,Inhoudsopgave
Hoorcollege 5................................................................................................. 3
Notities hoorcollege 5................................................................................................... 12
Jurisprudentie hoorcollege 5.........................................................................................15
Hoorcollege 6............................................................................................... 16
Notities hoorcollege 6................................................................................................... 26
Jurisprudentie hoorcollege 6.........................................................................................28
Hoorcollege 7............................................................................................... 29
Hoorcollege 7 notities................................................................................................... 47
Werkcollege 7............................................................................................................... 50
Gastcollege 8............................................................................................... 51
Gastcollege notities...................................................................................................... 52
2
, Regeren en besturen, vanaf hoorcollege 5
Hoorcollege 5
H4 – Het besluit om (niet te) handhaven – de belangenafweging
4.1 De beginselplicht tot handhaving
De beginselplicht tot handhaving is een centraal element van het handhavingsrecht. De door
de afdeling gehanteerde overweging is de volgende.
‘’ Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding
van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om niet met een last onder
bestuursdwang of dwangsom op te treden, In de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten
maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden
geverfd het niet te doen. Dit kan zich voordoen en in concreet zicht op legalisering bestaat.
Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te
dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.’’
Het CBb hanteert hetzelfde uitgangspunt. De CRvB en de HR hanteren niet de beginselplicht
tot handhaving. Het gaat bij de CRvB en de HR ook relatief vaak om punitieve handhaving.
4.2 Beginselplicht geldt niet bij bestraffende sancties
Dat er geen beginselplicht is tot handhaving waar bestraffende sancties maakt niet dat de
beginselplicht volstrekt irrelevant is buiten herstelsancties. De gedachte achter de
beginselplicht tot handhaving is naar mijn mening in alle handhavingsprocedures relevant: het
algemeen belang vergt een consequent en effectieve handhaving van het recht.
4.3 Concreet zicht op legalisering (ook wel legalisatie)
Één van de uitzonderingen op de beginselplicht tot handhaving is als activiteit binnenkort
legaal zou worden. Toevallig geldt dat concreet zicht op legalisering aannemelijk kan worden
gemaakt bij een ophanden zijnde wijziging van de wet in formele zin. Daarvoor is dan wel
vereist dat de wetgeving in verregaande staat van voorbereiding is. Het feitelijk beëindigen
van de overtreding is geen bijzondere omstandigheden die valt binnen de categorie van het
concrete zicht op legalisering. Let wel op dat het op korte termijn kunnen beëindigen van de
overtreding wel een rol kan spelen in het kader van een belangenafweging en de
evenredigheid van het ingrijpen.
4.3.1 Concreet zicht op legalisatie – ruimtelijke ordening
Activiteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan kunnen In de algemene zin op twee
manieren legaal worden: of de gemeenteraad past het bestemmingsplan aan of het college
verleent een omgevingsvergunning.
4.3.1.1 Bestemmingsplan
Voor concreet zicht op legalisering is vereist dat er een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is
gelegd waarin het illegale gebruik gelegaliseerd wordt.
3
, 4.3.1.2 Omgevingsvergunning voor strijdig gebruik
Als het strijdige gebruik over de band van omgevingsvergunning gelegaliseerd zou moeten
worden, dan moet er in ieder geval een aanvraag zijn gedaan voor een omgevingsvergunning
om te kunnen spreken van een concreet zicht op legalisering.
Als de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, dan geldt het volgende. Als het
college wel wil legaliseren, dan is het al voldoende als het college de bereidheid uitspreekt te
zullen vergunnen. Dat gaat alleen niet op als op voorhand duidelijk is dat het besluit om te
legaliseren onhoudbaar is.36 Als het college niet wil legaliseren, dan is dat feit al voldoende
om geen concreet zicht aan te nemen. Dat gaat alleen niet op als op voorhand duidelijk is dat
het besluit om niet te legaliseren onhoudbaar is.
4.3.2 Concreet zich op legalisering – bouwen
Bij illegale bouwwerken heeft de Afdeling aangenomen dat het bestuursorgaan uit zichzelf
moet onderzoeken of het bouwwerk gelegaliseerd kan worden door verlening van een
omgevingsvergunning voor het bouwen. Het moet overigens wel aannemelijk zijn dat de
overtreder desgevraagd een aanvraag voor een omgevingsvergunning gaat indienen.
4.3.3 Concreet zicht op legalisatie – milieu
Voorlegalisering van het inwerking hebben van een vergunningplichtige inrichting zonder een
omgevingsvergunning voor de activiteit milieu ligt de lat wat hoger. Niet alleen moet er een
aanvraag zijn gedaan, het moet ook een ontvankelijke (complete) aanvraag zijn.
4.3.4 Andere soorten vergunningen en toestemmingen
In algemene zin geldt dat in ieder geval een vergunningaanvraag is vereist om te kunnen
spreken van concreet zicht op legalisering. Als er wel een vergunningaanvraag is gedaan, is in
beginsel de mededeling van het bestuursorgaan dat het niet voornemens is om positief te
beschikken op die aanvraag voldoende om aan te nemen dat geen sprake is van concreet zicht
op legalisering.
Het CBb hanteert een goed vergelijkbare benadering ten aanzien van concreet zicht op
legalisering. Zonder vergunningaanvraag kan er in beginsel geen sprake zijn van concreet
zicht op legalisatie. Mogelijke toekomstige beleidswijzigingen zijn verder onvoldoende om
concreet zicht op legalisatie aan te nemen.
4.3.5 Concreet zicht op legalisering – vuistregels
Uit de rechtspraak blijkt volgens mij dat er een aantal vuistregels is voor wanneer sprake kan
zijn van concreet zicht op legalisering. De vuistregels zijn:
De overheid mag niet handhaven als aannemelijk is dat de activiteit binnenkort
gelegaliseerd zal worden (‘concreet zicht op legalisatie’ of ‘concreet zicht op
legalisering’).
– Of dat aannemelijk is, kan meestal pas worden beoordeeld als de legalisatie
daadwerkelijk is aangevraagd.
Als de overheid geen ruimte heeft om een eigen afweging te maken over de vraag of
legalisatie gewenst is(discretionaire ruimte), dan moet getoetstworden of de
vergunning verleend of geweigerd zou moeten worden, gelet op het dwingende
toetsingskader. Moet de vergunning worden verleend? Dan is er concreet zicht op
legalisering, tenzij aannemelijk is dat de overtreder geen vergunning zal aanvragen.
Als de overheid wel ruimte heeft om een eigen afweging te maken over de vraag of
legalisatie gewenst is (discretionaire ruimte), dan is het feit dat de overheid niet wil
4