Psychologie: de wetenschappelijke studie naar gedrag en mentale processen.
- Twee disciplines: filosofie en de natuurwetenschappen
Is de geest aangeboren (nature) of gevormd door ervaring (nurture)?
Empirisme: idee in de 17e eeuw die stelde dat kennis het resultaat was van ervaringen.
- Tegenwoordig: de geest als het resultaat van interacties tussen aangeboren kenmerken
en ervaringen.
Stromingen in de psychologie:
Structuralisme: de geest kan opgebroken worden in de kleinste elementen van mentale
ervaringen (Wilhelm Wundt en Titchener)
Gestaltpsychologie: Gestalt betekent geheel. Volgens de Gestaltpsychologie leidt het
opbreken van de gehele perceptie in bouwblokken tot het verlies van belangrijke
psychologische informatie.
Functionalisme: Beschouwde gedrag als doelgericht, omdat het leidde tot overleven.
Gedragingen die de kans op overleving vergroten worden herhaald, terwijl irrelevante of
gevaarlijke activiteiten niet worden herhaald.
- William James
- Geïnteresseerd in de reden waarom gedrag en mentale processen op een bepaalde
manier werkten.
Klinische psychologie: Twee wetenschappelijke benaderingen: medisch (fysieke oorzaken
van abnormaal gedrag en medische behandeling) en psychologisch model (abnormaal gedrag
als resultaat van levenservaringen).
Freud: ontwikkelde de psychodynamische theorie en de technieken van psychoanalyse voor
het behandelen van mentale stoornissen. Hij baseerde zijn theorieën met name op introspectie
in plaats van wetenschappelijk onderzoek.
Humanistische psychologie: Stelde dat mensen goed geboren worden en gemotiveerd zijn
om zichzelf te verbeteren. Volgens Maslow is het doel van zelfverwerkelijking het toppunt
van motivatie. Carl Rogers ontwikkelde de cliëntgerichte therapie, waarbij de cliënt wordt
gezien als gelijk aan de therapeut.
Behaviorisme: richtte zich op observeerbaar, meetbaar gedrag. Veel behavioristen deden
enkel onderzoek naar dieren en baseerden hun aannames over menselijk gedrag op hun
observaties van dieren. Zeer geïnteresseerd in leren: gedragsveranderingen als gevolg van
ervaringen.
- Pavlov ontdekte klassieke conditionering, waarbij een geleerde associatie wordt
gebruikt om te anticiperen op belangrijke toekomstige gebeurtenissen.
CS (geluid) UCS (eten) UCR (kwijlen)
CS (geluid) CR (kwijlen)
, - Watson kwam op basis van zijn eigen experimenten tot veel van dezelfde conclusies
als Pavlov. Zowel Pavlov als Watson legde de focus op de verbanden tussen cues in de
omgeving en observeerbaar gedrag.
- Thornton ontwikkelde de law of effect, die stelt dat gedragingen met plezierige
uitkomsten in de toekomst vaker voor zullen komen, terwijl gedragingen met
onplezierige uitkomsten minder vaak zullen voorkomen.
- Volgens Skinner bestonden mentale processen als gedachten en gevoelens wel, maar
hij beschouwde deze als gedragingen die dezelfde regels volgden als zichtbare
gedragingen. Skinner bestudeerde de gedragingen van ratten en duiven in aangepaste
kooien en generaliseerde zijn bevindingen naar het gedrag van mensen.
Operante conditionering: Bekrachtigen en straffen, relatie tussen gedrag en
daaropvolgende stimulus.
Cognitieve psychologie: Cognitie omvat de interne mentale processen, zoals
informatieverwerking, denken, redeneren en probleemoplossing. Door computertechnologie
werd onderzoek gedaan naar mentale processen, die tot observeerbaar gedrag leidden.
Psychologische perspectieven:
Biologische psychologie: Richt zich op de verbanden tussen geest en gedrag. Biologische
processen: genetica, biochemie, anatomie en fysiologie. Geïnteresseerd in de fysieke
mechanismen die samenhangen met gedrag.
