Inhoudsopgave
Week 1 ....................................................................................................................................3
Hoofdstuk 1: ........................................................................................................................3
Hoofdstuk 2: ........................................................................................................................6
Hoofdstuk 3 .........................................................................................................................7
Week 2 ....................................................................................................................................8
Hoofdstuk 2: ........................................................................................................................8
Hoofdstuk 3: ...................................................................................................................... 13
Week 3 .................................................................................................................................. 19
Hoofdstuk 4 ....................................................................................................................... 19
Hoofdstuk 10 ..................................................................................................................... 30
Week 4 .................................................................................................................................. 37
Hoofdstuk 6 ....................................................................................................................... 37
Hoofdstuk 8 ....................................................................................................................... 42
Week 5 .................................................................................................................................. 46
Hoofdstuk 8 ....................................................................................................................... 46
Week 6 .................................................................................................................................. 50
Hoofdstuk 9 ....................................................................................................................... 50
Arresten ................................................................................................................................ 54
Week 2: ............................................................................................................................. 54
Rechterlijke uitzendverbod (HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3416, NJ 2004/80) ......... 54
Urgenda (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, NJ 2020/41) ............................. 55
Week 3: ............................................................................................................................. 56
Guldemond-Noordwijkerhout (HR 31 december 1915,
ECLI:NL:HR:1915:AG1773, NJ 1916/407) ......................................................................... 56
Maring-Assuradeuren (HR 3 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB3597, NJ 1972/339)............ 57
Week 4: ............................................................................................................................. 58
Goudse bouwmeester (HR 12 maart 1926, ECLI:NL:HR:1926:AG1802, NJ 1926/777)......... 58
Hofland-Hennis (HR 10 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4177, NJ 1981/532) .................... 59
Week 5: ............................................................................................................................. 60
De kantharos van Stevensweert (HR 19 juni 1959, ECLI:NL:HR:1959:217, NJ 1960/59) ...... 60
Haviltex (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635) .............................. 61
Week 6: ............................................................................................................................. 62
Lindenbaum-Cohen (HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, W 10365) ................ 62
1
, Kelderluik (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136) ....................... 63
Extra Arrest: ....................................................................................................................... 64
Eelman/Hin (HR 11 december 1959, ECLI:NL:HR:1959:AG2042, NJ 1960/230).................. 64
2
, Week 1
Hoofdstuk 1:
Het recht tracht de vrede in de samenleving te bewaren door de belangen van de gemeenschap
en de belangen van de individuele leden van de samenleving te beschermen.
Rechtsregels hebben het doel om menselijke gedragingen te ordenen en daarmee ook te
uniformeren, doordat ze voor iedereen gelijkelijk van kracht zijn.
Recht: het geheel van geldende rechtsregels
- 1ste betekenis: algemene regels (LAW) (objectief)
- 2de betekenis: een recht is een aan het objectieve recht ontleende, individuele
bevoegdheid. (RIGHT) (subjectief)
Positiefrecht/objectiefrecht: het geheel van rechtsregels die op dit moment in Nederland gelden
Natuurrecht: het recht dat voor iedereen geldt ongeacht plaats en tijd omdat het door de ‘natuur’
is gegeven. Het gaat om universele waarden en normen die zijn voortgekomen uit de natuur
zonder dat de mens daaraan te pas is gekomen.
Subjectief recht: de bevoegdheid die iemand in een concreet geval aan een regel van objectief
recht ontleent.
- Bijvoorbeeld: meneer Jansen koopt een auto van mevrouw koster. Meneer Jansen moet
€8000,- aan mevrouw koster betalen en heeft op grond van art 7:26 lid 1 BW een
objectief recht. Mevrouw Koster heeft een subjectief recht op het objectieve recht van
meneer Jansen, dat zij recht heeft op de betaling van €8000,-
Rechtsbronnen: de bronnen waaruit het geldende recht als het ware voortvloeit.
- Bij rechtsbronnen gaat het om de vorm waarin de rechtsregels zich voordoen, en niet om
de inhoud van de regels.
Soorten rechtsbronnen:
• De wet
• Jurisprudentie
• Gewoonte
• Verdragen en sommige besluiten van internationale organisaties
• Algemene rechtsbeginselen
• Gepubliceerde beleidsregels
Wet: elke algemeen geldende geschreven rechtsregel die afkomstig is van een tot wetgeving
bevoegd overheidsorgaan.
Soevereiniteit: bevoegdheid van elk land om de eigen rechtsorde vast te stellen en te
onderhouden.
3
, Incorporatiesysteem: regels van internationale oorsprong hebben hier interne gelding. Zij werken
door in de Nederlandse rechtsorde zonder dat daarvoor omzetting naar nationaal recht nodig is.
Als een land op deze wijze regels van internationale herkomst opneemt in het nationaal recht
wordt dat het incorporatiesysteem genoemd.
Internationaalpubliekrecht (volkenrecht): het deel van het internationaal recht dat rechtsregels
bevat over het verkeer tussen staten onderling en het verkeer tussen staten en internationale
organisaties.
- Verdragen
- Besluiten van internationale organisaties
- Regels van gewoonte recht
Verdrag: een schriftelijke bindende regeling tussen staten onderling of tussen staten en
internationale organisaties
Voorrang:
- Een regel of een besluit van internationale herkomst voorrang heeft boven de nationale
regel.
Materieel recht: regels die betrekking hebben op de rechten en plichten van personen in hun
onderlinge verkeer (op de inhoud gericht)
Formeel recht: regels over de wijze van procederen bij de rechter.
Vijf rechtsgebieden:
1. Staatsrecht: de regels die betrekking hebben op de organisatie van de staat en zijn
organen en op de bevoegdheden van die organen.
2. Bestuursrecht: heeft de juridische bestuursactiviteit van de overheid tot onderwerp. De
rechtsverhouding tussen overheid en burger staat centraal
a. Materiele bestuursrecht: houdt zich in hoofdlijnen bezig met de bevoegdheid van
bestuursorganen tot het maken van beschikkingen en met de vereisten die aan
een rechtsgeldige beschikking worden gesteld.
b. Formele bestuursrecht: is geregeld dat de burger tegen een beschikking bezwaar
kan maken bij het bestuursorgaan dat de beschikking uitvaardige.
3. Strafrecht: het bedreigt bepaalde gedragingen met een straf
Reden: het voorkomen dat die gedragingen worden verricht en daarmee het beveiligen
van de maatschappij.
a. Materiele strafrecht: geeft aan welke gedragingen strafbaar zijn, wie strafbaar is
en welke straffen kunnen worden opgelegd voor het begaan van de strafbare
feiten.
b. Formele strafrecht: bevat voorschriften omtrent de gang van zaken bij de
opsporing van strafbare feiten, het onderzoek te terechtzitting en de
tenuitvoerlegging van de straf.
*strafbaar feit: een in de wet met straf bedreigde gedraging.
4. Burgerlijkrecht: heeft de juridische betrekkingen tussen personen onderling tot
onderwerp.
a. Materiele privaatrecht: 2 hoofdgroepen van relaties onderscheiden: regels
betreffende de persoon en regels betreffende het vermogen van een persoon.
4