De student kan…
• uitleggen welke reflexen een pasgeborene vertoont
houdingsreflex= kan met steun zitten
grijpreflex= vastklampen aan verzorger, of aan eten
zuigreflex
onaangename geluiden, fel licht kunnen ontvluchten of vermijden
• een beschrijving geven van de ontwikkeling van de zintuigen, taal en sociaal-
emotionele ontwikkeling van geboorte tot en met de kleutertijd
ontwikkeling zintuigen
- reageren op vinger die wang streelt, hoofd naar de vinger draaien en erop zuigen
- hoe zoeter de smaak hoe meer en sterkere zuigbewegingen
- binnen twaalf uur toont tekenen van plezier na eten van suikerwater of vanille/banaan
afkeer voor bitter en zuur, veel stoffen die bitter zijn, zijn giftig en zuur is vaak bedorven.
- zoeken omgeving af met hun ogen, zien nog wazig omdat hun spieren nog niet sterk
genoeg zijn om de lens te vormen.
- draaien zich richting een stem en steken een onderzoekende hand uit
- binnen enkele weken herkennen ze stem van hun vader of moeder, vrouwelijke stem is
aantrekkelijker
Taalontwikkeling
Je kan het verdelen in 4 stadia:
- brabbelen: Naast hun vermogen om stemgeluid waar te nemen hebben zuigelingen de
neiging om zelf taalachtige geluiden te produceren. Ze maken hierbij gebruik van hun
stemorgaan. Het zijn nog niet echte woorden, maar wel spraakachtige geluiden en
lettergrepen zoals, mamama of bababa. In dit stadium zijn zuigelingen al wel in staat zich
aan de elementaire conversatieregels te houden, zo weten ze dat je om de beurt geluid
moet maken. Alle baby‟s in de wereld doen dit, pas als de baby de taal gaat leren de hij
om zich heen hoort, wordt het repertoire beperkt tot klanken die bij de taal horen.
- Een woordstadium: De woordenschat is een belangrijke onderneming die in de eerste
levensjaren plaatsvindt. Dit vind plaatst tussen 10 maanden tot 18 maanden
namingexplosion (bij 18 maanden oud)= ze wijzen iets aan en willen weten wat het is en
hoe het heet.
- Tweewoordstadium: Grotere woordenschat en 2 woorden zeggen, zoals papa bal, papa
centjes (papa is aan het werk). 18 maanden -2/3 jaar.
- Telegramspraak: 3 of meerdere woorden kunnen zeggen en zo een zin maken en
grammatica kennen ze een beetje. Vb Ik heb pijn, ik moet wc, ik wil tv kijken. Verleden tijd
en meervoud is nog lastig.
Over generatie= het toepassen van grammaticale regels. De grammaticale regels gaan
ze te vaak toepassen. Bijvoorbeeld vervoegen van werkwoorden, dan zeggen ze ik loopte
ipv ik liep.
,Als het kind wat ouder wordt (vanaf 3 jaar) gaat het meer abstracte termen gebruiken,
termen die zijn of haar fysieke wereld overstijgen en uitdrukkingen geven aan innerlijke
ervaringen. VB droom, vergeten, geloven, hopen, blij, boos, verdrietig etc.
Het belangrijkste aspect van het complexe proces van taalverwerving = dat de taal een
bijzondere belangrijke vaardigheid is die het kind tijdens zijn jeugd moet ontwikkelen. Een
proces waarop kinderen uitstekend voorbereid zijn. De manier waarop taal verworven en
gebruikt wordt, doet vermoeden dat het hele proces van opgroeien en volwassen worden
bestaat uit een combinatie van leren en aangeboren processen, die zich volgens hun
eigen ontwikkelingsschema‟s ontvouwen.
Sociaal-emotionele ontwikkeling
1 hechting
2 theory of mind
3 temperament (aangeboren ervaring)
• het verschil uitleggen tussen drie typen hechtingsgedragingen bij kinderen
3 soorten hechtingen: Veiligheid, angstig vermijdend(zoekt geen contact met
ouder) en angstig afwerend (ontroostbaar).
Uit onderzoek was gebleken dat als hun moeder wegging hun temperatuur ging
dalen, dus een teken van emotioneel ongenoegen. De huidtemperatuur daalde nog
meer als hun moeder werd vervanger door een vreemde (bijv oppas). Blijkbaar
beschouwen kinderen, zelfs als ze nog maar een paar maanden oud zijn, hun
verzorgers (moeder en vader) als een veilige basis
In de tweede helft van het eerste jaar krijgen ze angst voor vreemden.
• uitleggen hoe een (on)veilige hechting tussen ouder en kind kan ontstaan
Als het kind zich niet begrepen voelt bij zijn ouders of als ouders weinig tijd in hun
kind steekt. Ouderlijke sensitiviteit werd beschouwd als een bepalende factor van
de kwaliteit van de hechtingsrelatie.
