.
1.3 Natuurlijke verbintenis, niet in rechte afdwingbaar (art. 6:3 BW), maar de vrijwillige nakoming
daarvan geschiedt niet zonder rechtsgrond en wordt dus niet als onverschuldigde betaling in de zin
van art. 6:203 BW aangemerkt.
Soorten natuurlijke verbintenissen
1. gevallen waarin vanaf het ontstaan van het recht de rechtsverhouding daaraan door de wet of
rechtshandeling is onthouden.
2. gevallen waarin de rechtsvordering aanvankelijk wel bestond, maar zij later aan het
vorderingsrecht is komen te ontvallen. De belangrijkste tot deze groep behorende gevallen zijn de
vorderingsrechten die verjaard zijn.
3. gevallen waarin de verplichting van zedelijke aard is.
De nakoming van een natuurlijke verbintenis is geen schenking. Onderscheid kan lastig zijn
wanneer iemand zich op morele gronden verplicht acht een ander geld te geven.
1.4 Bronnen van verbintenissen
Art. 6:1 BW – Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit.
De wetgever was beducht voor de rechtsonzekerheid die zou ontstaan, indien voor het bestaan van
een verbintenis geen aanknopingspunt in de wet is te vinden, zodat zij slechts op de redelijkheid en
billijkheid of het ongeschreven recht zou kunnen worden gebaseerd.
Ook waar de wet dat niet met zoveel woorden bepaalt, kan soms uit het stelsel van de wet en uit wat
wel uitdrukkelijk is bepaald, worden afgeleid dat uit de wet een verbintenis voortvloeit. Deze ruime
,uitleg van het begrip 'wet' is door de Hoge Raad voor het eerst uitdrukkelijk aanvaard in het arrest
van 1959, Quint / Te Poel. Het is die ruime opvatting die ten grondslag ligt aan art. 6:1 BW en die
de rechtspraktijk voldoende ruimte biedt om in enkele niet in de wet geregelde gevallen toch het
bestaan van een verbintenis aan te nemen, zonder te vervallen in een stelsel waarin verbintenissen
kunnen ontstaan uit de billijkheid zonder enig aanknopingspunt in de wet.
Bij de vaststelling of een bepaald feitencomplex een verbintenis oplevert, zonder dat de wet dit
bepaalt, speelt de analoge toepassing van bepalingen die een verbintenis in het leven roepen, een
grote rol. Voordat echter mag worden geconcludeerd dat de verbintenis uit de wet voortvloeit, moet
echter eerst worden vastgesteld of zij wel past in het wettelijk systeem. Dat kan immers bepalingen
bevatten die een contra-indicatie opleveren tegen analoge toepassing van een wetsartikel, omdat zij
dan onbegrijpelijk worden of onverenigbaar met de bij analogie gevonden verbintenis.
1.5 De inhoud van de verbintenis
Ontstaat de verbintenis uit de wet, dan bepaalt de wet de inhoud en de omvang van de verbintenis.
Het komt dan aan op de uitleg van de wet. Die geschiedt in ons land door uitleg van de wet, waarbij
aan de woorden van de wet (taalkundige uitleg), het stelsel van de wet (systematische uitleg), de
bedoeling van de wetgever (wetshistorische uitleg) en de strekking van de wet (teleologische uitleg)
grote betekenis wordt toegekend.
Anders dan bij de uitleg van de wet, heeft de uitleg van verbintenissen uit overeenkomst dan ook
een sterk subjectief element. Indien partijen een geschil hebben over de uitleg van de overeenkomt,
dan moet de rechter die vaststellen. In 1981 heeft de Hoge Raad in het Haviltexarrest, anticiperend
op de in art. 3:35 BW gecodificeerde vertrouwensleer, beslist dat voor de vraag waartoe partijen
bij een overeenkomst jegens elkaar gehouden zijn, het aan komt op de zin die partijen in de gegeven
omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede
van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van
zodanige partijen kan worden verwacht.
Redelijkheid en billijkheid als grondnorm
In art. 6:2 BW is voor alle verbintenissen als grondnorm bepaald, dat de schuldeiser en de
schuldenaar zich moeten gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Die
bepaling werd in Nederland in de doctrine en de rechtspraak als volgt uitgelegd. Partijen moeten bij
de uitvoering van de overeenkomst met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij rekening
houden en niet alleen hun eigen belang najagen, ongeacht de nadelige gevolgen daarvan voor de
wederpartij.
De functie van het ongeschreven recht om aan te vullen wat in wet of overeenkomst ongeregeld
bleef, noemt men de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid. Art. 6:248 lid 1 BW voor
verbintenissen uit overeenkomst en art. 6:2 lid 1 BW voor overige verbintenissen.