Evolutionaire psychologie: Richt zich op de vraag hoe onze fysieke structuur en gedrag
gevormd zijn door de bijdragen ervan aan de overleving van de mens. Gaat ervan uit dat ons
huidige gedrag is ontstaan, omdat het de kansen op overleven en reproductie voor onze
voorouders heeft vergroot.
- Moderne versie van functionalisme.
Cognitieve psychologie: richt zich op het denkproces of informatieverwerking. Omdat het
geheugen een belangrijke rol speelt bij informatieverwerking, veel onderzoek naar de opslag
en het terughalen van informatie.
Sociale en persoonlijkheidspsychologie: beschrijft de effecten van de sociale omgeving,
zoals cultuur, op het gedrag van individuen. Stellen dat we onze eigen realiteit construeren en
dat de sociale omgeving invloed heeft op onze gedachten, gevoelens en gedragingen.
Ontwikkelingspsychologie: Onderzoekt de normale gedragsveranderingen die gedurende het
leven plaatsvinden. Een psycholoog onderzoekt dan bijvoorbeeld hoe het geheugen
functioneert bij mensen van verschillende leeftijden.
Klinische psychologie: Richt zich op het verklaren, definiëren en behandelen van
psychologische stoornissen.
Hoofdstuk 1.1 Kalat (36-45)
Mind-body probleem: Waarom sommige hersenactiviteiten bewust zijn terwijl computers
zonder bewustzijn functioneren. Vraag hoe gedachten en emoties zich verhouden tot
hersenactiviteit.
,Het veld van biologische psychologie:
Biologische psychologie: vakgebied dat de fysiologische, evolutionaire en
ontwikkelingsmechanismen achter gedrag en ervaring bestudeert.
- Biologische psychologie onderzoekt hoe biologische processen, zoals
hersenmechanismen, gedrag en psychologie beïnvloeden. De focus in biologische
psychologie ligt op het verklaren van gedrag.
- Dit perspectief stelt dat ons denken en handelen worden aangedreven door
hersenmechanismen, die in de loop van de evolutie zijn ontstaan om overleving en
voortplanting te bevorderen.
3 punten om te onthouden:
1. Perceptie vindt plaats in de hersenen: Alles wat je voelt, ziet of hoort, wordt in je
hersenen ervaren, niet in je hand of ogen. Elektrische stimulatie van de hersenen kan
dezelfde ervaringen opwekken, zelfs zonder externe prikkels.
2. Monisme versus dualisme: Volgens monisme zijn gedachten en hersenactiviteit
hetzelfde fenomeen, dus onverbiddelijk aan elkaar. Monisme is tegengesteld aan
dualisme, dat beweert dat de geest en het lichaam gescheiden zijn.
3. Individuele verschillen in perceptie: Mensen ervaren de wereld verschillend door
variaties in hun hersenen. Dit leidt tot verschillen in gevoeligheid voor smaken,
herkenning van gezichten, gevoeligheid voor pijn, en meer.
Biologische benadering van gedrag:
Vier categorieën van biologische verklaringen:
1. Fysiologische verklaringen: Relateren gedrag aan de activiteit van de hersenen en
andere organen. Bijvoorbeeld, hoe hormonale reacties en hersenactiviteit
spiercontracties beïnvloeden.
2. Ontogenetische verklaringen: Beschrijven hoe gedrag zich ontwikkelt door
veranderingen in het zenuwstelsel over de levensloop. Bijvoorbeeld, hoe verschillen
tussen mannen en vrouwen zich ontwikkelen door veranderingen in de hersenen.
3. Evolutionaire verklaringen: onderzoeken hoe bepaalde eigenschappen of
gedragingen van organismen zich hebben ontwikkeld en veranderd over tijd. Dit
gebeurt door te kijken naar hun evolutionaire geschiedenis, oftewel de "stamboom"
van hoe deze kenmerken zijn ontstaan en aangepast vanuit eerdere soorten.