• beschrijven wat ‘theory of mind’ betekent en hoe dit zich ontwikkelt bij baby’s,
peuters en kleuters
Theory of mind is het menselijk vermogen om zich een beeld te vormen v/h perspectief v/e
ander en indirect ook van zichzelf. Wanneer men beschrijft wat een ander ziet, ze
begrijpen dus hoe andere denken of doen, maar nog niet zo goed nog bij hun zelf. Dit
komt pas later.
Dankzij de cognitieve groei in de babytijd zijn oudere baby‟s bijv. al in staat om mensen op
een hele andere manier te zien dan objecten. Ze leren andere zien als zogenaamde
complaint agents, wezens die net als zijzelf uit eigen beweging opereren en het vermogen
hebben om te reageren op hun verzoeken. Baby‟s beginnen te beseffen dat het gedrag
van andere een bepaalde heeft en dat het gedrag dat ze bij andere mensen zien bedoeld
is om de specifieke doelen te bereiken. Als ze een jaar of 2 zijn, beginnen kinderen de
eerste sporen van empathie te vertonen. Ze kunnen gaan troosten of bezorgd worden over
andere. Om dat te kunnen, moeten ze zich bewust zijn van de emotionele gesteldheid van
anderen. Ook beginnen ze met misleiding, zowel in vorm van fantasiespelletjes als van
onverbloemde poging om andere om de tuin te leiden. Een kind dat doet alsof en
, onwaarheden zegt moet zich ervan bewust zijn dat andere bepaalde opvattingen hebben
over de wereld. In de peuter- en kleutertijd kunnen kinderen zich steeds beter in andere
verplaatsen. Ook begrijpen ze dat mensen motieven en redenen hebben voor hun gedrag.
Een kind van deze leeftijd begrijpt dat zijn moeder boos is omdat ze te laat was voor een
afspraak. Ook begrijpen ze dat mensen voor de gek gehouden kunnen worden en dat ze
zich kunnen vergissen in de fysieke realiteit. Dankzij dit begrip worden kinderen sociaal
vaardiger.
• beschrijven wat animistisch denken, assimilatie, accommodatie en
objectpermanentie is en hier voorbeelden van geven
Animistisch denken: Kleuters hebben vaak een animistische houding ten opzichte van
de wereld om hen heen, vooral in het geïndustrialiseerde deel van de wereld. Voor een
kleuter kunnen bomen praten en kunnen dingen menselijke eigenschappen hebben
Assimilatie= incorporeren van wat waargenomen wordt in een bestaand „‟handelings‟‟
schema. Hij leert nieuwe groepen te vormen en er dingen bij te voegen. Bijvoorbeeld: Hij weet
dat een Hond een Dier is. Dan moet ie een kat ook in een groep plaatsen, die komt ook bij de
Dieren. Het kind assimileert de hond en kat samen als een dier.
Accommodatie is het tegenovergestelde, hier wordt namelijk de schema‟s aangepast. Eerst
kent het kind alleen de groep vogels en alles wat vliegt is een vogel. Daarna leert hij soorten
kennen, zoals duif, kraai, mus, vliegtuig etc. Dit is een houding die aanpassingen maakt bij
nieuwe gezagsverhoudingen.
Objectpermanentie: Beeld in zijn geheugen opslaan en dit onbewust. Als ze nog erg jong
zijn hebben ze dit nog niet. Vb. speelgoed verstoppen onder een doekje voor zijn neus en
dan weet ie niet waar het speelgoed is gebleven. Na ongeveer 1 jaar snapt ie dat het
speelgoed gewoon onder het doekje ligt. Dit verschilt wel per kind hoe snel ze dit hebben
ontwikkeld
• uitleggen hoe de ontwikkeling van smaak en voedselkeuze gedurende de
kindertijd verloopt
Neofobie= angst voor nieuw voedsel. Dit komt door een
beschermingsmechanisme.
Je kan het eten in een andere vorm geven, vb gepureerd, gemengd met andere
dingen of in een ovenschotel.
• uitleggen wat de verschillende oorzaken van alledaagse eetproblemen bij
peuters en kleuters kunnen zijn en welke adviezen in deze situaties gegeven
kunnen worden
Sofie Janssen zegt vaak tegen haar dochtertje Leonoor: “Als jij je bord leeg eet,
dan krijg je een lekker toetje.” Geef commentaar op deze aanpak.
Het lijkt nu of het eten een straf is en het toetje beloning, maar zo moet ie het niet
associëren natuurlijk. Zo ontwikkeld het kind een aversie tegen maaltijden. Je kan
beter hem gewoon laten eten en wat ie niet meer wilt bewaren voor later op de
avond als ie weer trek krijgt. En soms kan je hem gewoon al een toetje geven.