Beperkende werking
Art. 6:2 lid 2 BW geeft in algemene termen aan, dat een wettelijke, gebruikelijke of bedongen regel
niet mag worden toegepast in omstandigheden waarin het onaanvaardbaar zou zijn hem toe te
passen. De regel is daarmee niet nietig, want in andere omstandigheden blijft hij van kracht.
De geschiedenis van art. 6:2 lid 2 BW en van art. 6:248 lid 2 BW.
HR 1926 'Sarongarrest', hierin werd de derogerende werking niet (volledig) aanvaard. De Hoge
Raad overwoog namelijk dat het voorschrift enkel voorziet in een nadere bepaling van de wijze van
tenuitvoerlegging, maar niet een regeling is die tot algehele omverwerping der tevoren
aangenomen beginselen kan leiden. Deze opvatting is eerst in 1967 verlaten bij het arrest
'Saladin/HBU', toen werd mogelijk geacht dat een beroep op een exoneratiebeging in een
,overeenkomst aan een contractspartij niet vrij zou staan in het licht van de omstandigheden van het
geval.
Verschil met de aanvullende werking
De verbintenis wordt aangevuld door de redelijkheid en billijkheid in die gevallen waarin de wet,
gewoonte of rechthandeling geen regel geeft. Het buiten toepassing laten van een regel is echter
alléén geoorloofd, indien toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
zou zijn. Niet voldoende is dat toepassing in het oog van een buitenstaander tot onbillijke resultaten
leidt. Het is nu eenmaal inherent aan regels dat zij niet altijd en naar ieders inzicht billijk uitwerken.
Zou de enkele omstandigheid dat toepassing van de regel in het concrete geval, naar het oordeel van
de rechter, onbillijk is, genoeg zijn om de regel buiten toepassing te laten, dan zou het uitgangspunt
van het recht om de gevarieerde werkelijkheid in regels te vangen die in algemen zin billijk worden
geacht, geheel worden losgelaten. Dan immers is de regels niet meer dan een uitgangspunt voor de
beoordeling, maar niet een daarvoor in beginsel beslissende factor. Daarom is voor het buiten
toepassing laten van een tussen partijen geldende regel vereist, dat bij toepassing in de gegeven
omstandigheden resultaten worden bereikt, die zo kras onbillijk zijn, dat het rechtsgevoel ernstig
zou worden geschokt als de regel, hoewel hij in beginsel ook voor deze situatie geldt, wordt
toegepast.
Het ruime toepassingsgebied van de beperkende werking blijkt bijvoorbeeld uit dat het
onaanvaardbaar kan zijn om een beroep te doen op de ongeldigheid van een rechtshandeling.
1.6 Verbintenissen met meer dan twee partijen
De vragen die pluraliteit van partijen oproept zijn vooral of de schuldenaren van een en dezelfde
schuld tegenover de schuldeisen ieder slechts voor een deel van de schuld verbonden zijn, dan wel
ieder voor het geheel en of zij regres op elkaar hebben indien zij hoofdelijk verbonden zijn. In het
geval van meer schuldeisers rijst de vraag of ieder van hen zelfstandig nakoming van de
schuldenaar kan vorderen, of dat zij dat alleen gezamenlijk kunnen.
1.6.1 Pluraliteit van schuldenaren
art. 6:6 BW – gedeeltelijke aansprakelijkheid of aansprakelijkheid voor het geheel?
Een schuld is deelbaar, als zij in gedeelten kan worden voldaan. Dat is soms het geval bij
verbintenissen om niet te doen. Daaruit volgt niet, dat verbintenissen om te geven altijd deelbaar
zijn. Zij zijn alleen deelbaar als soortzaken verschuldigd zijn. Strekt de verbintenis tot het geven
van een bepaalde zaak, dan kan die niet in gedeelten worden nagekomen.
Verbintenissen om te doen zijn ondeelbaar indien de door de schuldenaren verschuldigde prestatie
niet is verricht, zoalng zij niet volledig is verricht. Schuldenaren kunnen zich ook hebben verplicht
om iets niet te doen, dit is geen hoofdelijke verbintenis in de zin van art. 6:6 BW. Bijvoorbeeld drie
schuldenaren hebben zich verbonden aan één concurrentiebeding, dan volstaat niet dat één
schuldenaar zich er aan houdt (HR 2011, Jurrius/Dobbelaar).