Bijvoorbeeld, de ontwikkeling van vleugels bij vleermuizen en gereedschapsgebruik
bij mensen.
4. Functionele verklaringen: Verklaren waarom een structuur of gedrag op een
bepaalde manier geëvolueerd is door de voordelen die het biedt. Bijvoorbeeld,
camouflage als bescherming tegen roofdieren.
Problemen in dieren onderzoek:
Redenen voor dieronderzoek:
Vergelijkbaarheid van mechanismen: Veel gedragsmechanismen zijn vergelijkbaar
tussen soorten, en sommige zijn makkelijker te bestuderen in niet-menselijke soorten.
Eenvoudiger diersoorten hebben eigenschappen die het makkelijker maken om
hersenfuncties en gedragsmechanismen te onderzoeken.
, Interesse in dieren: Mensen zijn van nature nieuwsgierig naar dieren en hun gedrag.
Dit omvat vragen over hoe dieren navigeren, communiceren of zich in groepen
bewegen.
Inzichten in menselijke evolutie: Onderzoek naar dieren helpt ons te begrijpen hoe wij
evolueerden en hoe we verschillen van andere primaten. Dit biedt inzicht in de
evolutie van het menselijk brein.
Beperkingen van menselijk onderzoek: Soms kunnen onderzoekers experimenten
uitvoeren op dieren die niet ethisch of legaal mogelijk zijn bij mensen. Dierproeven
kunnen essentiële informatie opleveren voor medische vooruitgang, zoals in de
behandeling van polio, diabetes, en andere ernstige aandoeningen.
Ethische overpeinzingen:
Schadelijke procedures: Experimenten waarbij dieren worden blootgesteld aan
schadelijke procedures roepen ethische vragen op. Hoewel dergelijke experimenten
soms onontkoombaar zijn voor medische doorbraken, zoals bij de ontwikkeling van
implantaten of behandelingen voor ernstige aandoeningen, blijft het een ethisch
probleem.
Medische vooruitgang: Ondanks ethische bezwaren zijn dierproeven van cruciaal
belang geweest voor medische doorbraken en het ontwikkelen van behandelingen die
levens redden of verbeteren.
Dieronderzoek:
Minimalisten: Accepteren bepaalde vormen van dieronderzoek afhankelijk van de waarde
van het onderzoek, de hoeveelheid lijden die de dieren ondergaan, en het type dier. Ze pleiten
voor strikte regelgeving en balans tussen schade en voordelen.
Abolitionisten: Verwerpen alle vormen van dieronderzoek. Ze beschouwen het gebruik van
dieren als moreel verkeerd, ongeacht de omstandigheden of de mogelijke voordelen van het
onderzoek. Ze zien dieren als gelijkwaardig aan mensen en beschouwen elke vorm van
gebruik of mishandeling als onethisch.
Sommige abolitionisten gebruiken intimidatie en geweld tegen onderzoekers om hun
doelen te bereiken, wat leidt tot een gepolariseerde en vijandige sfeer.
De Drie Rs: De juridische standaard voor dieronderzoek benadrukt:
- Reductie: Het aantal gebruikte dieren vermindert.
- Vervanging: Waar mogelijk alternatieven gebruiken, zoals computermodellen.
- Vervijning: Procedures aanpassen om pijn en ongemak te minimaliseren.
Problemen menselijk onderzoek
Ethische bezorgdheid: Bij bepaalde hersenoperaties waarbij patiënten wakker zijn,
kan het moeilijk zijn om volledig geïnformeerde toestemming te verkrijgen als ze
worden gevraagd deel te nemen aan onderzoek. Het kan ethisch problematisch zijn
om een patiënt te vragen deel te nemen aan een studie zonder duidelijke voordelen
voor de patiënt, alleen om de procedure te vergemakkelijken of extra data te
verzamelen.
Probleem bij stimulatie: Bij Parkinson-patiënten die diep in de hersenen worden
gestimuleerd met elektroden, soms ongewenste gedragsveranderingen optreden. Een