Art. 6:6 BW is alleen toepasselijk, indien schuldenaren tot één prestatie verplicht zijn, of zij
schuldenaren van dezelfde schuld zijn. Bijvoorbeeld, wie een zaak onrechtmatig beschadigt, is
schuldenaar van een verbintenis tot vergoeding van de schade. Is de eigenaar tegen schade
verzekerd, dan heeft hij ook een vordering uit de verzekeringsovereenkomst tegen de verzekeraar.
Die verbintenis uit de overeenkomst is niet dezelfde als die uit de wet.
Bronnen van hoofdelijkheid
- Rechtshandeling, de bij overeenkomst bedongen hoofdelijkheid wordt conventionele
hoofdelijkheid genoemd.
- wet
- gewoonte
, De wettelijke uitbreiding van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor een schuld betreft vooral
gevallen van toevallig samenlopende verbintenissen. Het belangrijkste voorbeeld geeft art. 6:102 lid
1 BW dat zegt dat zij die tot vergoeding van dezelfde schade gehouden zijn, hoofdelijk
aansprakelijk zijn. Het artikel ziet alleen op wettelijke verbintenissen tot schadevergoeding, omdat
van de afdeling waarin die onrechtmatig of door wanprestatie schade veroorzaakt is dus niet
hoofdelijk verbonden met de schadeverzekeraar.
Hoofdelijkheid na overgang van de schuld
Art. 6:6 lid 3 BW bepaalt dat de schuldenaar met de schuldeiser kan overeenkomen dat, wanneer de
schuld op twee of meer rechtsopvolgers overgaat, dezen voor ongelijke delen of hoofdelijk
verbonden zullen zijn. Die overeenkomst bindt uiteraard de erfgenamen die de persoon van de
schuldenaar voortzetten. De bepaling stelt in het licht dat de erfrechtelijke regel dat de schulden
door de erfgenamen worden gedeeld in evenredigheid van hun erfdeel alleen geldt, indien
daaromtrent tussen de schuldenaar/erflater en de schuldeiser niet anders is overeengekomen. De
regel geldt ook voor overgang van de schuld onder bijzondere titel.
Art. 6:7 – 14 BW, gevolgen van hoofdelijke aansprakelijkheid.
De verhouding tot de schuldeiser
'Des dat de een betalende, de anderen zullen zijn bevrijd.'
Met nakoming is in art. 6:7 lid 2 BW uitdrukkelijk inbetalinggeving en verrekening gelijkgesteld.
Dat lijkt ten overvloede geschied te zijn, zie art. 6:45 en 6:127-141 BW. Bovendien is de
opsomming niet volledig, omdat de verbintenis in beginsel ook door een ander dan een van de
schuldenaren kan worden nagekomen (art. 6:30 BW).
Art. 6:9 lid 1 BW spreekt van een aanbod tot afstand, omdat afstand van vorderingsrecht krachtens
art. 6:160 BW alleen de verbintenis teniet doet gaan als de schuldenaar het aanvaarde. Voorwaarde
is dat het aanbod om niet is gedaan en dat de afstand ook de andere schuldenaren betreft.
Verjaring van het vorderingsrecht doet de verbintenis niet tenietgaan, maar ontneemt daaraan alleen
haar afdwingbaarheid in rechte, waarna de verbintenis blijft voortbestaan als natuurlijke verbintenis.
Verjaring tegen één der schuldenaren bevrijdt die schuldenaar dus niet en brengt a fortiori niet mee
dat de hoofdelijke medeschuldenaren zijn bevrijd en al evenmin dat nu ook de andere schuldenaren
zich op verjaring kunnen beroepen.
De onderlinge verhouding van hoofdelijke schuldenaren
In art. 6:8 BW is thans bepaald dat art. 6:2 BW, dat de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar
onderwerpt aan de eisen van R&B van overeenkomstige toepassing is op de onderlinge verhouding
van hoofdelijke schuldenaren. Dat is de basis voor de bijdrageplicht van art. 6:10 lid 1 BW. Een
schuldenaar die de schuldeiser heeft voldaan, heeft in beginsel regres op zijn medeschuldenaren.
Bijdrageplicht
De bijdrageplicht van ieder van de hoofdelijke schuldenaren hangt af van hun onderlinge
rechtsverhouding. Die bepaalt welk gedeelte van de schuld ieder van hen aangaat. Art. 6:102 lid 1
BW verplicht hoofdelijk aansprakelijke plegers van een onrechtmatige daad bij te dragen 'krachtens
art. 10'. Hoeveel ieder moet bijdragen wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van art. 6:101
BW. Tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Beslissend is dus in
beginsel de mate waarin de een ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben
bijgedragen. Art. 6:170 lid 3 BW, onrechtmatige daad door ondergeschikte.